Inleiding
Begripsomschrijvingen (titel 1)
Bepalingen inzake de uitvoering van het waterakkoord (titel 2)
Bepalingen inzake de naleving van het waterakkoord (titel 3)
Financiële bepalingen (titel 4)
Slotbepalingen (titel 5)
Reeds vanaf 1951 heeft Delfland de mogelijkheid om voor behoeften in zijn beheersgebied water uit Rijnlands boezem (nl. de Vliet) aan te voeren. Voor dit doel heeft Delfland indertijd het gemaal Mr.Dr. Th.F.J.A. Dolk opgericht. Aanvankelijk is deze aanvoer van water geregeld via een door Rijnland verleende vergunning. Na afloop van de geldigheidsduur van deze vergunning is de aanvoer van water gecontinueerd. Nadat was gebleken dat er behoefte bestond aan een nieuwe kostenverdeling is in 1990 met terugwerkende kracht tot 1 januari 1988 ter zake tussen de dagelijkse besturen van beide waterschappen een overeenkomst gesloten. Daartoe verplicht op grond van de Wet op de waterhuishouding en de Verordening Waterbeheer Zuid-Holland, hebben de beide waterschappen de aanvoer van water vervolgens in 1992 in een waterakkoord vastgelegd. Overigens wordt sinds 1988 in de totale zoetwaterbehoefte van Delfland in grote mate ook voorzien via water, afkomstig uit het Brielse Meer.
Thans is bij de beide partijen aan het waterakkoord de behoefte gebleken om de functie van het gemaal Mr.Dr. Th.F.J.A. Dolk uit te breiden en daarmee water uit elkaars beheersgebied te kunnen aanvoeren of water naar elkaars beheersgebied te kunnen afvoeren, als dit om welke reden dan ook noodzakelijk is. Daarbij valt te denken aan ondermeer de situatie dat een deel van de uitmalingscapaciteit van een van de partijen wegens werkzaamheden niet beschikbaar is en uit het beheersgebied van die partij via de gebruikelijke weg onvoldoende kan worden uitgemalen.
In het onderhavige waterakkoord wordt de bestaande situatie, waarin Delfland 8 m3 water per seconde via eerder vermeld gemaal uit Rijnlands boezem kan aanvoeren, bestendigd. Het akkoord wordt uitgebreid met een regeling voor het incidenteel gebruik van het gemaal Mr.Dr. Th.F.J.A. Dolk en de provinciale scheepvaartsluis te Leidschendam voor andere doeleinden dan de aanvoer van water uit Rijnland naar Delfland.
Krachtens het onderhavige waterakkoord kan worden besloten om in bijzondere omstandigheden, zoals een tekort aan water, de wateraanvoer door Delfland uit Rijnlands boezem tijdelijk stop te zetten. Onverlet blijft evenwel de regeling voor bijzondere omstandigheden zoals vastgelegd in het kader van de Kleinschalige Wateraanvoervoorzieningen Midden-Holland (KWA), waarbij onder meer Rijnland en Delfland partij zijn. Dit betekent dat, wanneer in bijzondere omstandigheden ten behoeve van de KWA zoet water beschikbaar wordt gesteld, Rijnland verplicht is om mee te werken aan doorvoer hiervan naar Delfland; hetzelfde geldt overigens voor Delfland ten opzichte van Schieland.
Na vaststelling ligt het waterakkoord gedurende zes weken ter inzage. Gedurende die tijd staat voor belanghebbenden beroep open. Ook bestaat daarna nog de mogelijkheid van beroep op de Rechtbank en van hoger beroep bij de Raad van State. Het waterakkoord treedt in werking op de dag na beëindiging van de beroepstermijn, als geen beroep is ingesteld of na uitspraak op het beroep.
In artikel 1 worden definities gegeven van de begrippen: "partij", "normale omstandigheden", "bijzondere omstandigheden", "calamiteit", "wateraanvoer", "waterafvoer", "werk" en "schakelpunt".
Deze begrippen worden verder in het waterakkoord zonder nadere uitleg toegepast.
Waar er in het waterakkoord sprake is van partijen, gaat het om de rechtspersonen, in casu Rijnland en Delfland. De desbetreffende bestuursorganen van Rijnland en Delfland nemen de besluiten, die krachtens het waterakkoord aan de partijen zijn voorbehouden.
Tijdens normale omstandigheden geldt voor Rijnland en Delfland gemiddeld een boezempeil van N.A.P. -0,60 m respectievelijk N.A.P. 0,40 m.
