I Opening
III Evaluatie 2001 WBP-2000 Rijnland
IV Kostentoedelingsverordening
V Concept Meerjarenraming 2002 2006
VI Beleidsvoornemen Tarieven 2002
VII Informatiebeleidsplan 2002 - 2004IX Aanvullend krediet Veenweideproject
Xa Verslag vorige commissievergadering d.d. 12 september 2001
XI Mededelingen
b. Geschil kostenverdeling afvalwatertransportsystemen Haarlemmermeer
Overige agendapunten:
1. Mededelingen voorzitter
2. Brief DWA inzake onderzoek driehoeksmosselen, toelichting door ir. S. van Breukelen
3. Rondvraag
4. Sluiting
Aanwezig:
de hoogheemraden: mevrouw mr. Meijer (voorzitter) (bij punt 1) en de heer v.d. Nagel (plv. voorzitter) (bij de overige punten);
de leden: de heer Alkemade, de heer ing. Burger, mevrouw drs. Jong, de heer ir. Kerssens, de heer de Lange, de heer Vooijs en de heer ir. Wotte;
de heer Mooiman (secretaris) en de heer Uileman (adj.-secretaris);
de heer v. Wijk (directeur Financiën) (bij de punten IV, V en VI), de heer Heijnis (sectordirecteur Werken) en de heer ir. v. Breukelen (bij "overige agendapunten-2);
Afwezig:
mevr. drs. de Zwart.
I Opening
Mevrouw Meijer heet ieder welkom. Zij deelt mede dat zij tot 10.00 uur aanwezig zal zijn, daarna neemt de heer v.d. Nagel het voorzitterschap van deze vergadering over.
Bericht van verhindering voor het bijwonen van deze vergadering én voor het bijwonen van de VV is ontvangen van mevr. de Zwart.
Mevrouw Meijer herinnert aan de vorige VV, waarin uitgebreid is gesproken over de STOWA. Er bestond behoefte aan meer informatie over taken en werkwijze. Adjunct-secretaris Uileman heeft de Web-site van STOWA geraadpleegd en een aantal interessante paginas afgedrukt. Die bundel wordt aan de leden verstrekt. Ze wijst ook op de nieuwsbrief van STOWA, waarop ieder zich kan abonneren. Van het nu aanwezige nummer zullen geïnteresseerden een exemplaar ontvangen.
III Evaluatie 2001 WBP-2000 Rijnland
De heer Vooijs wijst op het beheer van het ondiepe grondwater, dat nu nog bij de provincie ligt. Hij informeert naar de rol van Rijnland bij het overnemen van dat beheer en wijst op de problematiek die kan ontstaan in de binnenduinrand, als gevolg van het gewijzigde onttrekkingsregime van de drinkwaterbedrijven.
De heer Burger uit zijn complimenten voor de heldere evaluatie. Hij constateert dat Rijnland aan vele plannen en projecten deelneemt en zegt het totaalbeeld te gaan missen. Hij ziet graag een overzicht daarvan. Voorts wijst hij op het 2e gedachtenpuntje op blz. 2 van de aanbiedingsbrief, waarin gesproken wordt van stagnatie in met de inliggende waterschappen op te pakken onderwerpen, als gevolg van de aanstaande reorganisatie van het waterbeheer in Zuid-Holland. Hij vraagt wat gedaan wordt om dat proces weer vlot te trekken.
De heer de Lange sluit zich aan bij de waarderende woorden van de heer Burger. Voorts wijst hij op het forse investeringsprogramma. Hij herinnert zich dat kort geleden is gemeld dat Rijnland de grote investeringen achter de rug had en verbaast zich nu over het toch hoge bedrag. Hij vraagt om een toelichting.
De heer Kerssens zegt in de evaluatie geen elementen te zien waar hij het niet mee eens kan zijn. Evenwel: na het doornemen bekroop hem het gevoel dat dit een voortzetting is van het klassieke karakter van het WBP2000. Het begrip "duurzaamheid" krijgt naar zijn mening te weinig aandacht. Als voorbeelden noemt hij de mededeling dat uitbreiding van de bemalingscapaciteit sneller bereikt kan zijn dan uitbreiding van de bergingscapaciteit en het schrappen van de verdiepingsslag van de polderwateren. Bij de ontwikkeling van natuurvriendelijke oevers constateert hij dat Rijnland geen initiatief neemt, maar slechts aanhaakt bij anderen. Hij ziet graag een accentverschuiving naar vernieuwing en duurzaamheid.
