Toelichting Waterakkoord Rijnland en De Stichtse Rijnlanden

Logo van het hoogheemraadschap van Rijnland
 

Sidebar

Home > Beleid > Waterakkoorden > Waterakkoord Rijnland en De Stichtse Rijnlanden > Toelichting Waterakkoord Rijnland en De Stichtse Rijnlanden

Toelichting Waterakkoord Rijnland en De Stichtse Rijnlanden

Naast de officiële tekst van het waterakkoord Rijnland en De Stichtse Rijnlanden is er ook een toelichting op het waterakkoord. In deze toelichting komen de volgende onderwerpen aan bod: 
  1. Inleiding
  2. Verplichtingen van de deelnemers
  3. Geschillen en evaluatie
  4. Financiële aspecten
  5. Wijziging van het waterakkoord
  6. Overgangs- en slotbepalingen

U kunt hier de officiële tekst van het waterakkoord lezen.
Ook de volgende bijlagen zijn opgenomen:
bijlage 1 - overzicht poldergemalen en capaciteiten De Stichtse Rijnlanden
bijlage 2 - monitoring waterkwaliteit op het schakelpunt
bijlage 3 - kaart

1. Inleiding

De huidige waterschappen Hoogheemraadschap van Rijnland en Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden kennen al een eeuwenlange samenwerking. Deze samenwerking bestond voornamelijk uit een recht tot vrijelijk lozen van het waterbezwaar uit Woerdens boezem en tot een “gerief” door middel van waterinlaat op Rijnlands boezem.

Genoemd recht vindt zijn oorsprong in de uitspraak van keizer Frederik Barbarossa van 1165 waarbij de Utrechtse landen te eeuwige dage vrijelijk door Zwammerdam zouden afwateren en de uitspraak van de hertog van Brabant van 1202 betreffende de vredesvoorwaarden tussen Utrecht en Holland waarbij deze vrijelijke lozing aan zekere contraprestaties werd gebonden. In de jaren 1226, 1363, 1612, 1862, 1960 en 1983 zijn hierover nog nadere overeenkomsten gesloten c.q. besluiten genomen.

Thans ligt voor u het ontwerp-waterakkoord tussen de beide waterschappen. Het waterakkoord vindt zijn grondslag in de Wet op de waterhuishouding en moet de oude bestaande overeenkomsten tussen waterschappen gaan vervangen. Daartoe is in de Verordening waterbeheer Rijnland en de Verordening op de waterhuishouding Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden een bepaling opgenomen die de waterschappen verplicht tot het sluiten van een waterakkoord.

Het is de bedoeling dat dit waterakkoord alle oude overeenkomsten vervangt, tenzij uitdrukkelijk anders is vermeld. Daarbij zal de inhoud van dit waterakkoord niet principieel afwijken van de oude overeenkomsten. Zo blijft het recht tot vrijelijk lozen uit de boezem van De Stichtse Rijnlanden op Rijnlands boezem nog steeds geregeerd door de bepaling van artikel A2 van de overeenkomst van 1983. Genoemd artikel luidt, “Rijnland en Woerden erkennen, dat deze wederkerige bevoegdheden en verplichtingen te goeder trouw, naar de eisen ener goede waterhuishouding en overeenkomstig goed waterschapsgebruik dienen te worden uitgeoefend.” Met andere woorden dit artikel vormt de achtergrond voor een deel van de bepalingen in het waterakkoord. Daarnaast is de inhoud van dit waterakkoord aangepast naar de eisen van nu, zo zijn nu bepalingen opgenomen over calamiteiten, waterkwaliteit, meet- en registratiebepalingen etc.

2. Verplichtingen van deelnemers met betrekking tot aan- en afvoer van water

2.1 Normale omstandigheden

Voor de waterafvoer vanuit de Oude Rijn-boezem van De Stichtse Rijnlanden naar de boezem van Rijnland wordt gebruik gemaakt van de sluis Bodegraven. Deze bestaat uit een spuikoker en een scheepvaartsluis. Indien het debiet van de spuikoker ontoereikend is om de boezem van De Stichtse Rijnlanden op streefpeil te houden wordt ook de scheepvaartsluis ingezet om water te lozen. De streefpeilen van de boezems van beide beheersgebieden zijn vastgelegd in de vigerende peilbesluiten. De capaciteit van de sluis en spuikoker is afhankelijk van de waterstanden in beide boezems (zie bijlage 1). Het door de Stichtse Rijnlanden geloosde water wordt via de boezemgemalen van Rijnland (Katwijk, Spaarndam, Halfweg en Gouda) naar zee afgevoerd (zie kaart 1).