Onder bijzondere omstandigheden vallen de omschreven situaties zoals watertekort, wateroverlast, een calamiteit en de inwerkingtreding van de Kleinschalige Wateraanvoervoorziening Midden-Holland.
Het verschil in het noemen van enerzijds "tot een bepaald peil" (Rijnland) en anderzijds "boven een bepaald peil" (Delfland) in de definitie van wateroverlast is gelegen in het feit dat Rijnland vanaf NAP 0,50 m automatisch in de calamiteitenfase vervalt. Tot dit peil geldt dan de bijzondere omstandigheid. Boven dit peil is er sprake van een calamiteit.
Omdat bij Delfland eerst sprake is van een calamiteit als daartoe besloten wordt, is ervoor gekozen de bijzondere omstandigheid een situatie boven NAP 0,30 m te laten zijn. Hiervoor geldt dan de omschrijving van een bijzondere omstandigheid, tot het moment dat Delfland besluit dat er sprake is van een calamiteit. Van een calamiteit is bijvoorbeeld ook sprake als de sluizen van de Vlietboezem in de Hoge Rijndijk gesloten moeten worden.
Daarnaast kunnen zich uiteraard omstandigheden voordoen, die niet vallen onder de begripsomschrijving voor buitengewone omstandigheden of calamiteit, maar waarvan de betreffende beheerder van oordeel is dat daarvan wel sprake is. In die gevallen kan de beheerder bepalen, dat er sprake is van een bijzondere omstandigheid of calamiteit.
In het waterakkoord staan drie verplichtingen centraal (artikel 2):
1. Rijnland stelt in normale omstandigheden aan Delfland zoetwater ter beschikking; het gaat hierbij om 8 m3 water per seconde.
2. In aanvulling hierop kan een partij in geval van een (dreigende) bijzondere omstandigheid binnen het eigen beheersgebied de andere partij verzoeken water uit te wisselen tot een vast te stellen hoeveelheid per tijdseenheid en duur. Overleg en besluitvorming hieromtrent vinden plaats overeenkomstig de afspraken omschreven in bijlage III van het waterakkoord. Indien het een verzoek van Delfland betreft tot het extra afvoeren van water naar Rijnlands boezem, dan worden de inliggende waterschappen bij de beoordeling van het verzoek betrokken.
3. De partijen betalen elkaar een vergoeding voor de aan- of afvoer van water via het gemaal.
In artikel 3 worden de aan- en afvoerwerken beschreven. Het in dit artikel bedoelde gemaal Mr.Dr.Th.F.J.A. Dolk te Leidschendam is ten behoeve van de aan- en afvoer van water van Rijnland naar Delfland uitgerust met 3 pompen en heeft een totale maximale capaciteit van 8 m3/s. Tot het gemaal behoort een koker, ondergronds gelegen aan de westzijde van de schutsluis te Leidschendam, waardoor het in te malen water wordt aangezogen uit de Vliet. Aan de instroomzijde aan de noordwestelijke oever van de Vliet is de koker voorzien van een krooshek, waardoor eventueel aanwezig grof vuil wordt tegengehouden. Via een korte uitmondingsconstructie wordt het water op Delflands boezem gebracht.
De aan- en afvoer van water van Delfland naar Rijnland geschiedt via het boven genoemde gemaal, dat hiervoor is uitgerust met een hevelconstructie en een vacuminstallatie over drie pompen met een theoretisch maximale capaciteit van 5 m3/s. Het gemaal is aan Delflands zijde van een krooshek voorzien.
Aan en afvoer van water van Delfland naar Rijnland kan ook plaatsvinden via de rinketten van de sluis te Leidschendam met een capaciteit van ca. 3m3/s. Deze sluis is in beheer bij de provincie Zuid-Hollland. Delfland zal in verband daarmee (schriftelijke) afspraken maken met de provincie over gebruik van de rinketten. Aanvullend kan gebruik worden gemaakt van noodpompen met een capaciteit van circa 1 m3/s.
Voor het watertransport onder vrij verval van Delfland naar Rijnland via het gemaal wordt gebruik gemaakt van dezelfde voorzieningen als eerder in dit artikel genoemd. In aanvulling hierop is aan de Delflandse zijde een krooshek aanwezig en is het gemaal voorzien van een vacuüminstallatie.
In artikel 4 is de meting en registratie van de hoeveelheden getransporteerd water geregeld, alsmede de bemonstering op waterkwaliteit en het elkaar daaromtrent informeren.
