I Opening
III Uitgangspunten begroting 2002
VI Beleidskader overname stedelijk water
IX Waterkansenkaarten 1e fase
X a. Actualisering beleid riolering buitengebied
b. Initiatief voorstel P.J.M. Kerssens
XI Planvormingstudie bestaande rioolgemalen
XII Krediet en Beleidskader herinrichting diepe putten
XIII Beleidsplan DRSH Zuiveringsslib N.V.
XIV Krediet gemaal Bosweg
XIVa Aanvullend krediet menginstallatie Nieuwe Meer
XV Verslag vorige commissievergadering d.d. 29 november 2000
XVI Mededelingen
Overige agendapunten
1. Mededelingen voorzitter
2. Stimuleringsregeling innovaties
3. Informatiebulletins
4. Rondvraag
5. Sluiting
de hoogheemraden: de heer v.d. Nagel (voorzitter) en mevrouw mr. Meijer (plaatsvervangend voorzitter);
de leden: de heer Alkemade, de heer Burger, mevrouw drs. Jong, de heer ir. Kerssens, de heer de Lange en de heer Vooijs;
de heer Mooiman (secretaris) en de heer Uileman (adj.-secretaris);
de heer van Wijk (bij agendapunt III, de heer ir. Caris (bij agendapunt IX) en de heer ir. van Bruggen (bij agendapunt X);
mevrouw drs. de Zwart en de heer ir. Wotte.
De heer v.d. Nagel heet ieder welkom. Hij deelt mede dat mevrouw de Zwart en de heer Wotte zich voor deze vergadering hebben afgemeld.
Inleiding door de heer drs. J. v.d. Does, medewerker strategische beleidsvorming bij de sector Waterbeheer, over de Europese kaderrichtlijn water.
Bij dit punt is de heer van Wijk, directeur Financiën, aanwezig.
De heer Vooijs verwijst naar punt 10, waarin wordt vermeld dat geen standaardopslag voor inflatie wordt gebudgetteerd, hoewel een aantal kostenstijgingen onvermijdelijk zal zijn. Als voorbeeld hiervan worden o.a. genoemd de WOZ-taxatiekosten, waarvan hij meent dat onlangs de verwachting is uitgesproken dat de bijdrage daaraan voor waterschappen zou worden verlaagd. Tevens denkt hij dat de aanstaande liberalisering van de energiemarkt tot lagere tarieven zou moeten leiden.
De heer Burger wijst op het gestelde in punt 6 m.b.t. eventuele formatie-uitbreiding: hij mist de relatie met het mogelijk uitbesteden van activiteiten aan externe bureaus. Voorts vraagt hij zich af waarom de gevolgen van de te verwachten inflatie niet worden begroot.
Ook de heer Kerssens zegt moeite te hebben met het niet budgetteren van de te verwachten inflatie, naar zijn mening betekent dit een korting van ca. 4% en Rijnland zal zijn taken toch moeten uitvoeren.
Mevrouw Jong citeert de 1e regel uit punt 1: "de planning en bugettering wordt gebaseerd op vastgesteld beleid en mag niet ten koste gaan van de kwaliteit van de Rijnlandse taakuitoefening." Dit is naar haar mening vaag en strookt in feite niet met de uitgangspunten m.b.t. de inflatiecorrectie. Naar aanleiding van het gestelde in punt 6 (formatie-uitbreiding) vraagt ze naar het beleid m.b.t. loopbaanbegeleiding en mobiliteitmogelijkheden van de medewerkers.
Vervolgens gaat de heer van Wijk in op de vragen en opmerkingen.
Met betrekking tot de energieprijzen zegt hij dat zelfs de tarieven voor 2001 nog onduidelijk zijn: weliswaar heeft een groot aantal waterschappen een gezamenlijk contract afgesloten, maar de milieuheffingen zijn nog een onzekere factor. Per saldo kan het zijn dat, ondanks een lagere basisprijs, het totaaltarief stijgt.