De Oude Rijn-boezem van De Stichtse Rijnlanden is aangegeven op kaart 1. Op dit boezemstelsel lozen 24 poldergemalen van HDSR met een totale capaciteit van ruim 26 m3/s. (situatie 2003). Daarnaast loost het waterschap Wilck en Wiericke met een 2-tal poldergemalen (de polder Oukoop en Zuidzijderpolder) op dit boezemstelsel, met een totale capaciteit van 2,4 m3/s
(Vanaf 2005 zal polder Oukoop lozen op de Gekanaliseerde Hollandsche IJssel. De door Wilck en Wiericke geloosde capaciteit zal dan 1,2 m3/s bedragen).

In bijlage 1 is een overzicht opgenomen van alle poldergemalen en capaciteiten.

Aangezien vergroting van de afvoer naar de boezem van De Stichtse Rijnlanden, consequenties heeft voor de afvoer naar de boezem van Rijnland, zullen voorgenomen wijzigingen vroegtijdig worden overlegd met Rijnland. Hierbij zal gestreefd worden naar het gezamenlijk zoeken van oplossingen.

2.2 Bijzondere omstandigheden

2.2.1 Lokaal watertekort

In perioden met neerslag tekort wordt door Rijnland uit de Hollandsche IJssel water ingelaten op de boezem bij Gouda. Indien dit niet mogelijk is (door bijvoorbeeld uitval, calamiteiten op de Hollandsche IJssel) of indien lokale omstandigheden daartoe aanleiding geven (door bijvoorbeeld een calamiteit in Rijnlands boezem van kwantitatieve of kwalitatieve aard) kan Rijnland De Stichtse Rijnlanden verzoeken om water via Bodegraven naar Rijnlands boezem te brengen. De Stichtse Rijnlanden zal hier zoveel als mogelijk gehoor aan geven.

2.2.2 Regionaal Watertekort

Als aan de volgende criteria wordt voldaan treedt de KWA in werking:
a. een afvoer van de Rijn te Lobith lager dan 1100 m3/s;

b. een verhoging - door zee-invloed - van het chloridegehalte in de Hollandsche IJssel nabij de stormvloedkering te Krimpen aan den IJssel, zoals die verhoging blijkt uit de routinematige bemonstering door het Rijk dan wel blijkend uit specifieke bemonstering door Rijnland op de Hollandsche IJssel, en welke verhoging gerekend wordt ten opzichte van het chloridegehalte van de Rijn te Lobith, met een faseverschil van twee dagen;

c. een ongunstig verwachtingspatroon - andere factoren dan onder a. en b. genoemd mede in beschouwing genomen - in die zin dat het waarschijnlijk is dat in de mond van de Hollandsche IJssel zich zodanige verzilting zal gaan voordoen dat de taak ten aanzien van de zoetwatervoorziening van de hoogheemraadschappen van Delfland, Rijnland en Schieland onvoldoende kan worden behartigd.

Hierbij wordt gehandeld conform de beheersovereenkomst KWA of zijn opvolger.

2.2.3 Wateroverlast

In dit artikel wordt aangegeven dat wateroverlast in het ene of andere of in beide gebieden aanleiding kan zijn te gaan handelen volgens de betreffende calamiteitenbestrijdingsplannen.  Dit zijn de voor de onderscheiden beheersgebieden geldende plannen, waarin onder meer de tactische en strategische benadering van calamiteiten, zo veel als mogelijk is, zijn vastgelegd

Rijnland
Het deelplan Boezembeheer onder bijzondere omstandigheden, onderdeel van het Calamiteitenplan Rijnland treedt in werking bij een waterstand van –0,50 m NAP op Rijnlands boezem of indien het bestuur van het beheersgebied hiertoe aanleiding ziet. In het deelplan is aangegeven welke maatregelen afhankelijk van de situatie mogelijk zijn en volgens welke procedures deze maatregelen kunnen worden getroffen. Bij overschrijding van het maalpeil, dit is het peil op de boezem waarboven de bemaling wordt gestaakt, in Rijnlands boezem van –0,35 cm  NAP (ten zuiden van de Oude Rijn) en –0,30 cm NAP (ten noorden van de Oude Rijn) is sprake van dusdanige wateroverlast dat maalstops voor de polders noodzakelijk zijn. Afhankelijk van de situatie worden bij oplopende waterstanden vanaf ca –0,55 cm NAP maatregelen in het gebied getroffen.

