Waterakkoord KWA

Logo van het hoogheemraadschap van Rijnland
 

Sidebar

Home > Beleid > Waterakkoorden > Waterakkoord KWA

Waterakkoord KWA

Hieronder is de integrale tekst van het waterakkoord Kleinschalige Wateraanvoervoorzieningen zoals dat op 4 juli 2005 door het hoogheemraadschap van Delfland, het hoogheemraadschap van Rijnland, het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard, het hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Rijkswaterstaat Utrecht is ondertekend opgenomen.

Het akkoord bestaat uit de volgende artikelen:
artikel 1   - Begripsomschrijving
artikel 2   - Beheerders
artikel 3   - Beraadsgroep KWA
Artikel 4   - Commissie KWA
Artikel 5   - Verplichtingen
Artikel 6   - Communicatie
Artikel 7   - Draaiboek
Artikel 8   - Financieel verslag
Artikel 9   - Kostentoerekening
Artikel 10 - Kostenverdeling
Artikel 11 - Geschillenregeling
Artikel 12 - Evaluatie en monitoring
Artikel 13 - Inwerkingtreding
Artikel 14 - Citeertitel

Verder is er nog een toelichting op het waterakkoord, die ingaat op de historie en ingaat op de meeste artikelen. Tenslotte is er een kaartbijlage bij het waterakkoord waar de routes en de werken op staan vermeld.

Waterakkoord Kleinschalige Wateraanvoervoorzieningen Midden-Holland

De ondergetekenden:

  1. De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, vertegenwoordigd door: de heer ir. I.J. de Boer, hoofdingenieur-directeur van het Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat Utrecht, handelende namens het Rijk;
  2. de heer J.J.J.M. van der Burg, waarnemend dijkgraaf van het Hoogheemraadschap van Delfland, handelende ter uitvoering van het besluit van de verenigde vergadering van 30 juni 2005;
  3. de heer E. H. Togtema, dijkgraaf van het Hoogheemraadschap van Rijnland, handelende ter uitvoering van het besluit van de algemene vergadering van 25 mei 2005;
  4. de heer drs. J.H.M. Kienhuis, waarnemend dijkgraaf van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard, handelende ter uitvoering van het besluit van de verenigde vergadering van 29 juni 2005;
  5. de heer ir. N.J.M. Ypma, waarnemend dijkgraaf van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden handelende ter uitvoering van het besluit van het algemeen bestuur van 15 juni 2005;

Overwegen het volgende:

Er zijn bijzondere omstandigheden, waarbij in de beheersgebieden van Delfland, Rijnland en Schieland en de Krimpenerwaard, (waarmee in het hierna volgende steeds wordt bedoeld gebiedsdeel Schieland), een tekort aan zoet water kan ontstaan. Deze omstandigheden, die globaal worden gekenmerkt door lage Rijnafvoeren en (dreigende) verzilting van de Hollandsche IJssel, worden nader omschreven in dit waterakkoord.

  1. In het belang van de zoetwatervoorziening van de Hoogheemraadschappen van Delfland, Rijnland en Schieland en de Krimpenerwaard is het noodzakelijk te beschikken over de in dit waterakkoord nader aangeduide werken en voorzieningen (zie art. 1, lid 3).
  2. De onder II bedoelde werken en voorzieningen, hierna te noemen Kleinschalige wateraanvoervoorzieningen Midden-Holland (KWA), kunnen samen met reeds langer bestaande werken en voorzieningen, worden gebruikt om uit het Amsterdam-Rijnkanaal, respectievelijk de Lek, zoet water aan te voeren, respectievelijk door te voeren via het beheersgebied van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden ten behoeve van de beheersgebieden van de Hoogheemraadschappen van Delfland, Rijnland en Schieland en de Krimpenerwaard.
    Bedoelde KWA- en overige werken en voorzieningen zijn aangegeven op de kaartbijlage welke onderdeel uitmaakt van dit waterakkoord.
  3. Partijen achten het, mede gelet op het bepaalde in de artikelen 17 e.v. van de Wet op de Waterhuishouding en artikel 19 van de Uitvoeringsregeling waterhuishouding, voor een doelmatig beheer en gebruik van de KWA gewenst, de sinds 1 november 1989 bestaande beheersovereenkomst Kleinschalige Wateraanvoervoorzieningen Midden-Holland om te zetten in een waterakkoord. Bij de opstelling van het waterakkoord is rekening gehouden met de waterbeheersplannen van betrokken partijen.

