VI Grondaankoop waterbergingslocaties
VII Krediet uitvoeren praktijkproef structurele maatregelen Kopsloten Aalsmeer
IX Verslag vorige commissievergadering d.d. 11 juni 2003
a. Nationaal Bestuursakkoord Water
c. Project Polder De Noordplas
g. Zwemwaterrichtlijn en Blauwe Vlag
h. Stimulering afkoppelen verhard oppervlak
j. Kwaliteitstoets professionalisering milieuhandhaving
Overige agendapunten:
Beknopt verslag van de bijeenkomst van de Commissie Waterkwaliteit op woensdag 10 september 2003, aanvang 9.00 uur, in het kantoorgebouw van Rijnland te Leiden.
mevrouw mr. Meijer (voorzitter); de heer Alkemade, de heer ing. Burger, mevrouw drs. Jong, de heer de Lange, de heer Vooijs en de heer ir. Wotte; de heer Mooiman (secretaris) en de heer Uileman (adj.-secretaris);
de heren Baas, ir. Kerssens en v.d. Nagel.
Mevrouw Meijer opent om 9.00 uur de vergadering en heet ieder welkom. Ze deelt mede dat de heren v.d. Nagel en Baas zich voor deze vergadering hebben afgemeld. Zoals bekend is de heer Kerssens tot februari afwezig.
Toelichtend zegt mevrouw Meijer dat deze notitie vermeldt hoe wordt aangekeken tegen de grondaankoop-strategie. De notitie is voorzien van een tiental conclusies. Gevraagd wordt in te stemmen met die conclusies en kennis te nemen van het kader van aankoop van gronden in de MT-polder.
De commissie uit complimenten voor de helderheid en goede leesbaarheid van het voorliggende stuk, het mag een voorbeeld zijn.
De heer Vooijs vindt het goed te hebben gelezen dat overleg is/wordt gevoerd met de WLTO. Zo worden de belangen van de agrariërs meegewogen. Hij betreurt het dat in Zwaansbroek ca. 200 ha. in eigendom is bij projectontwikkelaars. Hij kan zich vinden in de conclusies.
Mevrouw Jong memoreert dat de achter ons liggende zomer heeft aangetoond hoe belangrijk de berging van water is, al zou het benutten van seizoensbergingslocaties tijdens de afgelopen extreme omstandigheden vermoedelijk onvoldoende zijn geweest voor de opvang van het tekort aan zoet water. Ze stemt in met de conclusies.
Ook de heer Wotte stemt in. Naar zijn mening is het belang van waterberging voldoende aangetoond. Hij is er niet zeker van dat het aankopen van grond per definitie het beste middel is.
Met betrekking tot de strategie zegt de heer Alkemade deze mager geformuleerd te vinden. Hij verwijst naar de Driemanspolder, die bestemd is voor piekberging, maar tevens een recreatie-functie krijgt. Dat laatste betekent dat er voortdurend water moet staan en de vraag is of er dan nog ruimte is voor het verwerken van een piekbelasting. Tevens herinnert hij aan de, eveneens zeer droge, zomer van 1976, waarin met allerlei hulpmiddelen en -diensten de droogte voor de agrarische sector is bestreden. Wellicht kan historisch onderzoek in detail aangeven hoe dat is gegaan. Voorts merkt hij op dat de afgelopen droogteperiode veel teweeg heeft gebracht. De staatssecretaris heeft uitgesproken dat moet worden bezien hoe het IJmeer voor de watervoorziening structureel kan worden benut. Over piekberging bestaat naar zijn mening geen discussie. Maar deze uitspraak kan de noodzaak van seizoensberging in een ander daglicht stellen, mede gezien de kosten van aankoop, afgezet tegen het aantal dagen dat van het water uit een seizoensberging gebruik kan worden gemaakt. Vervolgens adviseert hij op het gebied van grondaankoop actief te opereren, waarbij het oppakken van signalen uit het gebied van belang is. Dat de uitvoering door derden moet gebeuren is logisch, maar een structurele rol voor DLG is naar zijn mening niet vanzelfsprekend. Tenslotte zegt hij te begrijpen dat een schatting van de kosten moeilijk is te geven, maar een grove indicatie zou toch wel op zijn plaats zijn.