De Stichtse Rijnlanden
Het calamiteitenbestrijdingsplan Boezembeheer onder bijzondere omstandigheden, onderdeel van het Calamiteitenplan De Stichtse Rijnlanden, treed in werking bij een peil op de boezem van –0.40 tot –0.20 m NAP (afhankelijk van het deel van de boezem). In het deelplan is aangewezen welke maatregelen in welke fase kunnen worden genomen en welke procedure hiervoor gehanteerd wordt. Bij een peil van –0.24 tot 0.00 m NAP zijn maalstops voor de polders noodzakelijk.

Op basis van artikel 2.2.3 in het waterakkoord is het mogelijk De Stichtse Rijnlanden in geval van wateroverlast op Rijnlands boezem te verzoeken de afvoer via Bodegraven zoveel als mogelijk te beperken.

2.2.4 Calamiteitenbestrijding

In geval van een calamiteit zullen voor de beide beheersgebieden de eigen calamiteitenbestrijdingsplannen in werking treden. Voor een grensoverschrijdende calamiteit bestaat in het calamiteitenbestrijdingsplan van de Stichtse Rijnlanden geen protocol. In dit waterakkoord is een afstemmingsregeling opgenomen. Bij grensoverschrijdende calamiteiten zal gezamenlijk overleg gevoerd worden over de te treffen maatregelen. Hierbij zullen de risico’s voor beide beheersgebieden tegen elkaar worden afgewogen.

Bij een calamiteit op Rijnlands boezem kan Rijnland een verzoek doen aan De Stichtse Rijnlanden tot extra wateraanvoer. De Stichtse Rijnlanden heeft een inspanningsverplichting om zoveel mogelijk aan dit verzoek te voldoen.

2.3 Waterkwaliteit

De normen voor de waterkwaliteit van de Oude Rijn zijn door de Stichtse Rijnlanden vastgelegd in het waterbeheersplan. Deze normen zijn gebaseerd op nationale en Europese regelgeving (4e nota waterhuishouding en in de toekomst de Europese Kaderrichtlijn Water). Om te kunnen beoordelen of de waterkwaliteit aan deze normen voldoet heeft het waterschap een bemonsteringsprogramma opgesteld, waarin is aangegeven waar hoe vaak en op welke parameters de waterkwaliteit wordt getoetst. In bijlage 2 is aangegeven voor welke parameters en met welke frequentie de waterkwaliteit van de Oude Rijn bij Bodegraven door De Stichtse Rijnlanden wordt gecontroleerd.

2.4 Registratie en informatie

2.4.1 Registratieplicht

De afvoer bij Bodegraven wordt onder meer ten behoeve van de financiële afrekening geregistreerd. Hiervoor is een akoestische debiet meter (ADM)geplaatst die door beide waterschappen kan worden uitgelezen. Het debiet wordt iedere 10 minuten geregistreerd. De debieten van de Polder Oukoop en de Zuidzijderpolder worden bepaald aan de hand van draaiuren en vervolgens omgerekend naar debieten.

Het onderhoud van deze ADM wordt uitgevoerd door De Stichtse Rijnlanden. Eenmaal per 3 jaar wordt deze meter geijkt.

Daarnaast wordt de waterkwaliteit bij Bodegraven bovenstrooms van de sluis geregistreerd voor de in bijlage 2 genoemde parameters, met de bijbehorende frequentie. Dit meetpunt is onderdeel van het routinematige meetnet van De Stichtse Rijnlanden.

2.4.2 Informatieplicht

Om inzicht te hebben en te houden in beide watersystemen wordt jaarlijks met behulp van een overzicht de waterkwantiteit en -kwaliteit op het schakelpunt gerapporteerd. In geval van calamiteiten zal in overleg de frequentie soort informatie worden bepaald.