Komen overeen als volgt:

Artikel 1 - Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van het bij of krachtens dit waterakkoord bepaalde wordt verstaan onder:

  1. Partijen: de ondertekenaars van dit waterakkoord.
  2. Bijzondere omstandigheden:
    a. een afvoer van de Rijn te Lobith lager dan 1100 m3/sec, zoals gemeten door het Rijk; en
    b. een verhoging - door zee-invloed - van het chloridegehalte in de Hollandsche IJssel nabij de stormvloedkering te Krimpen aan den IJssel, zoals die verhoging blijkt uit de routinematige bemonstering door het Rijk, dan wel blijkend uit specifieke bemonstering door het Hoogheemraadschap van Rijnland op de Hollandsche IJssel, en welke verhoging gerekend wordt ten opzichte van het chloridegehalte van de Rijn te Lobith, met een faseverschil van twee dagen, en;
    c. een ongunstig verwachtingspatroon - andere factoren dan onder a. en b. genoemd mede in beschouwing genomen - in die zin dat het waarschijnlijk is dat in de mond van de Hollandsche IJssel zich zodanige verzilting zal gaan voordoen dat de taak ten aanzien van de zoetwatervoorziening van de Hoogheemraadschappen van Delfland, Rijnland en Schieland en de Krimpenerwaard onvoldoende kan worden behartigd; een en ander ter beoordeling van de Beraadsgroep KWA.
  3. KWA-werken:
    a. werken in of langs de Leidsche Rijn respectievelijk Oude Rijn ten behoeve van aanvoer en doorstroming van 6,9 m3/s, te weten: 
    i.     keersluis in de Leidsche Rijn;
    ii.    gemaal De Aanvoerder in de Leidsche Rijn te De Meern (capaciteit max. 2 x 3,5 m3/s);
    iii.   stroomkoker in de Leidsche Rijn naast Haanwijkersluis te Harmelen (capaciteit 6,2 m3/s  bij een verval van 4,5 cm);
    iv.   beschoeiingen Leidsche Rijn;
    v.    bodembeschermingen onder bruggen Leidsche Rijn;
    vi.   bodembeschermingen onder bruggen Oude Rijn;
    b. een spuikoker in de Oude Rijn naast de schutsluis te Bodegraven;
    c. werken in de Lopikerwaard ten behoeve van aanvoer van 4,9 m3/s en doorvoer van 2 m3/s, resulterend in beschikbaarkoming van 4 m3/s, in de Gekanaliseerde Hollandsche IJssel, te weten:
    i.     verruimde inlaatvoorziening Lekgemaal De Koekoek;
    ii.    pijpleiding Willige Langerak;
    iii.   vijzelgemaal ‘t Hazepad te Polsbroekerdam;
    iv.   inlaatduiker Willeskop;
    v.    drie verruimde watergangen;
    d. de doorvoersystemen zoals deze op de van dit waterakkoord deel uitmakende kaartbijlage in rood zijn aangegeven;
    e. dan wel eventuele vervangende werken.
  4. Overige werken:
    a.
     Noordergemaal, inclusief bijbehorende werken;
    b. de stuw bij de Slangeweg in de gemeente Vlist, het gemaal De Keulevaart te Haastrecht, het inlaatwerk in de Enkele Wiericke, de Haanwijkersluis in de Leidsche Rijn en de sluis in de Oude Rijn te Bodegraven;
    c. gemaal mr. dr. Th.F.J.A. Dolk te Leidschendam;
    d. de Bergsluis te Rotterdam als doorvoermiddel van Delfland naar Schieland en de Krimpenerwaard;
    e. de overige doorvoersystemen en voorzieningen, noodzakelijk voor een adequaat functioneren van de KWA, nader aangeduid op de van dit waterakkoord deel uitmakende kaartbijlage;