De discussie met o.a. de staatssecretaris van financiën heeft opgeleverd dat de gemeenten de taxaties voor de WOZ blijven doen, maar voor een maximaal bedrag. Naar zijn mening betekent dit dat er een normbedrag per woning vastgesteld zal moeten worden. De bijdrage voor de waterschappen wordt verlaagd van 30% naar 15%, evenwel van een normbedrag dat nog niet bekend is. De WOZ-taxatiekosten zijn in punt 10 genoemd als onderdeel van een aantal niet beïnvloedbare kosten.
De inflatie wordt niet automatisch gebudgetteerd, eerst zal een budgethouder moeten bezien of er sprake kan zijn van een efficiënter benadering; bij het ontbreken van de benodigde ruimte zal moeten worden overlegd.
Formatie-uitbreiding zal in feite slechts plaats vinden bij nieuw beleid. Daarvoor wordt altijd een VV-voorstel gedaan, waarin ook de personele consequenties worden meegenomen. Bij nieuwe activiteiten wordt altijd de afweging gemaakt tussen eigen personeel en uitbesteden.
Interne mobiliteit van de medewerkers is in een relatief kleine organisatie als Rijnland een lastige zaak; het werk is vaak te specialistisch en om te ruilen zijn er minstens twee nodig. Met andere waterschappen heeft Rijnland wel de afspraak vacatures uit te wisselen.
Van loopbaanbegeleiding is Rijnland een warm voorstander en doet daar ook veel aan. De heer Mooiman vult hierop als voorbeeld aan dat in de sector Waterbeheer een monsternemer door het volgen van opleidingen en trainingen zal doorgroeien naar een opzichtersfunctie.
Op voorstel van de heer Kerssens wordt in het ontwerp VV-besluit in punt 7 "jaarrekening 1999" vervangen door "jaarrekening 2000".
Met inachtneming van de voorgaande alinea stemt de commissie in met het voorstel.
De heer Alkemade wijst er op dat dit onderwerp al eerder aan de orde is geweest en vraagt zich af wat in het voorliggende stuk de (eventuele) nieuwe elementen zijn. Het zou ook goed zijn aan te geven of deze voor de commissie waterkwaliteit een relevant karakter hebben.
De heer Mooiman vindt dit een goede suggestie, dit thema is onlangs onderwerp geweest van een informele VV en het zou (ook in het algemeen) duidelijk en verhelderend zijn in het latere VV-voorstel aan te geven of er, en zo ja welke, wijzigingen zijn aangebracht. Ten aanzien van het voorliggende stuk geldt dit voor het verplichtende element voor gemeenten in planalogische zin mee te werken aan tussendepots voor bagger, een aanscherping m.b.t. het dagelijks onderhoud en een verduidelijking over het verwijderen van kadavers.
Op een opmerking van de heer Vooijs over de noodzakelijke, maar moeizame samenwerking met de inliggende waterschappen zegt de heer Mooiman dat gestart zal worden met de gemeenten Voorschoten en Wassenaar en dus samenwerking met (in dit geval) De Oude Rijnstromen nodig is. Gerealiseerd wordt dat daar een spanningsveld is.
De heer Burger leest op bladzijde 8, onder "toekomstige situatie", dat per gemeente een inventarisatie wordt gemaakt van het waterhuishoudkundig stelsel. Het aantal van 42 gemeenten in ogenschouw nemend vraagt hij zich af of dit haalbaar is.
De heer Mooiman verduidelijkt dat in de april-VV een meetvoorstel zal worden ingebracht, waarin een onderscheid in de tijd te zien zal zijn tussen het meten van het hoofdstelsel en het nevenstelsel.
De angst van de heer Burger dat veel gemeenten zich in korte tijd zullen aanmelden en dus bij Rijnland een stuwmeer zal ontstaan, wordt door de heren Mooiman en v.d. Nagel weggenomen: een voorstel over de overname van onderhoud van stedelijk water volgt vaak op het uitbrengen van een gemeentelijk waterplan, dat over alle gemeenten gefaseerd zal gaan; de ervaringen met het tot stand komen van GRPs leert ook dat dit bij gemeenten niet altijd hoog op de agenda staat.
Verwijzend naar de opsomming van in onderhoud over te nemen wateren (blz. 8) vraagt de heer de Lange naar de typen wateren, die daar niet voor in aanmerking komen. De heer Mooiman zegt dat het hier in het algemeen om siervijvers gaat.
