Beknopt verslag van de bijeenkomst van de Commissie Waterkwaliteit op woensdag 18 september 2002 in het kantoorgebouw van Rijnland te Leiden.
V Waterbeheer 21e eeuw: Watertoets
VI Project Doelen Waterbeheer Rijnland
VII Krediet slibverwerkingsinstallatie awzi Haarlem
IX Verslag vorige commissievergadering d.d. 12 juni 2002
b. Tussenresultaten verzilting
f. Brief WLTO en KAVB inzake Pact van Teylingen
In de namiddag wordt een bezoek gebracht aan de Vlietpolder te Hoogmade, deel uitmakend van het Veenweideproject .
Beknopt verslag van de bijeenkomst van de Commissie Waterkwaliteit op woensdag 18 september 2002 in het kantoorgebouw van Rijnland te Leiden.
Aanwezig
de hoogheemraden: de heer v.d. Nagel (voorzitter) en mevrouw mr. Meijer (plv. voorzitter);
de leden: de heer Alkemade, de heer ing. Burger, mevrouw drs. Jong, de heer ir. Kerssens, de heer de Lange en de heer Vooijs;
de heer Mooiman (secretaris) (vanaf punt VII), de heer drs. v.d. Does (plv. secretaris) (tot punt VII) en de heer Uileman (adj.-secretaris);
de heer ir. Heijnis (directeur sector Werken) (vanaf punt VII)
Afwezig
mevrouw drs. de Zwart en de heer ir. Wotte
Agendapunten VV
De heer Uileman reikt een verbeterde versie uit van bijlage 8.
Inleidend zegt de heer v.d. Nagel dat dit een uitgebreid stuk is, waarin staat aangegeven hoe we hiermee in de toekomst willen omgaan. Hij vraagt of de commissie met het gestelde kan instemmen.
Mevrouw Jong is blij met de notitie. Het is haar niet duidelijk hoe de verantwoordelijkheid en de aansprakelijkheid liggen. De verantwoordelijke van een bestemmingsplan zal de opdrachtgever (b.v. gemeente) zijn; maar is een waterbeheerder, bij honorering van de watertoets, aansprakelijk voor eventueel ontstane wateroverlast? Ook vraagt ze naar de rol en functie van de waterkansenkaarten in een bepaald gebied.
De heer Vooijs ziet in het stuk een belangrijke ontwikkeling. Hij denkt dat de samenwerking met de gemeenten erg belangrijk is, waarbij hij aantekent dat dat niet bij iedere gemeente even gemakkelijk zal zijn.
De heer de Lange kan zich goed vinden in de strekking van het stuk. Het is een goede ontwikkeling dat de waterbeheerders in een vroeg stadium al bij de planvorming moeten worden betrokken. Het stemt hem tevreden dat in de organisatie voor het benodigde werk voldoende personele ruimte wordt gecreëerd.
De heer Kerssens stelt dat het fenomeen Watertoets is gestart op landelijk niveau en nu zal moeten worden uitgevoerd door de lagere overheden. Vooral bij de gemeenten zal dit begrip nog moeten worden ingebed en uit zijn contacten met gemeentelijke bestuurders maakt hij op dat het nog niet overal wordt gedragen. Van de VV wordt gevraagd de Waterparagraaf, vermeld in bijlage 1, vast te stellen. Dit is dan ook een belangrijk document. In paragraaf 2.1 staat een aantal beleidskaders genoemd; naar zijn mening is die weergave onvolledig. Hij denkt aan: Waterbeleid 21e eeuw, Kust bewust, Kuststudie Noord- en Zuid-Holland, Spankrachtstudie en Waterbeheer in het natte hart. Hij twijfelt ook aan de volledigheid van de geraadpleegde literatuur, genoemd in paragraaf 5. Het is van belang compleet te zijn. Tenslotte verwijst hij naar bijlage 2: werkwijze toetsing ruimtelijke plannen. Op bladzijde 10 wordt een aantal processen genoemd, waarbij namen van medewerkers staan aangegeven. Omdat deze in de loop der tijd kunnen veranderen pleit hij ervoor hier functies te noemen.