De heer Wotte wijst op de vertragingen die bij sommige projecten optreden, als gevolg van een afhoudende stellingname bij de inliggende waterschappen in hun partnerrol. Hij verwacht dat de aanstaande reorganisatie dat beeld alleen maar zal versterken en voorkomen moet worden dat tijd en moeite wordt verspild met pogingen tot continuering. Als iets niet haalbaar is, is het beter dat onder ogen te zien en na de reorganisatie in het volgende WBP daarmee verder te gaan.
Alvorens op het aan de orde zijnde agendapunt in te gaan uit mevrouw Jong een woord van kritiek ten aanzien van de agendazetting. Ze ziet een onevenwichtigheid tussen de agendas van september j.l. en de voorliggende van oktober. Die van september had een erg licht karakter en die van oktober bevat zoveel zware onderwerpen dat zij vreest voor de kwaliteit van de vergadering.
Ten aanzien van de evaluatie WBP zegt ze het positief te waarderen dat enthousiast wordt samengewerkt met maatschappelijke organisaties; dit hoort een normale gang van zaken te zijn omdat Rijnland een publieke instelling is. Ze ondersteunt het betoog van de heer Kerssens met betrekking tot (het ontbreken van) de relatie met de duurzame samenleving. Wellicht omdat te laat samenwerking is gezocht met maatschappelijke organisaties is daarover nu weinig terug te vinden in de beleidsnotities. Een mogelijk andere oorzaak ziet zij in de leeftijdopbouw van het Rijnlandse ambtenarenapparaat: als het werven van personeel moeilijk is kan dat ten koste gaan van de verjonging. En juist jongeren leggen een zwaarder accent op het begrip "duurzame samenleving".
Voorts vindt ze in de paragraaf personeelsformatie de functie "riooldeskundige", ze vraagt naar de taak van die functionaris.
Tenslotte zegt ze te hebben begrepen dat het calamiteitenplan in 2000 niet is geactualiseerd, ze vindt dit onacceptabel.
De heer Alkemade vindt de evaluatie een goed overzicht. In algemene zin sluit hij aan bij de opvatting van mevrouw Jong en vindt de benadering erg vanuit Rijnland beschreven. Hij zou graag de toonzetting zodanig zien dat meer aandacht wordt besteed aan de plaats van Rijnland in een grotere omgeving.
Vervolgens gaat mevrouw Meijer in op de gestelde vragen en gemaakte opmerkingen.
Ze verduidelijkt dat de voorliggende evaluatie een Rijnlandse evaluatie is en niet een geïntegreerde met de inliggende waterschappen. Dit verklaart wellicht de klassieke toonzetting; er is wel aandacht voor verandering, maar beseft moet worden dat dit een groeiproces is.
Terugkijkend op de afgelopen twee jaren is het duidelijk dat de aanstaande reorganisatie invloed heeft op de samenwerking met de inliggende waterschappen. Ook in de Rijnlandse organisatie bestond zorg over de stagnatie in sommige zaken. In een ambtelijke notitie werd aan het college gevraagd hoe met deze materie moet worden omgegaan. De notitie kan, na overleg in D&H, aan de VV worden verstrekt.
De veranderende rol van partner in goede buurman vindt zijn oorzaak in het feit dat Rijnland bij talloze projecten en overleggen is betrokken en dat een wel erg zware druk op het apparaat legt. In al die samenwerkingsverbanden moeten de Rijnlandse taken wel als uitgangspunt blijven dienen. De samenwerking met anderen, ook maatschappelijke organisaties, krijgt gaandeweg een zwaarder accent; als voorbeeld kunnen worden genoemd het waterketenbedrijf in Noordwijkerhout, de vereniging Deltametropool, de Bestuurscommissie Randstad en het in een vroeg stadium meepraten bij bestemmingsplannen.
