VI Herinrichting Leidschendam; waterberging Nieuwe Driemanspolder
VII Vaststellen definitief ontwerp-peilbesluit Boezem
XI Kaderrichtlijn water; karakterisering waterlichamen
XII Krediet influentbuffer awzi Noordwijkerhout
XIII Krediet awzi Waddinxveen-Randenburg
XVI Verslag vorige commissievergadering d.d. 16 juni 2004
b. Stedelijk waterplan Haarlem
2. Memo sector Werken over krediet wandbeplating awzi's Randenburg, Aalsmeer en Nieuwe Wetering
3. Memo sector Werken over inhaalslag procesautomatisering
4. Notitie over beleidsplan DRSH Zuiveringsslib
Mevrouw Meijer opent om 9.05 uur de vergadering en heet ieder welkom. Zij deelt mede dat de heren Alkemade, Baas en v.d. Nagel zich voor deze vergadering hebben afgemeld.
De heer Vooijs stemt in met het voorstel. Hij hoopt dat de beschreven strategie leidt tot tijdige grondverwerving.
Ook de heer de Lange stemt in met het ambitieuze plan.
Mevrouw Jong is het eens met de strategie van volledige schadeloosstelling bij vrijwillige verkoop. Dit zal kostenverhogend werken, waar een subsidie tegenover staat. Op haar vraag hoe die twee zich tot elkaar verhouden antwoordt mevrouw Meijer dat de subsidie een bijdrage is en niet kostendekkend zal zijn. Desgevraagd antwoordt de heer Mooiman dat de kosten voor de waterstaatkundige voorzieningen ook onder deze regeling vallen.
De heer Burger stemt in met het voorstel. Hij wijst er evenwel op dat de aankoopkosten niet precies bekend zijn en er in mindere mate sprake is van een open eind-regeling. Verwijzend naar het nu lopende onderzoek naar de budgetoverschrijdingen voor de Betuwelijn en de HSL zegt hij iets dergelijks hier te willen vermijden.
De commissie adviseert positief.
Mevrouw Jong verwijst naar voorgaande discussies over dit onderwerp, waarin zij reeds akkoord ging. Op haar opmerking dat ze de bufferzone in de Bollenstreek mist zegt mevrouw Meijer dat deze juist uit dit peilbesluit is gehouden en thuis hoort in het aparte deel voor 'peilvakken de Zilk'. Voorts vraagt mevrouw Jong meer aandacht voor flexibel peilbeheer, waar dat mogelijk is, bijvoorbeeld in bepaalde natuurgebieden. Mevrouw Meijer zegt dat dit wordt onderzocht bij specifieke projecten.
De heer de Lange stemt in met het voorstel, maar vindt het verschil tussen zomer- en winterpeil van drie centimeter aan de magere kant. Voorts leest hij dat het inlaten van gebiedsvreemd water liever niet wordt toegepast, maar soms wel noodzakelijk is om de gevolgen van de lozing van de awzi's te compenseren. Hij vindt dat daar meer aandacht aan moet worden besteed. Op een opmerking van mevrouw Meijer over het lozingenbeleid awzi's zegt spreker te doelen op maatregelen aan de bron.
De heer Burger gaat akkoord. Hij begrijpt echter niet de samenhang in de teksten op de pagina’s 52, 68 en 69 van het hoofdrapport inzake het onderwerp ‘flexibel peilbeheer’. Op pagina 68 staan argumenten genoemd waarom verhoging van het zomerpeil ongewenst is. Pagina 69 vermeldt dezelfde argumenten tegen verlaging van dat peil. Dat is naar zijn mening niet mogelijk. Mevrouw Meijer geeft aan dat het hier niet gaat om argumenten voor of tegen verhoging of verlaging van zomer- of winterpeil, maar dat het handelt over het onderwerp ‘flexibel peilbeheer’.
Voorts verwijst hij naar het lozingenbeleid awzi’s, dat een verbetering van ca. 10% moet opleveren. Op zijn vraag of na realisering daarvan met betrekking tot flexibel peilbeheer of inlaten van gebiedsvreemd water tot andere conclusies zou worden gekomen antwoordt mevrouw Meijer dat de stoffen in effluent enerzijds en in ingelaten water anderzijds erg van elkaar verschillen. Het ingelaten water bevat bijvoorbeeld stoffen die nadelig zijn voor veengronden. Bovendien hangt de behoefte aan het inlaten van water sterk af van de aard van de zomer; het jaar 2003 is daar een sterk voorbeeld. van.