De heer Burger is tevreden met het stuk. Hij las evenwel in het Waterschap een artikel over de knelpunten m.b.t. de implementatie van de Watertoets. Hij vindt het belangrijk dat dit zo snel mogelijk in een wettelijk kader wordt geplaatst, zodat problemen worden voorkomen. Hij denkt voorts dat de watertoets voornamelijk zal worden gebruikt bij streekplannen en bestemmingsplannen. We kennen echter ook de zogenaamde artikel 19-gevallen, die klein, maar ook groot kunnen zijn. Hij vraagt zich af of daar voldoende zicht op is. Tenslotte refereert hij aan paragraaf 2.2 van bijlage 1 (de waterparagraaf). Daarin staat vermeld dat de taakverdeling tussen ontwatering en afwatering nog niet wettelijk is geregeld. Hij vraagt of dit problemen kan opleveren.
De heer Alkemade vindt de watertoets een belangrijk instrument in de ruimtelijke ordening en vindt het daarom nodig dat het een wettelijk kader krijgt. Hij vraagt zich voorts af of de waterkansenkaarten wel de plaats in de streekplannen krijgen die ze verdienen. Als ze niet in de streekplannen worden geïmplementeerd zullen ze in een bestemmingsplan zeker niet zijn terug te vinden. Hij mist hieromtrent een dwingend karakter.
Vervolgens gaat de heer v.d. Nagel in op de gestelde vragen en gemaakte opmerkingen. Het vertalen van de waterkansenkaarten in de streekplannen kan slechts worden gerealiseerd door hierover druk uit te oefenen bij de provincie. Voor wat betreft het benodigde draagvlak bij de gemeenten denkt hij dat het belang van voldoende water breed wordt ingezien. De reikwijdte van de Watertoets is zodanig breed dat deze ook geldt voor artikel 19-zaken. Hij is het er mee eens dat er beter geen namen van medewerkers worden genoemd. Instemmend zegt hij dat het onze taak zal zijn de Watertoets gedragen te laten worden bij de gemeenten.
Ten aanzien van verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid meent de heer v.d. Does te weten dat de waterbeheerder een adviserende rol heeft en de gemeente verantwoordelijk is. Deze is ook aansprakelijk bij schade als gevolg van fouten, gemaakt bij de planvorming, zelfs als het advies van de waterbeheerder daarvan de oorzaak is. Over de status van de waterkansenkaarten voegt hij nog toe dat deze de visie van de waterbeheerder weergeven en bij streekplanvorming als discussie- en overlegmiddel worden ingebracht.
De heer v.d. Nagel geeft aan dat dit onderwerp al een aantal malen aan de orde is geweest en dat dit ook niet de laatste keer zal zijn. Het komt voort uit WBP2000 en komt terug via de Voorjaarsnota en de Meerjarenraming.
Mevrouw Jong vraagt zich af wat de bedoeling van dit stuk is: het gaat naar haar mening om het dagelijks werk, ze begrijpt dan ook niet waarom een extra krediet nodig is.
De heer de Lange wijst op het begrip samen optrekken met de inliggende waterschappen en vraagt of dit op bestuurlijk of op ambtelijk niveau plaats vindt.
De heer v.d. Nagel antwoordt dat dit op ambtelijk niveau is, hij heeft de indruk dat dit een vruchtbaar overleg is. Op een vraag van de heer de Lange verduidelijkt hij voorts dat het gevraagde krediet bestemd is voor intern personeel.
De heer Kerssens is het eens met het voorstel en wacht overigens de vier momenten af waarop de stukken in de Verenigde Vergadering worden gebracht.