Voor wat betreft het studieuze karakter van het plan zegt mevrouw Meijer dat dit bij het opstellen van het plan al is onderkend. Een aantal zaken was nog onvoldoende bekend en dus moest er eerst onderzoek worden gedaan. Geleidelijk aan komen we in de uitvoeringsfase.
Het niet actualiseren van het calamiteitenplan vindt zijn oorzaak in capaciteitsgebrek. Overigens moet dit niet te dramatisch worden gezien, het actualiseren behelst in feite het onderhouden van het handboek ten aanzien van contactpersonen, telefoonnummers, enz. Inmiddels is er een calamiteitencoördinator in functie getreden.
De in de evaluatie genoemde rioleringsdeskundige is vooral betrokken bij het waterketenbedrijf in Noordwijkerhout. Rijnland heeft trouwens veel deskundigheid op het rioleringsgebied in huis en dat is ook noodzakelijk voor de beoordeling van rioleringsplannen; er moet op niveau worden overlegd met gemeenten, uiteindelijk met als doel de vuiluitworp via overstorten zo beperkt mogelijk te houden.
Het begrip "duurzaamheid" wordt in alle aspecten van onze taakopvatting meegenomen.
Ten aanzien van de leeftijdopbouw van het ambtelijk apparaat zegt mevrouw Meijer niet te willen onderschrijven dat de "vergrijzing" invloed heeft op de houding en het beleid van Rijnland. Het bestuur beslist trouwens.
Ten aanzien van de agenda herinnert ze aan de vooraf uitgebrachte raamagenda, die moet voorkomen dat sprake is van ongewenste verrassingen. In de september-VV is het, als gevolg van de voorafgaande vakantieperiode, onmogelijk zaken te agenderen die een lange en zware voorbereiding vragen. De financiële cyclus veroorzaakt nu eenmaal dat de oktober-VV een zware agenda kent.
Ze vindt de indruk over het klassieke karakter weliswaar voorstelbaar, maar ontkent de stelling dat duurzaamheid niet in het plan en de evaluatie voorkomt; het is, in tegendeel, een normaal onderdeel van het reguliere werk. Het berekenen van uitbreiding van de bemalingscapaciteit van een boezemgemaal is een autonome actie, die daarom relatief snel afgerond kan zijn, in tegenstelling tot het tot stand brengen van een waterkansenkaart met als doel bergingscapaciteit te vinden. Daarbij is langdurig overleg met talloze partners noodzakelijk. Dit wil echter niet zeggen dat dan ook automatisch wordt gekozen voor (alleen) uitbreiding van bemalingscapaciteit: de trits vasthouden, bergen, afvoeren blijft overeind.
Het overnemen van het beheer van het ondiepe grondwater ligt in de lijn van de mogelijkheden, maar is nog geen vaststaand feit. Het zou trouwens wel duidelijkheid voor de burger scheppen. Als het overnemen werkelijk aan de orde komt zal er zeker onderhandeld worden over de financiële gevolgen van de (mede) over te nemen problemen.
Mevrouw Meijer verlaat de vergadering, waarna de heer v.d. Nagel het voorzitterschap overneemt.
Met betrekking tot de investeringswerken deelt de heer v.d. Nagel mede dat (ver)nieuwbouwprogrammas eigenlijk nooit zijn afgerond. Nu staan we weer voor een volgende fase waarin inmiddels verouderde installaties moeten worden vernieuwd.
De heer Mooiman denkt dat van alle lopende projecten wel een overzicht is samen te stellen.
In een tweede ronde
Maakt de heer Kerssens een opmerking over de optimistische kijk ten aanzien van het inrichten van een baggerstortlocatie in de Oostvlietpolder.
De heer v.d. Nagel beaamt dat we de moed nog niet hebben verloren, maar dat de realiteit niet uit het oog mag worden verloren.
De heer Vooijs leest dat de samenwerking met de handhavingspartners niet optimaal verloopt en hij zegt dit te betreuren.
De heer v.d. Nagel zegt dat het college dat gevoelen deelt en dat alles zal worden gedaan om de afhoudende partners tot meer activiteit op dit gebied te bewegen.