De heer Burger wijst op de statistieken die uitwijzen dat het klimaat aan het veranderen is. In hoeverre de afgelopen zomer een uitzondering was of regel wordt zal de toekomst moeten uitwijzen, maar duidelijk is dat de keuze voor bergingslocaties een goede is. Het doet hem goed te lezen dat Rijnland niet kiest voor koude sanering en ook onteigeningsprocedures als laatste middel ziet. Hij kan zich vinden in de conclusies.
De heer de Lange sluit zich aan bij de gemaakte opmerkingen over de gebleken noodzaak van het bergen van water. Hij is tevreden met de behoedzaamheid die het stuk uitstraalt ten aanzien van de gebruikers van een gebied. Evenals de heer Vooijs maakt hij zich zorgen over de rol van projectontwikkelaars, naar zijn mening zouden gemeenten eerder van hun voorkeursrecht gebruik moeten maken. Voorts merkt hij op dat planschade nog jaren later aanhangig kan worden gemaakt. Hij stemt in met het voorstel.
Mevrouw Meijer dankt voor de positieve reacties. Het is een moeilijk onderwerp: beslissingen over al dan niet aankopen moeten vaak per geval worden overwogen. Soms doen zich kansen voor, zoals in de MT-polder. Die percelen liggen weliswaar buiten het 1e fase-gebied, maar van de gelegenheid is toch gebruik gemaakt. Omdat DLG daar voor de provincie werkte is die dienst daar gecontinueerd, maar dat wil niet zeggen dat altijd voor DLG zal worden gekozen. Het stuk gaat weliswaar over de uitgangspunten voor het verkrijgen van de grond, maar ze begrijpt dat er soms verwarring is over de functies van locaties. De Driemanspolder bijvoorbeeld is bedoeld als piekberging, maar de inrichting als recreatieplas zorgt voor een multifunctioneel gebruik, waardoor er meerdere kostendragers zijn. Er staat altijd een basislaag water en de ruimte daarboven (flexibel peil) is bestemd voor de piekberging. Bij de inrichting zal dit nader worden uitgewerkt. Dit geldt overigens ook voor Zwaansbroek-west.
Over de vraag welk aandeel in de droogtebestrijding een seizoensbergingslocatie van een bepaald aantal m3 heeft zegt de heer Mooiman dat dit tot uiting komt in de Studie toekomstig waterbezwaar fase 2. In de afgelopen extreme periode zouden seizoensbergingen op zichzelf ontoereikend zijn geweest, maar bedacht moet worden dat seizoensbergingen een regionale functie hebben.
De commissie adviseert positief.
Het VV-besluit zal zodanig worden gewijzigd dat daaruit blijkt dat ook de commissie waterkwaliteit is gehoord.
Mevrouw Meijer schetst dat dit probleem al erg lang speelt. De scheepvaart in de Ringvaart stuwt het slib de kopsloten in, waarna het zich aan de uiteinden afzet. Voorgesteld wordt in een tiental sloten onderzoek te doen naar structurele maatregelen ter voorkoming daarvan.
Op een vraag van mevrouw Jong legt ze uit wat wordt verstaan onder kopsloten: dit zijn zijsloten van de Ringvaart, die alle doodlopend zijn tegen een weg. Tevens geeft ze een verklaring van dammen onder water danwel boven water.
De heer de Lange wijst er op dat een dergelijk probleem van opgestuwde bagger zich ook vaak voordoet in jachthavens. Daar wordt dan een sleepboot gebruikt die, door middel van de schroefkracht, de bagger wegspoelt. Hij geeft de suggestie deze methode ook in de kopsloten toe te passen. Mevrouw Meijer denkt dat de afmetingen van de kopsloten zich hiervoor niet lenen, bovendien is het verplaatsen van bagger ook het verplaatsen van een probleem.
De heer Burger ziet de ernst van het probleem en vindt de proef de moeite waard.
Ook de heer Alkemade stemt in met het voorstel. Met verwijzing naar het convenant vraagt hij of de aangelanden ook akkoord zijn.
De heer Wotte ziet onderscheid tussen preventieve en effectgerichte maatregelen. Van de effectgerichte ziet men meteen resultaat. Het resultaat van de voorgestelde preventieve maatregelen is mogelijk pas na jaren bekend. Tot dat moment zal het onduidelijk zijn of de proef is geslaagd. Overigens stemt hij in met het voorstel.
De heer Vooijs leest dat het benodigde bedrag € 100.000,-- is, waarvan ruim € 64.000,-- bestemd is voor kosten, te maken door het adviesbureau. Hij vindt dit onevenredig veel. De heer Mooiman verwijst naar de betreffende passage in het stuk, waarin staat dat met alle aangelanden persoonlijk moet worden overlegd en onderhandeld. Dit zal meteen het antwoord zijn op de vraag van de heer Alkemade.