Op bladzijde 7 staat de taakverdeling tussen gemeente en waterbeheerder weergegeven. De heer Kerssens leest daar dat de gemeente verantwoordelijk is voor de inzameling en het transport van afvalwater. Dat is op zichzelf correct, maar het suggereert dat Rijnland dat overneemt, wat onjuist is.
De heer Alkemade leest dat Rijnland niet de intentie heeft het onderhoud van wateren over te nemen, die moeilijk of niet toegankelijk zijn. Hij vraagt zich af wie het onderhoud dan wel doet, waarbij gevreesd kan worden dat het in de vergetelheid raakt.
De heer v.d. Nagel zegt dat dit dan onderwerp van de onderhandelingen zal zijn, het is goed mogelijk dat de gemeente dan verantwoordelijk blijft.
Mevrouw Jong wijst op de afhoudende stellingname door het waterschap Groot-Haarlemmermeer en de bekende moeilijke relatie met De Oude Rijnstromen. Ze vreest dat dit een grote drempel zal opwerpen bij de uitvoering van de plannen. Mevrouw Meijer antwoordt dat in elk geval overlegd zal worden en de inliggende waterschappen toch worden gehouden aan de afspraken, vastgelegd in het WBP2000.
Bij dit agendapunt is de heer ir. Caris, projectmedewerker bij de afdeling Integrale Plannen en Projecten, aanwezig.
De heer v.d. Nagel geeft aan dat dit onderwerp al eerder besproken is, o.a. in een informele VV. Naar aanleiding daarvan zijn er al opmerkingen gemaakt en vragen gesteld.
Mevrouw Jong constateert dat het accent nu echt op "water" ligt en vindt dat een positieve ontwikkeling.
De heer Alkemade verwijst naar het gestelde in de 5e Nota Ruimtelijke Ordening, waarin wordt gesproken over "ruimte voor water" en het VBA-beginsel wordt gehanteerd (vasthouden, bergen, afvoeren). In die Nota wordt onderscheid gemaakt in hoog-Nederland en laag-Nederland. Hij vraagt zich af hoe in Rijnland (in laag-Nederland) met dat begrip is omgegaan.
Met betrekking tot de criteria zegt spreker dat de landbouwsector kennis heeft genomen van een droogte eenmaal per 35 jaar en dat accepteert. In dat licht bezien behoeft geen water te worden geborgen.
De heer Kerssens vindt het een goede zaak dat we nu met de waterkansenkaarten duidelijk maken wat we willen. Ze zijn een uitstekend communicatiemiddel. Het VBA-beginsel is naar zijn mening een belangrijk aspect en hij meent dat dit ook geldt voor Rijnland, gelegen in laag-Nederland. Spreker wijst er tenslotte op dat het hier om kwantiteitsaspecten gaat, hij vraagt aandacht voor de kwaliteitszaken.
De heer Burger heeft begrepen dat de totstandkoming van de kaarten niet altijd is gebeurd met medewerking van de betrokken gemeenten. De heer Caris bevestigt dat, hoewel op ambtelijk niveau vaak wel overleg is gevoerd. De heer Burger vindt dat wel noodzakelijk; hij verwijst hierbij naar de punten 10 en 11 van de schriftelijke vragen van de heer van Beek. Hij vindt dat de presentatie zo open en breed mogelijk moet zijn. Een breed draagvlak is noodzakelijk.
De commissie adviseert positief.
Hierbij is ir. van Bruggen, medewerker bij de afdeling Integrale Plannen en Projecten, team Rioleringen, aanwezig.
De heer de Lange duidt op de technische ontwikkelingen die IBAs de laatste tijd doormaken en hij vindt het een positieve zaak dat Rijnland zijn oorspronkelijke defensieve houding ten aanzien van IBAs iets vermindert.
Ook de heer Kerssens ziet beweging in Rijnlands beleid t.a.v. IBAs en is daar tevreden over. Ze zijn weliswaar nog niet gecertificeerd, maar de ervaringen elders, zelfs in koude streken in Scandinavië zijn goed te noemen. Hij meent dat een combinatie met een helofytenfilter ook tot de mogelijkheden moet behoren. In het algemeen is hij tevreden met het voorliggende stuk.