IV Kostentoedelingsverordening
De heer van Wijk geeft een toelichting op het proces van totstandkoming van dit onderwerp.
In de eerste plaats speelt de waardeverandering Gebouwd/Ongebouwd. Met ingang van dit jaar geldt de nieuwe WOZ-waarde en die is voor die verhouding bepalend. Deze was 85-15 en wordt 88-12. Dit betekent voor Ongebouwd een relatief sterkere daling dan de stijging voor Gebouwd. Daarna kwam de overeenkomst aan de orde tussen de minister, de gemeenten en de waterschappen, die resulteert in een verlaging van de waterschapsbijdrage in de WOZ-kosten van 30% naar 15%. De consequentie dat Gebouwd hierdoor daalt zou compenserend kunnen werken op genoemde stijging. Vervolgens doet zich volgend jaar het feit voor dat de kosten die gemeenten maken voor de WOZ-bepaling zijn genormeerd tot maxinaaal f 200 miljoen; hierdoor zal Gebouwd dalen. Daarnaast krijgen we te maken met Togtema/Leemhuis, wat betekent dat Gebouwd, Ongebouwd en Ingezetenen zullen stijgen en de Verontreinigingsheffing zal dalen. Tenslotte speelt nog de gunstige uitspraak van de Hoge Raad over de BTW-constructie, waardoor de heffing daalt. Omdat Verontreinigingsheffing en Ingezetenenomslag fiscaal aan elkaar zijn gekoppeld zou dat ook weer compenserend kunnen werken op de gevolgen van Togtema/Leemhuis.
Geconcludeerd kan worden dat dit een complexe materie is.
De te verwachten fusie tussen Rijnland en de inliggende waterschappen in 2004 zal trouwens betekenen dat het "Rijnlandse tarief" zal stijgen terwijl het "inliggende waterschapstarief" vervalt. Het nieuwe "all-in-tarief" zal lager zijn dan de optelsom in de huidige situatie.
De gedachte kwam naar voren de mogelijkheid te onderzoeken in één keer te doen wat gedaan mág worden. De provincie staat hier bereidwillig tegenover, voor Delfland is al toestemming daarvoor gegeven.
Overigens deelt de heer v. Wijk mede dat hij vanochtend vernam dat Verkeer en Waterstaat op korte termijn een wetsvoorstel schrijft, dat nog dit jaar in de Tweede Kamer zal moeten worden behandeld. Deze wijziging van de Waterschapswet brengt een verschuiving van lasten naar het watersysteem met zich mee. De eerdere verwachting was dat dit in 2003 of zelfs 2006 aan de orde zou komen.
Samengevat betekent een en ander dat het gunstig uitvalt voor Gebouwd, Ongebouwd en Bedrijfsleven en ongunstig uitvalt voor Ingezetenen.
Het college heeft haar voorstel in het voorliggende stuk verwoord maar is bereid een andersluidende mening uit te voeren.
Het volgen van het collegevoorstel zal dus een grotere golfbeweging in de tarieven met zich meebrengen dan het niet volgen van het voorstel.
Vervolgens gaat de commissie op het onderwerp in.
De heer Alkemade stelt vast dat het een ingewikkelde materie is. Er zijn invalshoeken vanuit de bestuurlijke kant, het watersysteem en de waterorganisatie. Bij de overwegingen moeten die gezichtspunten in een onderlinge relatie worden gezien. Naar zijn mening ontbreken in het voorstel de inhoudelijke argumenten nu tot wijziging over te gaan. Dit, alsmede de nog onzekere impact van de wijziging van de Waterschapswet, doen hem besluiten de KTV voorlopig niet te wijzigen.
De heer Vooijs wenst nu nog geen uitspraak te doen en wil eerst overleg in het Ingezetenenoverleg.
De heer Burger ziet dat er veel onzekerheden zijn. Op basis van de stukken en de gegeven toelichting vindt hij een wijziging van de KTV op dit moment voorbarig. De aanstaande wetswijziging sterkt hem nog in die gedachte.
De heer de Lange sluit zich bij de woorden van de heer Burger aan.