De heer Alkemade verwijst naar de reactie van de provincie op het WBP: er zouden meer meetbare doelstellingen moeten worden geformuleerd. De bewoordingen, genoemd in het voorliggende stuk, vindt hij van een dergelijk abstract niveau, dat hij dit geen concretisering vindt. Hij is het met mevrouw Jong eens dat het dan om dagelijks werk gaat en daarvoor is geen extra krediet nodig.
Mevrouw Meijer licht toe dat dit project zó omvangrijk is, dat deze notitie alleen gaat over de kredietaanvraag. De invulling van het project is verwoord in een eerder stuk, waarnaar ook wordt verwezen. Zowel de heer Alkemade als mevrouw Jong menen dat de gedachtenstreepjes, genoemd op de eerste bladzijde, dan óf moeten worden geconcretiseerd óf niet moeten worden vermeld. De heer v.d. Nagel denkt dan aan het laatste.
De heer Vooijs verwijst naar de benodigde samenwerking met de inliggende waterschappen. In de pers leest hij berichten die niet altijd even positief zijn. De heer v.d. Nagel benadrukt dat de contacten op ambtelijk niveau goed zijn.
De heer de Lange leest aan het eind van de tweede alinea dat het financieel aantrekkelijk zal zijn het kalkfosfaatslib apart te behandelen en af te zetten. Hij vraagt wat het aantrekkelijke daaraan is. De heer v.d. Nagel antwoordt dat het dan nuttig kan worden gebruikt, b.v. in de landbouw.
Op een vraag van de heer de Lange over de exploitatie zegt de heer v.d. Nagel dat de kosten in het eerste jaar weliswaar € 162.000,- zullen bedragen, maar dat de besparing ad € 120.000,- in dat eerste jaar er nog niet is.
Een aantal leden vindt de relatie tussen en de verklaring van sommige bedragen onduidelijk. De heer Heijnis geeft desgevraagd een toelichting. De gevolgen per v.e. van het krediet bedragen € 0.06, als de voordelen in de exploitatie worden meegerekend zijn die € 0.03. Relaties zijn soms verwarrend omdat bedragen wisselend inclusief en exclusief B.T.W. worden vermeld.
De commissie adviseert positief.
Tekstueel:
Op bladzijde 3 wordt onder punt XI in regel 7 65 m3/sec vervangen door 75 m3/sec.
Op bladzijde 5 wordt onder punt XII in de zevende alinea in de laatste regel een goede oplossing zou zijn. vervangen door een goede aanvullende maatregel zou zijn.
Met deze wijzigingen wordt het verslag vastgesteld.
De heer Kerssens verwijst naar zijn opmerking, gemaakt in de Rondvraag, over de starre houding die Rijnland zou hebben inzake de kostenverdeling voor de awzi Harnaschpolder. Dat signaal zou niet van Delfland komen. Hij wil graag een reactie daarop.
De heer v.d. Nagel verbaast zich hierover, want in de onderhandelingen tussen Delfland, Schieland en Rijnland zijn Schieland en Rijnland het met elkaar eens. Op 23 september is er weer een onderhandelingsronde, hij hoopt in de VV van 25 september daarover een mededeling te doen.
De heer v.d. Nagel geeft aan dat dit stuk de stand van zaken weergeeft.
De heer Alkemade ziet dat deze locatie wordt genoemd als piekberging, maar ook als seizoensberging. Naar zijn mening zijn deze onverenigbaar, hij denkt dat hierover duidelijkheid nodig is. Voorts vraagt hij naar de relatie van deze locatie met de mogelijke woonbotenhaven en de peilvakken in de Zilk.
De laatste vraag van de heer Alkemade wordt door de heer Burger onderschreven. Voorts verwijst hij naar bladzijde 2, waar gesproken wordt over twee varianten; hij vraagt of er al een keuze is gemaakt. Tenslotte leest hij op bladzijde 5 dat een communicatieplan wordt opgesteld; hij vraagt of de inwoners van het gebied al op de hoogte zijn, zoniet dan is het maken van een communicatieplan aan de late kant.