De commissie benadrukt dat aanleg van riolering o.d. in het buitengebied de verantwoordelijkheid van de gemeente is. Het eventueel verlagen van het omslagpunt doet daar niets aan af.
De heer van Bruggen licht nog toe dat de door de heer Kerssens genoemde combinatie met een helofytenfilter in feite ook een IBA-systeem is. De gedachte van verlaging van het omslagpunt is ontstaan bij gemeenten in de kop van Noord-Holland, in de Rijnlandse gemeenten speelde dat niet.
De commissie adviseert op de nu ingeslagen weg voort te gaan.
Ook hierbij is de heer van Bruggen aanwezig. Hij zegt dat de toepassing van een composttoilet al eens eerder is bekeken. Op een aantal plaatsen in Nederland is ook een proef uitgevoerd. Geconstateerd moet worden dat een goed composteer-resultaat afhankelijk is van een gedisciplineerd beheer en gedrag. Omdat dat vaak te wensen overlaat, valt het resultaat dan tegen. Het wordt dan ook niet gezien als een alternatief voor een IBA.
De heer Vooijs wijst op de gevolgen voor de volksgezondheid bij een dergelijk systeem, juist met het oog op de noodzaak van goed beheer.
De heer Kerssens ziet een composttoilet toch wel als een IBA, al erkent hij de kwetsbaarheid van het systeem m.b.t. beheer en gedrag. Hij pleit er voor binnen de Rijnlandse organisatie een proef te doen.
De commissie voelt ook voor een proef. De heer v.d. Nagel zegt toe de suggestie mee te nemen in D&H, verder wachten we de reactie in de VV af.
De heer v.d. Nagel herinnert eraan dat dit onderwerp in de vorige commissievergadering uitvoerig is toegelicht. De gevolgen van de noodzakelijke aanpassingen zullen in de komende jaren in de begroting zichtbaar worden.
Mevrouw Jong zegt dat dit eigenlijk al structureel had moeten zijn: veroudering van apparatuur en installaties moet zich uiten in afschrijvings- en investeringskosten.
Op een vraag van de heer de Lange over het clusteren van afvalwaterstelsels zegt de heer v.d. Nagel dat dit inderdaad steeds wordt overwogen en, waar mogelijk, wordt gedaan.
De heer Kerssens zegt dat naar het vereiste bedrag van f 65 miljoen genuanceerd kan worden gekeken: gedurende 10 jaren is dat f 6,5 miljoen en bovendien kan het worden afgeschreven over de levensduur van de installatie. Voorts pleit hij voor het afkoppelen van verhard oppervlak, dat kan bijdragen aan een reductie van benodigde uitbreidingen.
De commissie stemt in met het voorstel.
Mevrouw Meijer licht toe dat het gaat om een computerprogramma voor het berekenen van de effecten op de waterkwaliteit bij het verondiepen van diepe putten.
De heer Vooijs zegt dat het verondiepen van zandwinputten met grond of bagger erg in de belangstelling staat en vindt het noodzakelijk dat de effecten daarvan op de kwaliteit van het oppervlaktewater goed bekeken worden.
De heer de Lange twijfelt aan de noodzaak van een dergelijk computerprogramma en geeft de suggestie een aantal (aanstaande) wetenschappers een literatuurstudie te laten doen.
Mevrouw Meijer zegt hierop dat het niet gaat om een onderzoek of een studie, maar om het uitvoeren van noodzakelijk werk.
Om misverstanden uit de weg te helpen geeft de heer Mooiman een verduidelijking van de situatie. Initiatiefnemers die b.v. grond kwijt willen (o.a. in het kader van de aanleg van de HSL) zien een mogelijkheid om dat te doen in diepe voormalige zandwinputten. Hier ligt dan een relatie tussen het Bouwstoffenbesluit en de WVO en het is in het belang van een goede waterkwaliteit dat dit met een goede vergunning wordt geregeld. Omwille van de waterkwaliteit zijn criteria vastgesteld, waarbinnen geopereerd moet worden. Het daarvoor benodigde gereedschap is het bedoelde computerprogramma.
De commissie adviseert positief.