    f.  dan wel eventuele vervangende werken.
  5. Beheerder:de beheerders als bedoeld in artikel 2 van dit waterakkoord.
  6. Beraadsgroep KWA:
    a. 
    -  de directeur Sector Water, Plannen en Controle van het Hoogheemraadschap van Rijnland,       voorzitter;
    -  de adjunct-directeur Waterbeheer van het Hoogheemraadschap van Delfland;
    -  het sectorhoofd Waterbeheer van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard;
    -  het sectorhoofd Waterbeheer van het hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden;
    -  de door de directeur Water en Scheepvaart van RWS Utrecht aangewezen vertegenwoordiger van RWS Utrecht;
    b.
    -  het hoofd van de afdeling waterhuishouding en waterkering van Rijkswaterstaat Zuid-Holland, neemt als adviseur aan de beraadslagingen van de beraadsgroep deel;
    -  de door de beraadsgroep aan te wijzen technisch coördinator, neemt als adviseur aan de beraadslagingen van de beraadsgroep deel. De technisch coördinator is afkomstig van het Hoogheemraadschap van Rijnland;
    -  het hoofd van het Bureau Integraal Waterbeleid en Waterschappen van de provincie Zuid-Holland, neemt als toehoorder, mede namens de provincies Noord-Holland en Utrecht, aan de beraadslagingen van de beraadsgroep deel;
    c. de deelnemers aan de beraadsgroep onder a. en b. kunnen zich laten vertegenwoordigen.
  7. Commissie KWA:
    a.  
    -  de dijkgraaf van het Hoogheemraadschap van Rijnland, voorzitter;
    -  de dijkgraaf van het Hoogheemraadschap van Delfland;
    -  de dijkgraaf van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard;
    -  de dijkgraaf van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden;
    -  de hoofdingenieur-directeur van Rijkswaterstaat Utrecht;     
    b.  
    de voorzitter van de beraadsgroep KWA, neemt als adviseur aan de beraadslagingen van de commissie deel;
    c.
    de deelnemers aan de commissie kunnen zich laten vertegenwoordigen.
  8. Fasering:
    Er wordt een drietal fasen onderscheiden: 
    Voorbereidingsfase:
    deze fase betreft de voorbereiding op de eventuele ingebruikname van de KWA-werken. De voorbereidingsfase vangt aan en eindigt indien de beraadsgroep KWA daartoe besluit, of eindigt indien de commissie KWA besluit tot de ingebruikfase. 
    Ingebruikfase:
    deze fase betreft de ingebruikname van de KWA-werken. De ingebruikfase vangt aan en eindigt indien de commissie KWA daartoe besluit. De ingebruikfase kan zowel de volledige benutting van de KWA-werken betreffen als een gedeeltelijke benutting, al dan niet in combinatie met aanvullende maatregelen. Binnen deze fase kan sprake zijn van een afschalingsscenario.
    Afhandelingfase:
    deze fase betreft de beëindiging en afwikkeling van de ingebruikname van de KWA-werken. Deze fase vangt aan indien de commissie KWA besluit tot beëindiging van de ingebruikfase en eindigt bij het besluit van de commissie KWA tot goedkeuring van het financiële verslag en de afwikkeling ervan.