3. Geschillen en evaluatie


Geschil

Als één van de betrokken partij stelt dat er sprake is van een geschil, dan is er sprake van een geschil als bedoeld in artikel 52 van de Wet op de waterhuishouding (artikel 9). Artikel 52 van de Wet op de waterhuishouding bepaalt dat geschillen omtrent de naleving van een waterakkoord tussen de partijen worden beslist door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, voor zover zij niet behoren tot die, vermeld in artikel 112, eerste lid van de Grondwet (geschillen over burgerlijke rechten of over schuldvorderingen). In het geval van een geschil met betrekking tot de financiële vergoedingen (schuldvorderingen) dient het geschil derhalve te worden voorgelegd aan de Rechterlijke Macht (artikel 112, eerste lid Grondwet). Afhankelijk van de hoogte van het bedrag dient zo’n geschil te worden voorgelegd aan het Kantongerecht, dan wel de Arrondissementsrechtbank.

De indiening van een bezwaar of het aanhangig maken van een geschil heeft geen schorsende werking voor wat betreft de uitvoering van het genomen besluit (artikel 3.2). Hiervoor is gekozen, omdat te treffen maatregelen veelal geen uitstel kunnen lijden. Indien naar aanleiding van de heroverweging of de beslissing op het geschil het oorspronkelijke besluit geheel of gedeeltelijk wordt herzien, dient uiteraard tegelijkertijd te worden voorzien in de eventuele gevolgen van die herziening.

Evaluatie

Over de uitvoering van dit waterakkoord vindt voor de eerste keer twee jaar na vaststelling van het waterakkoord een ambtelijke evaluatie plaats. Vervolgens zal elke vijf jaar een evaluatie plaatsvinden. Uiteraard kan door partijen de wens geuit worden een tussentijdse evaluatie te laten plaatsvinden.

Onderwerpen van deze evaluatie kunnen zijn:

  • uitvoering huidig waterakkoord;
  • vaststelling jaarcijfers;
  • waterkwantiteit;
  • waterkwaliteit;
  • financiën;
  • overwogen structurele veranderingen (bijv. veranderingen in het boezemsysteem van Woerden die effect kunnen hebben op de hoeveelheid en/of spreiding van de waterafvoer naar Rijnland en die tot aanpassing van het boezemsysteem van Rijnland zouden kunnen leiden of veranderingen die voortvloeien uit het onderzoek naar knelpunten van watertekort en –overlast).

Vorenstaand ambtelijk overleg kan dienen als voorbereiding voor een bestuurlijk overleg waarin in ieder geval de punten worden besproken waarover ambtelijk geen overeenstemming bestaat en wellicht ook een bestuurlijk standpunt wordt gewenst.

Een bestuurlijk overleg behoeft derhalve alleen plaats te vinden als ambtelijk niet tot overeenstemming kan worden gekomen.

Indien de evaluatie niet noodzaakt tot zaken waarvoor bestuurlijke standpuntinname of besluitvorming nodig is, kan worden volstaan met het indienen van een evaluatieverslag bij de besturen.

Op basis van de evaluatie kan eventueel de noodzaak aanwezig geacht worden het waterakkoord te wijzigen. Een dergelijke wijziging zal weer op grond van de bepalingen van de Wet op de Waterhuishouding moeten worden voorbereid.

Onderzoek

In het kader van de implementatie de Europese Kaderrichtlijn Water en Waterbeheer 21e eeuw spreken partijen de intentie uit om gezamenlijk naar oplossingsrichtingen te zoeken voor grensoverschrijdende knelpunten die in beide gebieden qua watertekort, wateroverlast en waterkwaliteit bestaan.

De resultaten van de studies ‘Verkenning Zoetwatervoorziening Midden-West Nederland’, ‘Toekomstige watervraag Rijnland’ en ‘Wateropgave HDSR’ zullen daarbij als uitgangspunt gebruikt kunnen worden.

Hier moet wel opgemerkt worden dat zowel het onderzoek als de eventuele uitvoering van oplossingen niet beperkt hoeft te blijven tot de partners van dit waterakkoord.