De heer Kerssens zegt op zichzelf voorstander te zijn van egalisatie van de tarieven, maar vindt het beter de gehele materie volgend jaar goed onder ogen te zien en dan de juiste conclusies te trekken. Ook hij vindt dat de aanstaande wetswijziging en de gevolgen daarvan een argument zijn om de KTV nu niet te wijzigen.
De heer Wotte ziet ook nog veel onzekerheden en neigt ernaar de KTV nu niet te wijzigen. Hij geeft aan dat dit een persoonlijke mening is, er volgt nog categorie-overleg.
Mevrouw Jong ziet voor Gebouwd (de categorie die zij vertegenwoordigt) een daling met 12% en daarna een stijging. Ze denkt dat dit aan de burger niet is uit te leggen en pleit voor een gelijkblijvend tarief in plaats van een daling. Hierdoor ontstaat voor de komende jaren een inverdieneffect, waarmee de stijging kan worden verminderd.
De heer v.d. Nagel stelt samenvattend vast dat de commissie, gezien de onzekerheden, nu nog niet wil overgaan tot wijziging van de KTV. Volgend jaar kan deze zaak opnieuw worden bezien.
De heer v. Wijk zegt dat de in zijn toelichting genoemde factoren redelijk zeker zijn, behoudens de ingangsdatum van de wijziging van de Waterschapswet. In die fase 2 worden de kosten van passief waterkwaliteitsbeheer overgeheveld van de verontreinigingsheffing naar het watersysteem.
V Concept Meerjarenraming 2002 - 2006
Mevrouw Jong herhaalt haar eerder verwoorde standpunt: ze is voorstander van het voorlopig gelijk houden van het tarief voor Gebouwd, het daarmee behaalde inverdieneffect kan worden gebruikt om het tarief daarna beperkt te laten stijgen (in een rechte lijn). De sterke verhoging zou in één keer moeten worden doorgevoerd.
De heer Wotte vreest dat het laten fluctueren van tarieven bij de burger erg merkwaardig overkomt. Hij pleit voor een geleidelijk verloop.
Ook de heer Kerssens pleit voor een geleidelijke stijging van de tarieven en een kortstondige daling van de lasten te gebruiken bij het afvlakken van de stijgende lijn.
De heer Burger is voorstander van het door mevrouw Jong voorgestelde inverdienen, zodat de stijging beperkt blijft. Voorts wijst hij er op dat de forse stijging voor Ingezetenen dichterbij komt als de Waterschapswet eerder wordt gewijzigd dan verwacht.
De heer Vooijs vindt ook dat het geleidelijk laten stijgen van de tarieven een goede zaak is.
De heer Alkemade is het eens met de vorige sprekers en wijst voorts op de aanzienlijke saldireserves; hij vraagt te onderzoeken of die kunnen worden gebruikt om forse stijgingen te reduceren.
De heer v. Wijk verklaart nog over de verontreinigingsheffing dat deze is verlaagd tot € 40. Het preciese bedrag zou zijn € 40,80, maar belastingbedragen moeten zijn afgerond op hele euros. De uitdrukkelijke wens van de VV was om het voordeel van de SBG-constructie zichtbaar te maken en daarom is het afgerond op € 40,-
De commissie adviseert in bovenstaande zin.
De heer Burger verlaat de vergadering.
VI Beleidsvoornemen Tarieven 2002
Mevrouw Jong verwijst naar haar eerder ingenomen standpunt bij de vorige agendapunten over het gelijk houden van de tarieven en neemt dit bij dit onderwerp mee.
De commissie adviseert positief.
VII Informatiebeleidsplan 2002 2004
De heer de Lange leest dat automatisering het efficiënt werken moet bevorderen en op het personeelsbestand kostenbesparingen met zich mee zal brengen. In concreto vindt hij daarover in het stuk niets terug.
Mevrouw Jong wijst er op dat in de markt op softwaregebied erg veel wordt aangeboden. Ze pleit ervoor de doelmatigheid van alle mogelijkheden in het oog te houden.
De heer Vooijs leest dat op het gebied van samenwerking met andere waterschappen dat met EMIS en ALA niet is gelukt. Hij vraagt naar de reden.
De heer v.d. Nagel antwoordt op de laatste vraag dat dit verband houdt met de keuze die Delfland heeft gemaakt voor laboratoriumonderzoek; ze kozen voor ZHEW.