Artikel 2 - Beheerders

  1. Beheerder van de in artikel 1, lid 3, genoemde KWA-werken met uitzondering van de Gekanaliseerde Hollandsche IJssel, is Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden. De beheerder van de Gekanaliseerde Hollandsche IJssel is het Rijk;
  2. Beheerder van de in artikel 1, vierde lid, genoemde overige werken zijn:
    - Het Rijk voor wat betreft het werk genoemd onder a;
    - Het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden voor wat betreft de werken genoemd onder b;
    - Het Hoogheemraadschap van Delfland voor wat betreft het werk genoemd onder c;
    - Het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard treedt voor  de toepassing van dit waterakkoord  in de plaats van de gemeente Rotterdam als beheerder van de in artikel 1, vierde lid onder d genoemde doorlaatvoorziening, voor zover het betreft het beheer van de schuiven in de sluisdeuren ten behoeve van het inlaten van water ten behoeve van de waterkwantiteitsbeheersing.
    - Ieder van de partijen voor wat betreft de werken genoemd onder e, voor zover vallend in het eigen beheersgebied.

Artikel 3 – Beraadsgroep KWA

  1. Er is een beraadsgroep KWA.  De beraadsgroep KWA heeft tot taak:
    a. te besluiten tot de aanvang en de beëindiging van de voorbereidingsfase;
    b. tijdens de voorbereidingsfase de actuele situatie te beoordelen en alle voorbereidingen te treffen die zij nodig acht voor een doeltreffende ingebruikname van de KWA-werken, waaronder het actualiseren van gegevens van contactpersonen. De beraadsgroep houdt tijdens de voorbereidingsfase de commissie KWA op de hoogte van de stand van zaken;
    c. de commissie KWA te adviseren of zich de bijzondere omstandigheden, zoals bedoeld in artikel 1, tweede lid, van dit akkoord, voordoen;
    d. het actueel houden van het draaiboek KWA en het adviseren van de commissie over de goedkeuring van het draaiboek;
    e. de evaluatie van de uitvoering van dit akkoord.
  2. De beraadsgroep KWA wordt, op verzoek van één van de partijen, door de voorzitter bijeengeroepen. 
  3. De beraadsgroep KWA voorziet onderling in het secretariaat en kan nadere regels stellen omtrent haar werkwijze.
  4. De beraadsgroep KWA besluit bij unanimiteit.
  5. De beraadsgroep KWA wordt vertegenwoordigd door de voorzitter.
  6. De voorzitter draagt er zorg voor dat het advies van de beraadsgroep binnen een week schriftelijk wordt vastgelegd en aan de leden van de commissie KWA en aan de leden van de beraadsgroep KWA wordt toegezonden. In het advies, zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid sub c, kan in voorkomende gevallen een minderheidsstandpunt worden opgenomen.

Artikel 4 – Commissie KWA

  1. Er is een commissie KWA. De commissie KWA heeft tot taak:
    a. te besluiten, met inachtname van het advies van de beraadsgroep KWA, of de in het artikel 1, tweede lid, genoemde omstandigheden zich voordoen;
    b. te besluiten tot de aanvang en beëindiging van de ingebruikfase en de afhandelingsfase;
    c. te besluiten, met inachtname van het advies van de beraadsgroep KWA, tot ingebruikname van de KWA-werken;
    d. tijdens de voorbereidingsfase treffen van maatregelen die zij nodig acht;
    e. tijdens de ingebruikfase, in voorzienbare gevallen, te besluiten tot afschaling. In onvoorziene gevallen beslist hiertoe de desbetreffende dijkgraaf, resp. de HID, die de commissie KWA daarover per omgaande informeert en achteraf verantwoording aflegt;
    f. te besluiten tot goedkeuring van het financiële verslag en afwikkeling ervan;
    g. te besluiten over het verrekenen van schadeclaims volgens de KWA-systematiek (zie artikel 9 en 10);
    h. de goedkeuring van het draaiboek KWA;
    i. zorg te dragen voor de communicatie naar belanghebbenden over KWA-brede aangelegenheden (zie artikel 6 en 7).
  2. Indien een situatie als bedoeld in artikel 1, tweede lid, nog niet is bereikt, maar zich een ontwikkeling voordoet die tot die situatie kan leiden, kan de commissie KWA, op verzoek van een van de partijen, met inachtname van het advies van de beraadsgroep KWA, besluiten tot ingebruikname van de KWA-werken. 
  3. De commissie KWA wordt, op verzoek van één van de partijen, door de voorzitter bijeengeroepen. 
  4. De commissie KWA voorziet onderling in het secretariaat en kan nadere regels stellen omtrent haar werkwijze.
  5. De commissie KWA besluit bij unanimiteit.
  6. De commissie KWA wordt vertegenwoordigd door de voorzitter.
  7. De commissie KWA kan de beraadsgroep KWA schriftelijk machtigen tot het nemen van beslissingen ten behoeve van een slagvaardige uitvoering van de nodige maatregelen. 
  8. De commissie KWA draagt er zorg voor dat beslissingen van de commissie KWA zo spoedig mogelijk aan de partijen, alsmede aan de colleges van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, Utrecht en Noord-Holland mondeling worden medegedeeld en vervolgens met de nodige motivering en eventuele overige beschouwingen binnen een week schriftelijk aan eerdergenoemden worden toegezonden.