4. Financiële aspecten

4.1 Waterafvoer


  • De Stichtse Rijnlanden verplicht zich, de kosten die door Rijnland worden gemaakt voor het lozen van overtollig water uit De Stichtse Rijnlanden te vergoeden.
  • De vergoeding bestaat uit de hoeveelheid door De Stichtse Rijnlanden geloosd water via de sluis van Bodegraven vermenigvuldigd met de Rijnlandse kostprijs.
  • De Rijnlandse kostprijs wordt vastgesteld aan de hand van de onderstaande formule:

    6,5/7,5 x (B + (B/T) x A)
                      W

    De componenten uit bovenstaande formule hebben de volgende betekenis:

    Factor  6,5/7,5
    De formule houdt in dat de Stichtse Rijnlanden meebetaalt aan de beheerkosten van de totale Rijnlandse boezem, zowel ter zaken van waterlozing als ter zake van waterverversing. De Stichtse Rijnlanden betaalt echter niet voor de waterinlaat t.b.v. het Rijnlandse peilbeheer.
    Dit is de reden dat de factor 6,5/7,5 op de kostprijsberekening wordt toegepast. De kosten voor waterinlaat zijn op basis van historische waterinlaat en –afvoergegevens forfaitair vastgesteld op 1/7,5-deel van de totale kosten van het Rijnlandse boezembeheer.

    B= netto kosten boezembeheer Rijnland
    Deze netto kosten bestaan uit zowel directe als indirecte kosten en opbrengsten in het verslagjaar toegerekend aan de volgende producten volgens de productbegroting Rijnland 2004:
    Beleidsproduct 06 Beheersinstrumenten en watersystemen
    Beleidsproduct 07 aanleg, verbetering en onderhoud watersystemen
    Beleidsproduct 08 Baggeren
    Beleidsproduct 09 Beheer hoeveelheid water
    Beleidsproduct 10 Calamiteitenbestrijding watersytemen
    Beleidsproduct 11 Monitoring watersystemen

    De kosten worden geregistreerd op kostenplaatsen en kostensoorten. De exacte toerekening van deze kosten aan bovenstaande producten geschiedt op basis van de kostenverdeelstaat Rijnland.

    T= netto kosten waterkeringszorg en waterkwantiteitsbeheer
    Dit betreft het saldo van de Rijnlandse kostendragers (taken):
    * totale lasten Waterkeringszorg minus totale baten Waterkeringszorg.
    * totale lasten Waterkwantiteitsbeheer minus totale baten Waterkwantiteitsbeheer.

    Deze lasten en baten zijn vermeld in de hoofdstukken exploitatie Waterkeringszorg en Waterkwantiteitsbeheer van de Rijnlandse Begroting en Jaarrekening.

    A= Algemene kosten
    Dit betreft het saldo van de lasten en baten van de Rijnlandse organisatieonderdelen:
    * Toezicht & Controle (Handhaven);
    * Vergunningen en Emissies (Vergunningverlening);
    * Managementteam,

    voor zover de lasten en baten van deze organisatieonderdelen via de Rijnlandse kostenverdeelstaat zijn doorbelast aan de kostendragers Waterkeringszorg en Waterkwantiteitsbeheer.

    W= Hoeveelheid geloosd water
    Dit betreft de totale hoeveelheid geloosd water door de Rijnlandse boezemgemalen, zoals vastgelegd in het technische jaarverslag van Rijnland. 
  • De door De Stichtse Rijnlanden via de sluis Bodegraven geloosde hoeveelheid water wordt door een ter plaatse aanwezige akoestische debietmeter gemeten en geregistreerd.  Deze gemeten hoeveelheid wordt gecorrigeerd op de volgende aspecten:
    - Uitgangspunt is dat uurwaarden kleiner of gelijk aan 1m3/s als “ruis” worden beschouwd en niet worden meegerekend.
    - De hoeveelheid geloosd water van de gemalen  Zuidzijderpolder en Oukoop worden van de gemeten hoeveelheid afgetrokken.
    – De hoeveelheid water die geloosd wordt bij Bodegraven in perioden dat Rijnland water inlaat bij Gouda, wordt van de gemeten hoeveelheid afgetrokken.
    - Vervolgens wordt de hoeveelheid gecorrigeerd voor compensatie uitval van de debietmeting. Voor deze compensatie wordt het rekenkundig jaargemiddelde gebruikt.
    - De totale hoeveelheid water die op verzoek van Rijnland door De Stichtse Rijnlanden wordt aangevoerd zal van de gemeten hoeveelheid afgetrokken worden.

