U kunt hier de officiële tekst van het waterakkoord lezen.
Ook de volgende bijlagen zijn opgenomen:
bijlage 1 - overzicht poldergemalen en capaciteiten De Stichtse Rijnlanden
bijlage 2 - monitoring waterkwaliteit op het schakelpunt
bijlage 3 - kaart
De huidige waterschappen Hoogheemraadschap van Rijnland en Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden kennen al een eeuwenlange samenwerking. Deze samenwerking bestond voornamelijk uit een recht tot vrijelijk lozen van het waterbezwaar uit Woerdens boezem en tot een “gerief” door middel van waterinlaat op Rijnlands boezem.
Genoemd recht vindt zijn oorsprong in de uitspraak van keizer Frederik Barbarossa van 1165 waarbij de Utrechtse landen te eeuwige dage vrijelijk door Zwammerdam zouden afwateren en de uitspraak van de hertog van Brabant van 1202 betreffende de vredesvoorwaarden tussen Utrecht en Holland waarbij deze vrijelijke lozing aan zekere contraprestaties werd gebonden. In de jaren 1226, 1363, 1612, 1862, 1960 en 1983 zijn hierover nog nadere overeenkomsten gesloten c.q. besluiten genomen.
Thans ligt voor u het ontwerp-waterakkoord tussen de beide waterschappen. Het waterakkoord vindt zijn grondslag in de Wet op de waterhuishouding en moet de oude bestaande overeenkomsten tussen waterschappen gaan vervangen. Daartoe is in de Verordening waterbeheer Rijnland en de Verordening op de waterhuishouding Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden een bepaling opgenomen die de waterschappen verplicht tot het sluiten van een waterakkoord.
Het is de bedoeling dat dit waterakkoord alle oude overeenkomsten vervangt, tenzij uitdrukkelijk anders is vermeld. Daarbij zal de inhoud van dit waterakkoord niet principieel afwijken van de oude overeenkomsten. Zo blijft het recht tot vrijelijk lozen uit de boezem van De Stichtse Rijnlanden op Rijnlands boezem nog steeds geregeerd door de bepaling van artikel A2 van de overeenkomst van 1983. Genoemd artikel luidt, “Rijnland en Woerden erkennen, dat deze wederkerige bevoegdheden en verplichtingen te goeder trouw, naar de eisen ener goede waterhuishouding en overeenkomstig goed waterschapsgebruik dienen te worden uitgeoefend.” Met andere woorden dit artikel vormt de achtergrond voor een deel van de bepalingen in het waterakkoord. Daarnaast is de inhoud van dit waterakkoord aangepast naar de eisen van nu, zo zijn nu bepalingen opgenomen over calamiteiten, waterkwaliteit, meet- en registratiebepalingen etc.
Voor de waterafvoer vanuit de Oude Rijn-boezem van De Stichtse Rijnlanden naar de boezem van Rijnland wordt gebruik gemaakt van de sluis Bodegraven. Deze bestaat uit een spuikoker en een scheepvaartsluis. Indien het debiet van de spuikoker ontoereikend is om de boezem van De Stichtse Rijnlanden op streefpeil te houden wordt ook de scheepvaartsluis ingezet om water te lozen. De streefpeilen van de boezems van beide beheersgebieden zijn vastgelegd in de vigerende peilbesluiten. De capaciteit van de sluis en spuikoker is afhankelijk van de waterstanden in beide boezems (zie bijlage 1). Het door de Stichtse Rijnlanden geloosde water wordt via de boezemgemalen van Rijnland (Katwijk, Spaarndam, Halfweg en Gouda) naar zee afgevoerd (zie kaart 1).
De Oude Rijn-boezem van De Stichtse Rijnlanden is aangegeven op kaart 1. Op dit boezemstelsel lozen 24 poldergemalen van HDSR met een totale capaciteit van ruim 26 m3/s. (situatie 2003). Daarnaast loost het waterschap Wilck en Wiericke met een 2-tal poldergemalen (de polder Oukoop en Zuidzijderpolder) op dit boezemstelsel, met een totale capaciteit van 2,4 m3/s
(Vanaf 2005 zal polder Oukoop lozen op de Gekanaliseerde Hollandsche IJssel. De door Wilck en Wiericke geloosde capaciteit zal dan 1,2 m3/s bedragen).
In bijlage 1 is een overzicht opgenomen van alle poldergemalen en capaciteiten.