Artikel 5 - Verplichtingen

  1. Partijen verplichten zich om, wanneer de commissie KWA heeft besloten dat de in artikel 1, tweede lid omschreven bijzondere omstandigheden zich gelijktijdig voordoen, dan wel zich de situatie voordoet als genoemd in artikel 4, tweede lid, door middel van de KWA zoet water ten behoeve van de beheersgebieden van de Hoogheemraadschappen van Delfland, Rijnland en Schieland en de Krimpenerwaard te leveren, door te voeren, dan wel daaraan hun medewerking te verlenen.
  2. Het Rijk verplicht zich tot levering van 13 m3/s water uit het Amsterdam-Rijnkanaal (7 m³ via gemaal De Aanvoerder en 6 m³/sec via het Noordergemaal) en 4,9 m3/s uit de Lek ten behoeve van de KWA. Het afwegingskader hiervoor is aangegeven in het waterakkoord Noordzeekanaal/Amsterdam-Rijnkanaal.
  3. Het Rijk is niet gehouden de in het tweede lid genoemde verplichting na te komen, indien de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, op basis van een advies van de Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling, besluit tot een andere waterverdeling door het hoofdwatersysteem. 
  4. Met inachtneming van het eerste, tweede en derde lid verplicht het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden zich tot levering van minimaal 6,9 m3/s bij de Bodegraafse sluis. 
  5. Met inachtneming van het eerste, tweede, derde en vierde lid verplichten de Hoogheemraadschappen van Rijnland en van Delfland zich tot levering van water bij respectievelijk, de schutsluis te Leidschendam en de Bergsluis te Rotterdam.
  6. Voor de verdeling van het te Bodegraven aangevoerde water geldt als uitgangspunt 11/19e deel voor Rijnland, 5/19e deel voor Delfland en 3/19e deel voor Schieland en de Krimpenerwaard, tenzij de commissie KWA, op verzoek van één van de partijen, anders beslist. 
  7. De beheerder van een werk of voorziening in het kader van de KWA is, behoudens de omstandigheden als bedoeld in het derde lid, gehouden een beslissing van de commissie KWA terstond uit te voeren en ook overigens mee te werken aan het doeltreffend functioneren van de KWA.
  8. De beheerders dragen er zorg voor dat de KWA- en overige werken te allen tijde bedrijfs- en gebruiksgereed zijn.

Artikel 6 - Communicatie

 

De communicatie in het kader van de KWA is er op gericht de verschillende externe doelgroepen tijdig, adequaat en volledig te informeren en waar gewenst bij de maatregelen in het kader van de KWA te betrekken (zie artikel 7). De beheerders dragen zorg voor de communicatie over lokale aangelegenheden, alsmede voor de communicatie in de eigen organisatie.