De heer Kerssens begrijpt ook de combinatie van een piekberging en een zoetwaterberging niet; een piekberging hoort leeg te zijn om een overschot aan water te kunnen opvangen en een zoetwaterberging moet juist gevuld zijn om in perioden van droogte te kunnen gebruiken. Hij mist voorts in het stuk informatie over de omvang, aard van de ingreep en bijvoorbeeld een kaartje, dit om een goed beeld te kunnen hebben.
Mevrouw Jong heeft gelijkluidende vragen over de werkelijke functie en over de omvang van de locatie.
De vraag van de heer de Lange of gestreefd wordt deze locatie op boezemniveau te brengen wordt bevestigend beantwoord. Voorts vraagt hij naar een verklaring over de verziltingsproblematiek; naar zijn mening zal de kwel van zout water afnemen als het waterpeil wordt verhoogd.
De heer Vooijs verbaast zich over het geohydrologisch onderzoek. Dit is gebaseerd op één model, met weinig gegevens, uitgevoerd in 1994. Dit gebied is toch gevoelig voor grondwaterproblemen.
Over de combinatie van functies antwoordt de heer Mooiman dat er nog sprake is van een aantal varianten; voor het mede-gebruik als piekberging moet juist aanvullend geohydrologisch onderzoek worden gedaan. Rijnland streeft nog steeds naar aanleg van de woonbotenhaven; we zijn trouwens voortdurend op zoek naar mogelijkheden om het watersysteem robuuster te maken. Dit staat evenwel los van de in te richten peilvakken in de Zilk, omdat daar voor een andere vorm van berging is gekozen. Hij zal zorgen dat een kaartje wordt bijgevoegd. Voor wat betreft de communicatie zegt hij dat dit project onderdeel uitmaakt van Haarlemmermeer Groen; communicatie vindt vanuit dat project plaats. Wanneer het tot daadwerkelijke inrichting van dit gebied komt, zullen wij de communicatie overnemen. Met betrekking tot de combinatie piekberging-seizoensberging vult hij nog aan dat in het Handboek Boezembeheer daarover instructies zullen worden opgenomen en de boezembeheerder op basis daarvan de beslissing neemt de locatie leeg danwel vol te laten zijn. De gevolgen van kwel zullen merkbaar zijn in het naastgelegen gebied, daarvoor wordt het geohydrologisch onderzoek uitgevoerd.
De commissie heeft hiervan kennis genomen.
De heer v.d. Nagel zegt dat dit stuk de stand van zaken aangeeft en een toekomstblik biedt.
De heer Vooijs is verontrust over het gegeven dat 50% van de verzilting zijn oorzaak vindt in de diepe polders. Dit pleit er naar zijn mening eens te meer voor het peil in polders niet verder te verlagen.
De heer Alkemade wijst op de sluipende voortgang van de verzilting, die voor de land- en tuinbouw een gevaar is. Hij denkt aan de infrastructurele werken als de A4 en de HSL, maar ook aan forse verdiepingen als het Oosterduinse meer en plannen tot verdieping van het Valkenburgse meer. Hierop zegt de heer Kerssens dat kwel zelfs minder wordt tegengehouden door gronddruk dan door waterdruk. In die zin hoeft de verdieping van het meer niet schadelijk te zijn. Het wordt wel gevaarlijk als bij dat ontgraven een afsluitende kleilaag wordt meegenomen. Met betrekking tot het Valkenburgse meer zegt mevrouw Meijer dat daarvoor de vergunningaanvraag is aangehouden, om nader onderzoek naar de gevolgen te laten doen.
De commissie vindt het een goed idee de verziltingsproblematiek eens te behandelen in een informele VV.
De commissie heeft hiervan kennis genomen.
De commissie is in brede zin van mening dat de destijds gevraagde toetsingscriteria, benodigd voor het onafhankelijk evalueren van de pilot, in dit stuk in abstracte zin staan vermeld. De klachtenregeling en het streven naar procesoptimalisatie zijn niet meetbaar. Ingestemd kan nog worden met de criteria, maar de invulling moet concreter.