Op de vraag van de heer de Lange antwoordt de heer Mooiman dat de besparing op personeelskosten goed zichtbaar is bij Star-Lims: hierdoor is op het laboratorium 1 fte minder nodig. Overigens moet bedacht worden dat als gevolg van de automatisering en informatieverstrekking ook meer vraag ontstaat, zowel in kwantitatieve als in kwalitatieve zin.
De commissie adviseert positief.
IX Aanvullend krediet Veenweideproject
De heer Vooijs vraagt naar de hardheid van de door anderen gedane toezeggingen.
De heer v.d. Nagel kan daarop nu geen antwoord geven, hij zal de portefeuillehouder vragen daarover in de aanstaande VV uitsluitsel te geven.
De commissie adviseert positief.
X Krediet vervanging afdekking voorbezinktank awzi Alphen-noord
De commissie is overtuigd van de urgentie en stemt in met het voorstel.
Xa Verslag vorige commissievergadering d.d. 12 september 2001
Tekstueel
Het verslag wordt vastgesteld.
Naar aanleiding van
De heer Heijnis zal de heer Vooijs informeren over de rijksbijdrage voor het STOWA-innovatiefonds..
b. Geschil kostenverdeling afvalwatertransportsystemen Haarlemmermeer
De heer v.d. Nagel zegt het eens te zijn met de opmerking van de heer Vooijs dat het te betreuren is dat twee overheden naar de rechter moeten gaan om een geschil op te lossen.
Voorts zegt hij in de komende VV een nuancering aan te brengen voor wat betreft de renovatie/nieuwbouw van een tweetal gemalen. Het mag niet zover komen dat de waterkwaliteit gaat lijden onder het geschil.
Geen.
2. Brief DWA inzake onderzoek driehoeksmosselen
De heer v. Breukelen, medewerker bij de afdeling WAS, geeft nog een toelichting op de brief, als antwoord op de vragen, gesteld vanuit de VV. Driehoeksmosselen hebben een waterzuiverende werking, maar daarvoor zijn grote hoeveelheden nodig. De kleine aantallen, die zich hebben gehecht aan beschoeiingen zijn het, in biologische zin, niet waard om van dat materiaal af te schrappen: omdat ze behoefte hebben aan een hard substraat zullen ze in de modder niet overleven. Vanwege hun behoefte aan hard substraat komen ze in grote populaties voor in de Westeinder (zandige grond) en veel minder in b.v. de Kaag of in de Nieuwkoopse plassen.
De heer Kerssens las dat Rijnland, in het kader van ontwikkelingssamenwerking, activiteiten ontplooit in Roemenië, Bangladesh en Indonesië. Als medewerker van het Waterloopkundig laboratorium gaat hij naar Roemenië en hij kan een Rijnlandse ambtenaar meenemen.
De heer Mooiman zegt dat bureaus en instellingen op dat gebied contact moeten opnemen met de Unie, die dan de lijn met Rijnland legt.
Op een vraag van de heer de Lange over het ontbreken van de notulen van de vorige VV wordt geantwoord dat dit, gezien de krappe tijd, altijd een probleem is als er maar één maand ligt tussen twee vergaderingen.
De heer Vooijs las in de D&H-besluitenlijst dat toezichthoudende ambtenaren niet beëdigd hoeven te worden. Hij vraagt zich af hoe zich dat verhoudt tot het mogelijk opmaken van een proces-verbaal door hen.
De heer Mooiman zegt dat twee functies moeten worden onderscheiden: toezichthoudende ambtenaren en opsporingsambtenaren. De laatsten zijn bevoegd p.v. op te maken, de toezichthouders niet. Bij constatering van een overtreding moeten zij aangifte doen.
De heer Alkemade las in de D&H-besluitenlijst over de Klinkenbergerplas. Hij vraagt of de commissie waterkwaliteit van de ontwikkelingen op de hoogte kan worden gehouden.
Om 12.00 uur wordt de vergadering gesloten.
Aldus vastgesteld in de bijeenkomst van de Commissie Waterkwaliteit d.d. 28 november 2001.