Aangezien vergroting van de afvoer naar de boezem van De Stichtse Rijnlanden, consequenties heeft voor de afvoer naar de boezem van Rijnland, zullen voorgenomen wijzigingen vroegtijdig worden overlegd met Rijnland. Hierbij zal gestreefd worden naar het gezamenlijk zoeken van oplossingen.
2.2.1 Lokaal watertekort
In perioden met neerslag tekort wordt door Rijnland uit de Hollandsche IJssel water ingelaten op de boezem bij Gouda. Indien dit niet mogelijk is (door bijvoorbeeld uitval, calamiteiten op de Hollandsche IJssel) of indien lokale omstandigheden daartoe aanleiding geven (door bijvoorbeeld een calamiteit in Rijnlands boezem van kwantitatieve of kwalitatieve aard) kan Rijnland De Stichtse Rijnlanden verzoeken om water via Bodegraven naar Rijnlands boezem te brengen. De Stichtse Rijnlanden zal hier zoveel als mogelijk gehoor aan geven.
2.2.2 Regionaal Watertekort
Als aan de volgende criteria wordt voldaan treedt de KWA in werking:
a. een afvoer van de Rijn te Lobith lager dan 1100 m3/s;
b. een verhoging - door zee-invloed - van het chloridegehalte in de Hollandsche IJssel nabij de stormvloedkering te Krimpen aan den IJssel, zoals die verhoging blijkt uit de routinematige bemonstering door het Rijk dan wel blijkend uit specifieke bemonstering door Rijnland op de Hollandsche IJssel, en welke verhoging gerekend wordt ten opzichte van het chloridegehalte van de Rijn te Lobith, met een faseverschil van twee dagen;
c. een ongunstig verwachtingspatroon - andere factoren dan onder a. en b. genoemd mede in beschouwing genomen - in die zin dat het waarschijnlijk is dat in de mond van de Hollandsche IJssel zich zodanige verzilting zal gaan voordoen dat de taak ten aanzien van de zoetwatervoorziening van de hoogheemraadschappen van Delfland, Rijnland en Schieland onvoldoende kan worden behartigd.
Hierbij wordt gehandeld conform de beheersovereenkomst KWA of zijn opvolger.
2.2.3 Wateroverlast
In dit artikel wordt aangegeven dat wateroverlast in het ene of andere of in beide gebieden aanleiding kan zijn te gaan handelen volgens de betreffende calamiteitenbestrijdingsplannen. Dit zijn de voor de onderscheiden beheersgebieden geldende plannen, waarin onder meer de tactische en strategische benadering van calamiteiten, zo veel als mogelijk is, zijn vastgelegd
Rijnland
Het deelplan Boezembeheer onder bijzondere omstandigheden, onderdeel van het Calamiteitenplan Rijnland treedt in werking bij een waterstand van –0,50 m NAP op Rijnlands boezem of indien het bestuur van het beheersgebied hiertoe aanleiding ziet. In het deelplan is aangegeven welke maatregelen afhankelijk van de situatie mogelijk zijn en volgens welke procedures deze maatregelen kunnen worden getroffen. Bij overschrijding van het maalpeil, dit is het peil op de boezem waarboven de bemaling wordt gestaakt, in Rijnlands boezem van –0,35 cm NAP (ten zuiden van de Oude Rijn) en –0,30 cm NAP (ten noorden van de Oude Rijn) is sprake van dusdanige wateroverlast dat maalstops voor de polders noodzakelijk zijn. Afhankelijk van de situatie worden bij oplopende waterstanden vanaf ca –0,55 cm NAP maatregelen in het gebied getroffen.
De Stichtse Rijnlanden
Het calamiteitenbestrijdingsplan Boezembeheer onder bijzondere omstandigheden, onderdeel van het Calamiteitenplan De Stichtse Rijnlanden, treed in werking bij een peil op de boezem van –0.40 tot –0.20 m NAP (afhankelijk van het deel van de boezem). In het deelplan is aangewezen welke maatregelen in welke fase kunnen worden genomen en welke procedure hiervoor gehanteerd wordt. Bij een peil van –0.24 tot 0.00 m NAP zijn maalstops voor de polders noodzakelijk.
Op basis van artikel 2.2.3 in het waterakkoord is het mogelijk De Stichtse Rijnlanden in geval van wateroverlast op Rijnlands boezem te verzoeken de afvoer via Bodegraven zoveel als mogelijk te beperken.