De heer de Lange verwijst naar het gestelde in paragraaf 2.9. over afdekking c.a. van de stortplaats Hartelmond. Gegeven de eisen die daaraan worden gesteld en de onzekerheden daarbij, moet volgens het rapport een aanzienlijk bedrag worden gereserveerd. Hij vraagt zich af of dat wel echt nodig is. Bovendien is niet duidelijk om welk bedrag het gaat.
De heer v.d. Nagel antwoordt dat dit een eis van de provincie is en daaraan voldaan zal moeten worden.
In paragraaf 4.5. leest de heer de Lange dat tegen duur geld is geleend. Op zijn vraag of afkopen niet een goed middel daartegen zou zijn antwoordt de heer v.d. Nagel dat dat ook is onderzocht en dat dat onderzoek heeft aangetoond dat het ongunstig uitvalt.
De heer Vooijs geeft aan dat de awzi Harnaschpolder een privaat-publieke installatie wordt en hij uit de vrees dat, indien de private beheerder voor een andere stortplaats kiest, er een overcapaciteit ontstaat en dat voor Rijnland kostenverhogend werkt.
De heer v.d. Nagel antwoordt hierop dat Delfland verplichtingen is aangegaan, die moeten worden nagekomen.
Anderzijds denkt de heer Vooijs dat een eventuele reorganisatie tot dijkring 14 en/of een flinke uitbreiding in het woningenbestand tot een ondercapaciteit kan leiden. De heer v.d. Nagel zegt dat daarop niet kan worden vooruit gelopen, maar dat dan wellicht moet worden bijgebouwd.
De heer Kerssens begrijpt niet wat in de Samenvatting, 5e alinea, wordt bedoeld met een prijsindicatie van 25% en een tariefrisico van 10%.
De heer v.d. Nagel zegt toe dit te zullen nagaan.
Ook de heer Kerssens uit zijn reserves m.b.t. de ontwikkelingen rond de awzi Harnaschpolder.
(Noot van de adj. secretaris: navraag bij de heer v. Wijk leerde dat Delfland verantwoordelijk blijft voor de awzi Harnaschpolder en zich niet zonder meer kan terug trekken; in een dergelijk geval moeten de andere partners volgens contract- worden afgekocht)
De commissie stemt in met het beleidsplan.
De heer v.d. Nagel geeft als aanvulling op het voorliggende stuk nog aan dat de gemeente Gouda schriftelijk accoord is met de kostenverdeling.
Er bestaat een verschil tussen het bedrag van het gevraagde krediet in de brief (f 1,9 miljoen) en in het ontwerp-besluit (f 2,1 miljoen). Spreker zegt dat f 1,9 miljoen het juiste bedrag is.
De commissie adviseert positief.
Als toelichting zegt de heer v.d. Nagel dat in het Nieuwe Meer in het verleden veel overlast werd ondervonden van stankhinder als gevolg van blauwalgen. Om dat te voorkomen is op de bodem een menginstallatie aangebracht, die ervoor zorgt dat de waterlagen door inblazing van lucht worden gemengd. De installatie blijkt versleten en onderdelen daarvan drijven spontaan op, wat tot gevaarlijke situaties leidt. Om deze reden, maar bovendien om de stankhinder van blauwalgen te voorkomen, is het nodig de installatie op korte termijn te vernieuwen.
De heer Burger wijst erop dat een dergelijke installatie symptoombestrijding is en hij vraagt zich af of voor de bestrijding van blauwalgen een structurele oplossing in zicht is.
Mevrouw Meijer zegt dat onderzoek daarnaar in volle gang is en dat verondiepen wellicht een oplossing kan bieden. De gemeente Amsterdam heeft plannen in het Nieuwe Meer bagger te storten (woorvoor nu een MER- en een vergunningprocedure loopt). Ook de oevers zullen dan natuurvriendelijk worden ingericht. Hierop wachten zou onacceptabel zijn, daarom is vervanging van de installatie noodzakelijk.
De commissie uit haar ontevredenheid over de overschrijding t.o.v. de geraamde kosten met 100%.
Desgevraagd zal de heer v.d. Nagel nog nagaan of de leverancier verantwoordelijk danwel aansprakelijk kan worden gesteld voor de wel erg snelle slijtage van de huidige installatie. Voor de nieuw aan te brengen installatie verlangt de commissie betere garanties.