4.2 Wateraanvoer

  • In situaties zoals omschreven in paragraaf 2.2.1 en 2.2.4 verplicht Rijnland zich de kosten, die door De Stichtse Rijnlanden worden gemaakt voor het aanvoeren van het water uit De Stichtse Rijnlanden, te vergoeden.
  • De vergoeding bestaat uit de hoeveelheid door De Stichtse Rijnlanden aangevoerd water via de sluis van Bodegraven vermenigvuldigd met de kostprijs van Rijnland.
  • Vanwege het incidentele karakter van deze aanvoer en de naar verwachting geringe hoeveelheden water wordt er voorlopig van uitgegaan dat de kostprijs van de Stichtse Rijnlanden gelijk is aan de kostprijs van Rijnland. Als op termijn blijkt dat de kostprijs van de Stichtse Rijnlanden anders is dan die van Rijnland, dan zal nader beoordeeld worden of de jaarlijkse verrekening op basis daarvan moet worden berekend.

4.3 Overige kosten

De kosten voor registratie en informatie worden door beide waterbeheerders afzonderlijk, ieder voor zijn beheersgebied bekostigd.

4.4 Financiële afhandeling

  • Jaarlijks wordt een voorschot in rekening gebracht op basis van de Rijnlandse begroting van het verslagjaar. Rijnland zendt hiervoor een factuur voor 1 mei van het betreffende verslagjaar. Deze wordt door HDSR binnen 2 maanden betaald.
    Dit voorschot is gebaseerd op het gemiddelde van de werkelijk afgevoerde hoeveelheden water in de laatste 5 jaar. Hiervoor is geen accountantsverklaring noodzakelijk. 
  • Na afloop van het verslagjaar stelt Rijnland voor 1 juli in overleg met de Stichtse Rijnlanden de eindafrekening van dat jaar op. Deze afrekening is gebaseerd op de werkelijke lasten en baten volgens de jaarrekening van Rijnland en de werkelijk geloosde hoeveelheden water. De kosten van de, op verzoek van Rijnland, aangevoerde hoeveelheid water worden hierbij verrekend. 
  • Dit wordt bij de Stichtse Rijnlanden in rekening gebracht onder verrekening van het betaalde voorschot. Deze afrekening gaat vergezeld van een accountantsverklaring, waarvan de kosten door De Stichtse Rijnlanden worden vergoed.
  • Finale afrekening van het verslagjaar vindt plaats binnen 2 maanden na ontvangst van de eindafrekening van Rijnland.

5. Wijziging van het waterakkoord

In de wet op de Waterhuishouding is ook de wijziging van een waterakkoord geregeld. De deelnemer die een wijziging van het waterakkoord nodig acht, bijvoorbeeld naar aanleiding van de resultaten van een evaluatie, richt daartoe schriftelijk een verzoek aan de andere deelnemer.

Binnen een termijn van drie maanden na het verzoek tot wijziging zal een aanvang worden gemaakt met de voorbereidingen van de wijziging van het waterakkoord. De procedure die voor de wijziging van het waterakkoord geldt, komt overeen met de procedure die voor de totstandkoming van een waterakkoord is geregeld.


6. Overgangs en slotbepalingen

De volgende overeenkomsten komen geheel of gedeeltelijk te vervallen:
- de overeenkomst Rijnland – Woerden d.d. 28 december 1960;
- de overeenkomst Rijnland – Woerden d.d. 4 november 1983, met uitzondering van artikel C11 en 
- de overeenkomst wateraanvoer Woerden – Rijnland d.d. 4 november 1983.

De overeenkomst tussen Rijnland en Woerden uit 1960 is in 1983 gewijzigd voor wat betreft de financiële bepaling. In dit waterakkoord zijn herziene afspraken gemaakt voor wat betreft de financiële verrekening (zie hoofdstuk 4).

De uitzondering van artikel C11 heeft betrekking op de Woerdense sluis te Spaarndam. Deze sluis is thans eigendom van De Stichtse Rijnlanden. Door partijen zijn al gesprekken gevoerd met het oog op overdracht van deze sluis aan Rijnland. Hoewel beiden hun intenties tot overdracht hebben uitgesproken is het overleg nog niet zo ver gevorderd, dat de resultaten hiervan in dit waterakkoord kunnen worden verwerkt.

De laatste overeenkomst inzake wateraanvoer betreft een uitwerking van artikel C15 van de eerder genoemde overeenkomsten uit 1960 en 1983. Deze overeenkomst had betrekking op de wateraanvoer door Woerden aan Rijnland via de Enkele Wiericke. In deze overeenkomst was een termijn opgenomen waarvoor deze van kracht was (zes jaar). Nu geen gebruik meer werd gemaakt van de geboden voorziening bestond er geen aanleiding deze overeenkomst te verlengen.

 

Naar boven