Artikel 7 - Draaiboek

  • Er is een draaiboek KWA, dat onder meer inzicht geeft in, c.q. regelt:
    de ingebruikstelling, het gebruik en de buitengebruikstelling van de KWA-werken na besluit van de commissie KWA;
  • de scheepvaartstremming bij de ingebruikstelling, tijdens het in bedrijf zijn en bij het beëindigen van het gebruik van de KWA-werken;
  • waterkwantiteits- en waterkwaliteitsmetingen tijdens in bedrijf zijn van de KWA-werken; 
  • de verslaglegging, inclusief eventuele schademeldingen;
  • bijzondere omstandigheden, zoals calamiteiten tijdens het gebruik van de KWA-werken;
  • nadere uitwerkingen van verantwoordelijkheden van actoren;
  • activiteiten in het kader van op- en afschaling;
  • de communicatie, waaronder: de doelgroepen, middelen en timing van communicatieboodschappen in verschillende fasen en omstandigheden; relevante adresgegevens, dan wel verwijzing naar de vindplaats van de betreffende gegevens; de taakverdeling en te volgen procedures inzake de onderlinge en de externe communicatie (zie artikel 6).

Artikel 8 – Financieel verslag

  1. Jaarlijks wordt een financieel verslag opgesteld door het Hoogheemraadschap van Rijnland.
  2. In het financieel verslag wordt onderscheid gemaakt tussen de jaarlijks ten behoeve van beheer en onderhoud gemaakte kosten en de kosten wegens eventueel feitelijk gebruik ter uitvoering van een beslissing van de commissie KWA.
  3. Eventuele lasten in verband met het beheer en onderhoud van de KWA-werken worden door de beheerders gedragen en voor zover in aanmerking komend betrokken bij het in lid 1 bedoelde jaarlijks financieel verslag. Eventuele lasten in verband met feitelijk gebruik worden door partijen gedragen en eveneens betrokken bij het in lid 1 bedoelde jaarlijks financieel verslag.
  4. Het financiële verslag wordt voorgelegd aan de commissie KWA, die ter zake het advies van de beraadsgroep KWA kan inwinnen.
  5. Na goedkeuring van het financiële verslag door de commissie KWA, wordt dit aan partijen en aan de colleges van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, Utrecht en Noord-Holland toegezonden.

Artikel 9 – Kostentoerekening

  1. Het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden doet jaarlijks voor 1 april verslag van de in het voorafgegane jaar voor de KWA gemaakte kosten en eventueel genoten baten, voor zover deze kosten en baten aan de KWA dienen te worden toegerekend. 
  2. In het verslag wordt onderscheid gemaakt tussen de jaarlijks ten behoeve van beheer en onderhoud gemaakte kosten en de kosten wegens eventueel feitelijk gebruik ter uitvoering van een beslissing van de commissie KWA.
  3. Kosten en baten worden als volgt aan de KWA toegerekend voor wat betreft de in artikel 1, derde lid genoemde KWA-werken:
    a. die van derde lid, sub a, voor 100%;
    b. derde lid, sub b, voor 60%;
    c. derde lid, sub c, voor 85%;
    d. derde lid, sub d en vierde lid, sub d: voor 100% voor zover het aantoonbare aan het feitelijk gebruikmaken van de KWA toe te schrijven kosten betreffen.
    e. voor de in artikel 1, lid 4, sub b de direct, dan wel indirect ten behoeve van het doorvoeren noodzakelijke bestaande werken en voorzieningen: voor 100% voor zover het aantoonbare aan het feitelijk gebruikmaken ten behoeve van de KWA toe te schrijven kosten betreffen.
  4. Partijen kunnen nader overeenkomen de jaarlijks ten behoeve van beheer en onderhoud van de KWA noodzakelijke kosten over een daarbij te bepalen aantal jaren te kapitaliseren en overeenkomstig de in artikel 10 vermelde verdeelsleutels door middel van een eenmalige betaling en ten laste van de Hoogheemraadschappen van Delfland, van Rijnland en van Schieland en de Krimpenerwaard aan het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden te vergoeden.
  5. Partijen kunnen nader overeenkomen de kosten voor feitelijk gebruik af te rekenen volgens een vast tarief per gebruiksdag. Het aantal gebruiksdagen is te bepalen aan de hand van de door de commissie vastgestelde duur van de ingebruikfase. Bedoeld dagtarief vermenigvuldigd met het aantal gebruikdagen, wordt alsdan overeenkomstig de in artikel 10 vermelde verdeelsleutel verrekend. 
  6. De door het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden gestuurde facturen worden van een accountantsverklaring voorzien.