2.2.4 Calamiteitenbestrijding
In geval van een calamiteit zullen voor de beide beheersgebieden de eigen calamiteitenbestrijdingsplannen in werking treden. Voor een grensoverschrijdende calamiteit bestaat in het calamiteitenbestrijdingsplan van de Stichtse Rijnlanden geen protocol. In dit waterakkoord is een afstemmingsregeling opgenomen. Bij grensoverschrijdende calamiteiten zal gezamenlijk overleg gevoerd worden over de te treffen maatregelen. Hierbij zullen de risico’s voor beide beheersgebieden tegen elkaar worden afgewogen.
Bij een calamiteit op Rijnlands boezem kan Rijnland een verzoek doen aan De Stichtse Rijnlanden tot extra wateraanvoer. De Stichtse Rijnlanden heeft een inspanningsverplichting om zoveel mogelijk aan dit verzoek te voldoen.
De normen voor de waterkwaliteit van de Oude Rijn zijn door de Stichtse Rijnlanden vastgelegd in het waterbeheersplan. Deze normen zijn gebaseerd op nationale en Europese regelgeving (4e nota waterhuishouding en in de toekomst de Europese Kaderrichtlijn Water). Om te kunnen beoordelen of de waterkwaliteit aan deze normen voldoet heeft het waterschap een bemonsteringsprogramma opgesteld, waarin is aangegeven waar hoe vaak en op welke parameters de waterkwaliteit wordt getoetst. In bijlage 2 is aangegeven voor welke parameters en met welke frequentie de waterkwaliteit van de Oude Rijn bij Bodegraven door De Stichtse Rijnlanden wordt gecontroleerd.
2.4.1 Registratieplicht
De afvoer bij Bodegraven wordt onder meer ten behoeve van de financiële afrekening geregistreerd. Hiervoor is een akoestische debiet meter (ADM)geplaatst die door beide waterschappen kan worden uitgelezen. Het debiet wordt iedere 10 minuten geregistreerd. De debieten van de Polder Oukoop en de Zuidzijderpolder worden bepaald aan de hand van draaiuren en vervolgens omgerekend naar debieten.
Het onderhoud van deze ADM wordt uitgevoerd door De Stichtse Rijnlanden. Eenmaal per 3 jaar wordt deze meter geijkt.
Daarnaast wordt de waterkwaliteit bij Bodegraven bovenstrooms van de sluis geregistreerd voor de in bijlage 2 genoemde parameters, met de bijbehorende frequentie. Dit meetpunt is onderdeel van het routinematige meetnet van De Stichtse Rijnlanden.
2.4.2 Informatieplicht
Om inzicht te hebben en te houden in beide watersystemen wordt jaarlijks met behulp van een overzicht de waterkwantiteit en -kwaliteit op het schakelpunt gerapporteerd. In geval van calamiteiten zal in overleg de frequentie soort informatie worden bepaald.
Als één van de betrokken partij stelt dat er sprake is van een geschil, dan is er sprake van een geschil als bedoeld in artikel 52 van de Wet op de waterhuishouding (artikel 9). Artikel 52 van de Wet op de waterhuishouding bepaalt dat geschillen omtrent de naleving van een waterakkoord tussen de partijen worden beslist door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, voor zover zij niet behoren tot die, vermeld in artikel 112, eerste lid van de Grondwet (geschillen over burgerlijke rechten of over schuldvorderingen). In het geval van een geschil met betrekking tot de financiële vergoedingen (schuldvorderingen) dient het geschil derhalve te worden voorgelegd aan de Rechterlijke Macht (artikel 112, eerste lid Grondwet). Afhankelijk van de hoogte van het bedrag dient zo’n geschil te worden voorgelegd aan het Kantongerecht, dan wel de Arrondissementsrechtbank.
De indiening van een bezwaar of het aanhangig maken van een geschil heeft geen schorsende werking voor wat betreft de uitvoering van het genomen besluit (artikel 3.2). Hiervoor is gekozen, omdat te treffen maatregelen veelal geen uitstel kunnen lijden. Indien naar aanleiding van de heroverweging of de beslissing op het geschil het oorspronkelijke besluit geheel of gedeeltelijk wordt herzien, dient uiteraard tegelijkertijd te worden voorzien in de eventuele gevolgen van die herziening.