De heer v.d. Nagel zegt dat het samenwerkingsverband pas op 1 januari jongstleden is gestart en we ons nu nog in een leerproces bevinden. De uitwerking van de criteria is in ontwikkeling, zodra meer bekend is zal de VV daarover weer worden geïnformeerd. Het is nog te vroeg om nu al gekwantificeerde resultaten te kunnen geven. Hij geeft de commissie de verzekering dat de Rijnlandse medewerkers met dit project voortvarend doorgaan.
De commissie blijft van mening dat de inhoud van de mededeling erg teleurstellend is.
De heer v.d. Nagel zegt dat dit stuk de tussentijdse stand van zaken weergeeft, waarin staat waarom D&H nu nog niet met een afgerond voorstel komt. Dit heeft onder andere te maken met de berekeningsmethodiek en nog lopende studies. Naar verwachting zal in december met een afgerond voorstel worden gekomen.
De heer Vooijs leest dat voor het Noorder en het Zuider Spaarne een afwijkend profiel zou kunnen worden gehanteerd en dat enige bagger eventueel kan blijven liggen. Hij spreekt hierover zijn zorg uit: het gevaar bestaat dat bagger dan weer toestroomt naar een dieper gedeelte en bovendien vreest hij dat verontreinigde bagger achter blijft. De heer v.d. Nagel zegt dat deze aspecten juist nog onderdeel zijn van de lopende studie.
Op een vraag van de heer de Lange zegt de heer v.d. Nagel dat onderhandelingen met de gemeente Haarlem over de financiering nog gaande zijn.
De heer Kerssens sluit zich aan bij de opmerkingen van de heer Vooijs over het niet geheel baggeren van het Noorder en Zuider Spaarne. Bovendien hoopt hij dat het baggerwerk aanleiding kan zijn het handhaven van de baggerplicht voor derden te effectueren.
Met het oog op de waterkwaliteit uit ook de heer Alkemade zijn zorgen over het achter laten van bagger.
Mevrouw Jong en de heer Burger wijzen op de slechte financiële situatie van de gemeente Haarlem en adviseren het college op dit gebied waterdichte afspraken te maken.
De commissie heeft hiervan kennis genomen.
De heer Alkemade vraagt aandacht voor het vooraf goed communiceren met elkaar, onafhankelijk of men het met elkaar eens is of niet. De scherpe bewoordingen in de pers doen de verhoudingen geen goed. Positief vindt hij de meest recente ontwikkelingen m.b.t. de evaluatie van het Pact van Teylingen.
De commissie heeft hiervan kennis genomen.
Mevrouw Meijer geeft informatie over de gezondheidstoestand van hoofdingeland Martin Zandwijk.
Mevrouw Meijer verwijst naar de veldexcursie naar de Vlietpolder, die vanmiddag door een aantal leden wordt gehouden. Ze constateert trouwens dat het aantal afmeldingen op het laatste moment teleurstellend toeneemt. Ze denkt op termijn een bezoek te willen brengen aan de wijk Poelgeest, in het kader van het project Diffuse Bronnen. Gezien het feit dat een aantal commissieleden een volledige dagtaak heeft, peilt ze de belangstelling om dit op zaterdag of op een avond te doen. De voorkeur gaat uit naar de (vroege) avonduren, waarmee wordt vastgesteld dat dit zich niet leent voor de winterperiode.
De commissie heeft hiervan kennis genomen.
De commissie heeft hiervan kennis genomen.
De heer Kerssens deelt mede dat hij, wegens vakantie, in de volgende commissievergadering alsmede in de daarop volgende VV niet aanwezig zal zijn.
De heer v.d. Nagel dankt ieder voor de constructieve bijdrage en sluit de vergadering om 12.10 uur.
Aldus vastgesteld in de bijeenkomst van de Commissie Waterkwaliteit d.d. 2 oktober 2002.