De commissie stemt in met het voorstel.
Tekstueel
Het verslag wordt ongewijzigd vastgesteld.
Naar aanleiding van
Op bladzijde 1 en 2 staat de inleiding weergegeven over het pilot-project over samenwerking in de waterketen in Noordwijkerhout. De heer Kerssens refereert aan een DRSH-onderzoek waaruit blijkt dat een samenwerking tussen waterleidingbedrijf en hoogheemraadschap niet tot voordelen voor het hoogheemraadschap zal leiden. Gevraagd naar het D&H-standpunt daarover zegt de heer v.d. Nagel dat de pilot in Noordwijkerhout nog daadwerkelijk moet starten en daarvan de uitkomsten moeten worden afgewacht. Iedere partij is gerechtigd zich na de pilot terug te trekken.
De heer Burger vraagt naar de stand van zaken m.b.t. de planvormingstudie Zandvoort, genotuleerd op bladzijde 8. De heer v.d. Nagel zegt dat de andere partijen dezelfde keus hebben gemaakt als Rijnland en dat in mei/juni kan worden voortgegaan.
1. Aanwijzing waarnemend dijkgraaf
De commissie heeft hiervan kennis genomen.
De heer v.d. Nagel refereert aan de planvormingstudie Zandvoort en geeft aan dat vrijwel zeker is dat een leiding wordt gelegd naar de awzi Haarlem-Waarderpolder. De gemeente Haarlem heeft plannen de wegen, waarin een deel van die leiding is gepland, te verbeteren en vraagt Rijnland mee te werken dat leidinggedeelte met die wegverbetering reeds aan te leggen, zodat geen dubbel werk wordt gedaan en zelfs een voordeel voor Rijnland van ca. f 250.000,- oplevert.
Gezien de korte termijn waarop dit besloten moet worden, vraagt hij de mening en instemming van de commissie.
De commissie is het eens met de mening van de heer Kerssens dat afkoppelen van verhard oppervlak in Zandvoort en rechtstreeks afvoeren naar zee van het schone water beter is dan het via een lange omweg rondpompen van schoon water, waarna het uiteindelijk voor de kust van Zandvoort terecht komt.
De commissie stemt in met het voorstel.
Mevrouw Meijer deelt mede dat er weer problemen zijn met het bolontsmettingsmiddel carbendazim. Bij een controle in december is plaatselijk een zeer forse overschrijding van de MTR-waarde geconstateerd. Dit duidt op onzorgvuldig gedrag van een aantal kwekers; handhaving en proces-verbaal opmaken is echter zeer moeilijk omdat feitelijk niet op heterdaad kan worden betrapt. De gehele sector wordt hierdoor in een kwaad daglicht gesteld en gehoopt wordt op een sociale controle door mede-kwekers en de land- en tuinbouworganisatie. De publiciteit kan daarbij helpen en in de media (ook radio en televisie) besteden er aandacht aan. Er wordt aan gedacht de staatssecretarissen van LNV en V&W uit te nodigen om ook voor politieke druk te zorgen.
De heer v.d. Nagel deelt mede dat de volgende commissievergadering, op 4 april 2001, wordt gehouden in de Blauwe Zaal van het voormalige Rijnlandshuis aan de Breestraat 59.
De commissie stemt met waardering in.
Kennis genomen.
Naar aanleiding van een opmerking van de heer Burger over de werking van de installatie in Zandvoort zegt de heer v.d. Nagel toe dit te onderzoeken.
De heer de Lange vraagt naar de stand van zaken m.b.t. de "van Saase-sloten". Mevrouw Meijer geeft aan dat een dwangsom is aangezegd en dat op 22 februari een gesprek met De Oude Rijnstromen plaats vindt over de plannen en de uitvoering van de toegezegde compensatie. Afhankelijk van de resultaten van dat gesprek zal worden besloten of al dan niet met de dwangsomprocedure zal worden doorgegaan.
Om 12.45 uur wordt de vergadering gesloten.
Aldus vastgesteld in de bijeenkomst van de Commissie Waterkwaliteit d.d. 4 april 2001.