De commissie adviseert positief.
Het VV-besluit zal zodanig worden gewijzigd dat daaruit blijkt dat ook de commissie waterkwaliteit is gehoord.
Tekstueel: Op pagina 3 wordt in regel 7 pagiina vervangen door pagina. Met deze wijziging wordt het verslag vastgesteld.
Naar aanleiding van:
Tijdens de rondvraag had de heer Vooijs een vraag gesteld over het rentepercentage van 8 voor een lening ten behoeve van het laboratorium. Hij las dit in het verslag van de SBG. De heer v.d. Nagel zou nagaan waarom dat percentage zo hoog is, maar spreker heeft nog geen antwoord ontvangen.
(Noot van de adjunct-secretaris: het betreft hier een lening voor de stichtingskosten van het laboratorium, ongeveer 10 jaar geleden. Op dat moment was de rentevoet hoger dan nu het geval is.)
De heer Alkemade constateert dat het stuk uit twee delen bestaat: het originele NBW en de vertaling voor Rijnland daarvan. Voor dit laatste deel heeft hij veel waardering. Bij de tekst over gemeentelijke waterplannen leest hij dat de gemeente Katwijk overweegt nu te starten met behulp van een adviesbureau en, als het niet anders kan, zonder Rijnland. Dit verbaast en verontrust hem. De contacten met gemeenten lijken toch altijd positief. Als inwoner van Katwijk geeft de heer Vooijs een verklaring: Ook in Katwijk is de grondwaterproblematiek aan de orde. In de gemeentelijke politiek is dit hoog op de agenda geplaatst en is Rijnland gevraagd snel tot een waterplan te komen. Toen bleek dat aan deze wens niet onmiddellijk kon worden voldaan is het idee geopperd daarvoor dan een adviesbureau in te schakelen. Mevrouw Meijer vult aan dat het niet zo hard is als in het stuk valt op te maken. De Rijnlandse capaciteit m.b.t. het opstellen van waterplannen kent evenwel zijn grenzen. Toch staat het waterplan Katwijk voor 2004 gepland.
Voorts komt de heer Alkemade terug op de verwarring die de staatssecretaris heeft gesticht met haar uitspraken over (het ontbreken van) het nut van bergingslocaties. Deze zouden de visie, verwoord in het NBW, alweer ter discussie stellen. Zowel mevrouw Meijer als de heer Mooiman geven aan dat het in de toekomst nodig zal zijn structureel water uit het oosten van Nederland naar Holland te laten komen. Dit moet worden gezien in combinatie met de inrichting van seizoensbergingslocaties; de ene mogelijkheid sluit de andere dus niet uit.
De heer Burger leest op pagina 1 een passage over een besparing van € 100 miljoen en over consequenties voor de wijze van inning. Hij mist de onderbouwing van dat forse bedrag en vraagt voorts naar de stand van zaken in deze ontwikkeling. De heer Mooiman denkt dat we in de komende jaren rekening moeten houden met een discussie over het zelfstandig bestaansrecht van waterschappen. Het is onderwerp van gesprek in het Interdepartementaal Overleg. Voorts signaleert de heer Burger een terughoudende opstelling van de provincie Noord-Holland m.b.t. bergingslocaties. De heer Mooiman geeft een toelichting op het daarover spelend krachtenspel; bij dit verslag zal de brief aan GS worden gevoegd.
Naar aanleiding van een opmerking van de heer de Lange over de regiobijeenkomsten, vermeld op pagina 8/9, wordt de intentie uitgesproken dat de VV-leden op de hoogte worden gebracht van datum en locatie van die bijeenkomsten. Mevrouw Meijer zal dit in D&H bespreken.
Naar aanleiding van een opmerking van de heer de Lange geeft de heer Mooiman een toelichting op de stand van zaken betreffende het PCT-terrein.
De heer Mooiman verwijst naar de opmerking dat dit onderwerp zal worden behandeld in de informatieve VV van november. Gezien de agenda voor die bijeenkomst zal dit vermoedelijk worden uitgesteld.
De commissie heeft hiervan kennis genomen.
Evenals het college is de commissie van mening dat een beluchtingsinstallatie in feite symptoombestrijding is en geen duurzame oplossing. Gesteld moet evenwel worden dat zon installatie uitstekend functioneert.