Artikel 5 geeft aan welk waterpeil moet worden nagestreefd op het punt waar het water wordt overgedragen.
In artikel 6 worden de normen aangegeven voor de kwaliteit van het over te dragen water. In het geval het water van slechte kwaliteit blijkt te zijn, dienen de partijen elkaar hierover te informeren. Na ontvangst van deze informatie staat het de partij binnen wiens beheersgebied het water uiteindelijk terecht gaat komen, vrij te beslissen of hij het water ondanks de verontreiniging toch zal ontvangen. De gevolgen hiervan komen voor rekening van de partij ten behoeve van wie de aan- of afvoer plaatsvindt.
Artikel 8 bepaalt, dat het calamiteitenbestrijdingsplan in werking treedt op het moment dat de omstandigheden uitstijgen of dreigen uit te stijgen boven de in de begripsomschrijvingen daarvoor opgenomen criteria. Dit geldt uiteraard ook, als een beheerder zelf bepaalt dat er sprake is van een calamiteit ook als nog niet aan die criteria wordt voldaan.
Als een van de betrokken partij stelt dat er sprake is van een geschil, dan is er sprake van een geschil als bedoeld in artikel 52 van de Wet op de waterhuishouding (artikel 9). Artikel 52 van de Wet op de waterhuishouding bepaalt dat geschillen omtrent de naleving van een waterakkoord tussen de partijen worden beslist door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, voor zover zij niet behoren tot die, vermeld in artikel 112, eerste lid van de Grondwet (geschillen over burgerlijke rechten of over schuldvorderingen). De indiening van een bezwaar of het aanhangig maken van een geschil heeft geen schorsende werking voor wat betreft de uitvoering van het genomen besluit (artikel 10). Hiervoor is gekozen, omdat te treffen maatregelen veelal geen uitstel kunnen lijden. Indien naar aanleiding van de heroverweging of de beslissing op het geschil het oorspronkelijke besluit geheel of gedeeltelijk wordt herzien, dient uiteraard tegelijkertijd te worden voorzien in de eventuele gevolgen van die herziening.
Tenminste een keer per twee jaar wordt dit waterakkoord door de betrokken partijen geëvalueerd (artikel 11). Ook kan schriftelijk een verzoek worden gedaan het waterakkoord tussentijds te evalueren. De resultaten van een evaluatie kunnen aanleiding zijn om het waterakkoord te wijzigen.
Voor wat betreft de vergoeding wordt onderscheid gemaakt tussen de vergoeding voor de aanvoer van water als bedoeld in artikel 2, eerste lid, en de aan- en afvoer van water als bedoeld in artikel 2, tweede lid. Laatst bedoelde vergoeding beslaat de werkelijk gemaakte kosten. Voor wat betreft de vergoeding voor de eerstbedoelde aanvoer van water wordt onderscheid gemaakt tussen een vaste en een variabele vergoeding (artikel 12). De vaste vergoeding heeft betrekking op de hoeveelheid water tot 5 miljoen m3 per jaar. Voor elke m³ die meer wordt onttrokken is de variabele vergoeding verschuldigd.
Voor de kostentoerekening wordt gebruik gemaakt van een rekenmodel. Dit rekenmodel, dat dateert van 23 februari 1988, werd ook reeds gehanteerd ten behoeve van de in 1990 gesloten financiële overeenkomst.
De berekeningswijzen van beide soorten vergoedingen zijn nader uitgewerkt in de artikelen 13 en 14.
De kostentoerekening voor de vaste vergoeding wordt gebaseerd op gegevens in de begroting van Rijnland. Om de 5 jaar vindt een nieuwe berekening van de vergoeding plaats op basis van de begroting van het alsdan geldende jaar.
De toerekening voor de variabele vergoeding wordt gebaseerd op de desbetreffende jaarrekening van Rijnland.
In artikel 15 is nog geregeld op welk moment en op welke wijze de betalingen plaatsvinden. Indien gewenst kan de betalende partij de andere partij vragen om met betrekking tot de overlegde rekening een accountantsverklaring af te geven.
Een bepaling met betrekking tot de wijziging van het waterakkoord is niet meer opgenomen. Hierin wordt voorzien in artikel 21 van de Wet op de waterhuishouding.
Het waterakkoord krijgt een onbepaalde geldigheidsduur en kan worden aangehaald als "Waterakkoord Rijnland-Delfland 2002".
