De Flora en Faunawet
Inventarisatie
Schade en verstoring door baggeren?
Welke maatregelen neemt Rijnland om schade en verstoring te voorkomen?
De Flora en Faunawet regelt de bescherming van in het wild levende planten en dieren. Dat gebeurt via de toepassing van de algemene zorgplicht en de bescherming van individuele soorten. Daaruit volgen een aantal wettelijke verplichtingen voor Rijnland.
Bij activiteiten met mogelijk nadelige gevolgen voor planten en dieren moet men zich houden aan de algemene zorgplicht; dit geldt ook voor baggeren. De activiteit moet zodanig worden uitgevoerd dat de schade wordt beperkt of, na uitvoering, weer wordt hersteld.
Dieren- en planten soorten zijn ingedeeld in drie tabellen. Voor iedere tabel bestaat een apart beschermingsniveau.
Volgens de Flora en Faunawet is Rijnland wettelijk verplicht om
In 2007 heeft Rijnland een inventarisatie van plant- en diersoorten in Zuidwest Rijnland laten uitvoeren. De nadruk lag daarbij op soorten die in tabel 2 of 3 van de Flora en Faunawet staan.
Aan de hand van de in Zuidwest Rijnland voorkomende landschapstypen is eerst een beoordeling gemaakt van de beschermde soorten die mógelijk voor kunnen komen. Daarna zijn gegevens uit literatuur, atlassen, bestaand onderzoek en het Natuurloket verzameld. Uit deze gegevens hebben de onderzoekers het volgende geconcludeerd:
De bittervoorn (tabel 3) en de kleine modderkruiper (tabel 2) komen in het water van Zuidwest Rijnland voor. De rugstreeppad (tabel 3) broedt in ondiepe plassen en poelen in het gebied. Daarnaast vermoeden de onderzoekers dat de Rivierdonderpad, de Plattehoornschijf en de waterroofkevers mogelijk aanwezig zijn in de te baggeren watergangen. Op basis van deze gegevens is een plan gemaakt voor een veldinventarisatie.

In het ‘lokroepseizoen’ (mei en juni) is naar de broedplaatsen van de rugstreeppad gezocht. Door ’s nachts de lokroep met geluidsapparatuur af te spelen reageren de dieren door terug te roepen en “verraden” zo hun broedplaats. Vier broedplaatsen zijn gevonden op de overgang van de duinen naar het achterland. Deze ondiepe watertjes moeten strikt beschermd worden.

In het najaar is veldonderzoek uitgevoerd naar waterdieren. Door de dikke baggerlaag komen er weinig vissen voor in het gebied. Echter, juist de kleine modderkruiper en de bittervoorn verschuilen zich graag in de bagger. Deze soorten zijn in het gehele gebied aangetroffen, in totaal verschillende typen watergangen.

In het gebied voorkomende broedvogels mogen tijdens het broeden niet worden verstoord; hierop is alleen uitzondering mogelijk als er sprake is van zwaarwegende maatschappelijke belangen.
Er komen veel meer plant- en diersoorten voor in Rijnland, maar deze soorten worden óf niet bedreigd, óf genieten voldoende bescherming door de toepassing van de algemene zorgplicht.
Baggeren gebeurt met zwaar materieel. De broedplaatsen van de rugstreeppad kunnen hierdoor worden vernietigd. Vanwege de beschermde status moeten de voortplantingsomstandigheden strikt beschermd worden.
De licht verontreinigde bagger in het landelijke gebied wordt in veel gevallen met een zuiger weggezogen. De bittervoorn en modderkruiper verstoppen zich bij bedreiging soms in de bagger en kunnen worden opgezogen.
Voor de hierboven genoemde soorten moet een ontheffing aangevraagd worden. Dat houdt in dat Rijnland maatregelen moet nemen om schade te voorkomen of tot een minimum te beperken. De maatregelen moeten vastgelegd worden in een werkprotocol.
Rijnland heeft de “Gedragscode Flora- en Faunawet voor Waterschappen” ondertekend en verplicht zich daarmee een werkprotocol op te stellen voor baggerwerkzaamheden.
Uitgangspunt is dat schade voor soorten uit tabel 2 en 3 van de Flora-en Faunawet strikt wordt vermeden en dat schade aan de overige soorten zoveel mogelijk wordt beperkt. Wat betekent dat voor het baggeren in de praktijk?
Rijnland baggert niet in het broedseizoen van half maart tot begin juni.
Een deskundige kijkt twee dagen vóór het baggerwerk of er broedende vogels in het te baggeren traject zijn. Twintig meter rond de broedplek wordt niet gebaggerd.
Waar mogelijk zal Rijnland vanaf het doodlopende eind van een watergang baggeren. Dat biedt vissen en waterdieren de mogelijkheid te vluchten. De oevers met waterplanten, die een schuilplaats bieden voor veel waterdieren, worden zoveel mogelijk ontzien.
Waar mogelijk kan Rijnland de snelheid van opzuigen en de zuigkracht beperken zodat kleinere vissoorten niet worden meegezogen. Verder zal het zware baggermaterieel (kranen) een zo beperkt mogelijk oppervlakte onverhard maaiveld belasten.
Bagger die met een kraanbak boven water wordt gehaald moet worden geïnspecteerd op vissen, mosselen, amfibieën en andere waterdieren. Deze dieren moeten weer teruggezet worden in het water.
De broedplaatsen van de rugstreeppad worden in principe geheel ontzien. Wanneer baggeren absoluut noodzakelijk is wordt er een jaar voor het baggeren, met deskundige hulp, een voortplantingspoel in de directe omgeving ingericht.