De commissie heeft hiervan kennis genomen.
Via o.a. de informatieve VV van augustus alsmede een aantal statusrapportages (waarvan de laatste zaterdag j.l. verscheen) zijn de hoofdingelanden voortdurend op de hoogte gehouden van de maatregelen, ter bestrijding van de gevolgen van de droogteperiode.
De commissie heeft hiervan kennis genomen.
Met uitzondering van de heer Wotte, die het collegestandpunt steunt, is de commissie het niet eens met de gekozen voortzetting. In de vorige VV is een plan tot afkoppelen vastgesteld, inclusief een subsidiemogelijkheid. Kennelijk om juridische redenen wordt een beperking aangebracht. Andere waterschappen in Nederland hebben al geruime tijd een subsidieregeling en het is niet te begrijpen waarom Rijnland een afwijkende houding aanneemt.
Mevrouw Meijer geeft aan dat slechts is afgezien van het in het leven roepen van een officiële subsidieregeling, gepaard gaand met een formele procedure. Als gemeenten zich aandienen zal, volgens de gemaakte afspraken, een financiële bijdrage worden gegeven. Het is niet te verwachten dat zich in één jaar veel gemeenten zullen melden. De communicatie met de gemeenten over dit onderwerp vindt trouwens via de gebruikelijke weg plaats. Als leden echt problemen met de keuze van het college hebben kunnen zij dat in de aanstaande VV melden.
Mevrouw Meijer geeft aan dat het onderzoek veel tijd heeft gekost. Het resultaat van de toets is voor Rijnland zeer goed en daarover mogen we erg tevreden zijn.
Met complimenten voor het resultaat heeft de commissie hiervan kennis genomen.
Mevrouw Meijer wijst op een fout op bladzijde 2: in het schema voor de commissie waterkwaliteit staat als datum 12 februari vermeld, dit moet zijn 11 februari.
De heer de Lange vindt de datum voor de thema-VV in mei ongelukkig: 19 mei is de vooravond van Hemelvaartsdag. Mevrouw Meijer neemt dit mee naar D&H.
Mevrouw Meijer herinnert aan eerdere plannen om in deze commissie uitleg te laten geven over vergunningverlening aan (export-)bollenspoelbedrijven. Dit kan eventueel worden gecombineerd met een bezoek aan een dergelijk bedrijf. Gezien de agenda is oktober niet mogelijk, het zou dus tijdens de commissie-bijeenkomst van 10 december kunnen. Op haar vraag of daar belangstelling voor is reageert ieder positief.
De heer Vooijs wijst op punt X.f (Boezemuitbreiding Bollenstreek) van de VV-agenda, dat niet voor deze commissie is geagendeerd. Toch wil hij er nu graag op reageren. In het stuk wordt gesproken over het Keukenhofbos en over de Haarlemmertrekvaart, over de ecologische verbindingszône en over natuurvriendelijke oevers. Over dit laatste aspect merkt hij op dat waterplanten en riet een waterzuiverende werking hebben. Op het verkeerde tijdstip maaien of het aanbrengen van steigers kan nadelig zijn voor de flora en fauna. Een aantal maanden geleden bijvoorbeeld is in een watergang vissterfte opgetreden als gevolg van te vroeg maaien. Hij pleit ervoor het beheer en onderhoud van natuurvriendelijke oevers in een handboek vast te leggen.
De heer Mooiman zegt dat enige tijd geleden aan de VV een notitie is aangeboden over de stand van zaken m.b.t. natuurvriendelijke oevers. Een stuk over de criteria voor aanleg en onderhoud is in voorbereiding. Zo mogelijk zal hij de heer Steegh van de stand van zaken op de hoogte brengen, opdat in de aanstaande VV actuele informatie kan worden verstrekt.
De heer de Lange merkt op dat de staatssecretaris van VROM van plan is de normen voor bodemverontreiniging aanzienlijk te verruimen. Het zou mogelijk zijn dat die beleidslijn wordt doorgetrokken voor zuiveringsslib, waardoor dat wellicht zou kunnen worden verwerkt. Zijn vraag naar de consequenties voor Zuiveringsslib DRSH kan nu niet worden beantwoord; de heer Mooiman speelt dat door naar de directeur van de sector Werken.
Mevrouw Meijer dankt ieder voor de inbreng en sluit de vergadering om 11.35 uur.
Aldus vastgesteld in de bijeenkomst van de Commissie Waterkwaliteit d.d. 8 oktober 2003.