Over de uitvoering van dit waterakkoord vindt voor de eerste keer twee jaar na vaststelling van het waterakkoord een ambtelijke evaluatie plaats. Vervolgens zal elke vijf jaar een evaluatie plaatsvinden. Uiteraard kan door partijen de wens geuit worden een tussentijdse evaluatie te laten plaatsvinden.
Onderwerpen van deze evaluatie kunnen zijn:
Vorenstaand ambtelijk overleg kan dienen als voorbereiding voor een bestuurlijk overleg waarin in ieder geval de punten worden besproken waarover ambtelijk geen overeenstemming bestaat en wellicht ook een bestuurlijk standpunt wordt gewenst.
Een bestuurlijk overleg behoeft derhalve alleen plaats te vinden als ambtelijk niet tot overeenstemming kan worden gekomen.
Indien de evaluatie niet noodzaakt tot zaken waarvoor bestuurlijke standpuntinname of besluitvorming nodig is, kan worden volstaan met het indienen van een evaluatieverslag bij de besturen.
Op basis van de evaluatie kan eventueel de noodzaak aanwezig geacht worden het waterakkoord te wijzigen. Een dergelijke wijziging zal weer op grond van de bepalingen van de Wet op de Waterhuishouding moeten worden voorbereid.
In het kader van de implementatie de Europese Kaderrichtlijn Water en Waterbeheer 21e eeuw spreken partijen de intentie uit om gezamenlijk naar oplossingsrichtingen te zoeken voor grensoverschrijdende knelpunten die in beide gebieden qua watertekort, wateroverlast en waterkwaliteit bestaan.
De resultaten van de studies ‘Verkenning Zoetwatervoorziening Midden-West Nederland’, ‘Toekomstige watervraag Rijnland’ en ‘Wateropgave HDSR’ zullen daarbij als uitgangspunt gebruikt kunnen worden.
Hier moet wel opgemerkt worden dat zowel het onderzoek als de eventuele uitvoering van oplossingen niet beperkt hoeft te blijven tot de partners van dit waterakkoord.
De kosten voor registratie en informatie worden door beide waterbeheerders afzonderlijk, ieder voor zijn beheersgebied bekostigd.
In de wet op de Waterhuishouding is ook de wijziging van een waterakkoord geregeld. De deelnemer die een wijziging van het waterakkoord nodig acht, bijvoorbeeld naar aanleiding van de resultaten van een evaluatie, richt daartoe schriftelijk een verzoek aan de andere deelnemer.
Binnen een termijn van drie maanden na het verzoek tot wijziging zal een aanvang worden gemaakt met de voorbereidingen van de wijziging van het waterakkoord. De procedure die voor de wijziging van het waterakkoord geldt, komt overeen met de procedure die voor de totstandkoming van een waterakkoord is geregeld.
De volgende overeenkomsten komen geheel of gedeeltelijk te vervallen:
- de overeenkomst Rijnland – Woerden d.d. 28 december 1960;
- de overeenkomst Rijnland – Woerden d.d. 4 november 1983, met uitzondering van artikel C11 en
- de overeenkomst wateraanvoer Woerden – Rijnland d.d. 4 november 1983.
De overeenkomst tussen Rijnland en Woerden uit 1960 is in 1983 gewijzigd voor wat betreft de financiële bepaling. In dit waterakkoord zijn herziene afspraken gemaakt voor wat betreft de financiële verrekening (zie hoofdstuk 4).
De uitzondering van artikel C11 heeft betrekking op de Woerdense sluis te Spaarndam. Deze sluis is thans eigendom van De Stichtse Rijnlanden. Door partijen zijn al gesprekken gevoerd met het oog op overdracht van deze sluis aan Rijnland. Hoewel beiden hun intenties tot overdracht hebben uitgesproken is het overleg nog niet zo ver gevorderd, dat de resultaten hiervan in dit waterakkoord kunnen worden verwerkt.
De laatste overeenkomst inzake wateraanvoer betreft een uitwerking van artikel C15 van de eerder genoemde overeenkomsten uit 1960 en 1983. Deze overeenkomst had betrekking op de wateraanvoer door Woerden aan Rijnland via de Enkele Wiericke. In deze overeenkomst was een termijn opgenomen waarvoor deze van kracht was (zes jaar). Nu geen gebruik meer werd gemaakt van de geboden voorziening bestond er geen aanleiding deze overeenkomst te verlengen.