Artikel 10 – Kostenverdeling

  1. De aan de KWA toe te rekenen kosten - na aftrek van de eventuele baten - worden binnen een maand na toezending van het in artikel 9 bedoeld verslag rechtstreeks aan de beheerders vergoed.
  2. De met betrekking tot de in artikel 1, derde lid , sub a, sub b en sub d bedoelde werken en voorzieningen in rekening gebrachte kosten, niet zijnde kosten die voortvloeien uit het feitelijk gebruikmaken van bestaande werken en voorzieningen ten behoeve van de KWA, worden door de Hoogheemraadschappen van Delfland, van Rijnland en van Schieland en de Krimpenerwaard vergoed voor respectievelijk 5/19e, 11/19e en 3/19e deel.
  3. De met betrekking tot de in artikel 1, derde lid, sub c bedoelde werken en voorzieningen in rekening gebrachte kosten, niet zijnde kosten die voortvloeien uit het feitelijk gebruikmaken van bestaande werken en voorzieningen ten behoeve van de KWA, worden door de Hoogheemraadschappen van Delfland en van Rijnland vergoed voor respectievelijk 18% en 82%.
  4. De beheerskosten van de in artikel 1, vierde lid , sub d bedoelde voorziening komen geheel ten laste van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard.
  5. De aan de inwerkingtreding van de KWA toe te rekenen kosten – na aftrek van de eventuele baten – worden door de Hoogheemraadschappen van Delfland, van Rijnland en van Schieland en de Krimpenerwaard vergoed op basis van de werkelijke hoeveelheid ingevoerd water in het gebied van Rijnland in het kader van de KWA en de werkelijke hoeveelheid doorgevoerd water naar Delfland en Schieland en de Krimpenerwaard in het kader van de KWA. 
  6. Ingeval van betwisting door een partij inzake een door haar te betalen vergoeding is het bepaalde in artikel 11 van toepassing. 
  7. Het Hoogheemraadschap van Rijnland fungeert als centraal punt voor het indienen van nota’s.

Artikel 11 – Geschillenregeling

  1. Indien er een geschil bestaat omtrent de naleving van dit waterakkoord, leggen de desbetreffende partijen dit zo spoedig mogelijk voor aan de commissie KWA. 
  2. De commissie KWA beslist zo spoedig mogelijk omtrent het geschil. 
  3. Indien er geen overeenstemming wordt bereikt, is er sprake van een geschil in de zin van artikel 52 van de Wet op de waterhuishouding, met uitzondering van geschillen op financieel gebied. 

Artikel 12 - Evaluatie en monitoring

  1. De beraadsgroep komt in elk geval bijeen in het jaar dat het waterakkoord feitelijk in gebruik is geweest en daarnaast één maal per twee jaar om de situatie te beoordelen en dit waterakkoord te evalueren. In geval van feitelijk gebruik van de KWA stelt de beraadsgroep een evaluatie op.
  2. Onverminderd het in het eerste lid bepaalde, kan elke partij de beraadsgroep schriftelijk verzoeken om een evaluatie.

Artikel 13 - Inwerkingtreding


Het waterakkoord Kleinschalige wateraanvoervoorzieningen Midden-Holland treedt in werking met ingang van 4 juli 2005 onder gelijktijdige intrekking van de beheersovereenkomst Kleinschalige wateraanvoervoorzieningen Midden-Holland.

Artikel 14 - Citeertitel

 

Dit akkoord kan worden aangehaald als Waterakkoord kleinschalige wateraanvoervoorzieningen Midden-Holland.

Nieuwegein, 27 juni 2005,

De hoofdingenieur-directeur van Rijkswaterstaat Utrecht

 

Utrecht, 4 juli 2005,

Waarnemend dijkgraaf van het Hoogheemraadschap van Delfland,

Dijkgraaf van het Hoogheemraadschap van Rijnland,

Waarnemend dijkgraaf van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard,

Waarnemend dijkgraaf van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden.

Naar boven