Tenslotte uit de heer Burger zijn waardering voor de wijze waarop de stukken zijn samengesteld. Het is erg veel, maar het blijft overzichtelijk.
De heer Vooijs stemt in met het voorstel, maar vraagt aandacht voor bijzondere gebieden.
De heer Kerssens vindt de onderbouwing degelijk, maar de uitkomst teleurstellend. Hij had gehoopt op een verandering van de tegennatuurlijke situatie. Flexibel peilbeheer is weliswaar voor de boezem problematisch, maar het omdraaien van zomer- en winterpeil is zonder schade mogelijk. Dit zou dan een kleine stap zijn op weg naar een meer natuurlijk beheer. Hoewel de landbouw een steeds beperkter aandeel in de inkomsten van Rijnland levert wordt het peilbeheer nog steeds op die categorie afgestemd. Voor wat betreft zijn stem in de VV maakt hij nog een voorbehoud.
Behoudens het voorbehoud van de heer Kerssens adviseert de commissie positief.
De heer Vooijs vindt het positief dat de legger wordt vastgelegd in het GIS-systeem. Voorts stelt hij met instemming vast dat rekening is gehouden met ontwikkelingen als klimaatverandering, grondgebruik en uitbreiding van het boezemgemaal Katwijk.
Met betrekking tot de ingebrachte reacties hoopt hij op een goed overleg met Rijkswaterstaat inzake het aquaduct in de A4 ter plaatse van de Oude Rijn. De gemeente Gouda heeft gesteld dat door de leggerafmetingen van de stadsgrachten de recreatie- en beroepsvaart aldaar onmogelijk zou worden gemaakt. Hij vraagt nadere uitleg daarover.
Mevrouw Meijer zegt hierop dat Gouda liever had gezien dat wordt gebaggerd op een diepte, die geschikt is voor de recreatie- en beroepsvaart. De legger, gebaseerd op waterstaatkundige criteria, voorziet daar niet overal in. Bij voorgenomen baggerwerkzaamheden is dus overleg en samenwerking tussen waterbeheerder en vaarwegbeheerder van belang.
De heer Burger maakt zich meer zorgen over de stadsgrachten in Gouda dan over het aquaduct in de A4.
Mevrouw Meijer geeft met betrekking tot Gouda nog aan dat eerdere afspraken over baggeren waren gebaseerd op de oude legger. De voorliggende legger resulteert evenwel in mindere baggerhoeveelheden. Binnenkort is er overleg met de gemeente; ze verwacht dat beide partijen er wel uit zullen komen.
De heer Burger stemt overigens in met het voorstel.
De heer de Lange heeft waardering voor de wijze waarop Rijnland dit heeft aangepakt. In het verleden was er regelmatig kritiek op (het gebrek aan) de voortgang van de totstandkoming, maar alle gebleken benodigde voorbereidingen en de wijze waarop met de inspraak is omgegaan geven hem de indruk dat er een gedegen stuk ligt.
De heer Kerssens mist het kaartmateriaal. VV-leden hebben ook een signalerende functie en bovendien worden ze vaak in hun omgeving over ‘water’ aangesproken. Het zou goed zijn dan over een kaart te beschikken, waar alle boezemwateren op staan aangegeven.
Naar aanleiding van deze opmerking toont de, ter informatie bijgeroepen, heer de Groot (adviseur bij de afdeling Watersystemen) een aantal kaarten. Een daarvan is een overzichtskaart, waarop de primaire wateren staan aangegeven. Vijftien andere kaarten zijn de detailkaarten, met vermelding van alle kleinere wateren. Een aantal commissieleden vraagt om een detailkaart van hun woonomgeving. De heer de Groot geeft aanvullend aan dat alle informatie via de website is te raadplegen.
Mevrouw Jong gaat akkoord, al schiet haar waterstaatkundige kennis tekort om de leggerafmetingen te kunnen beoordelen. Het antwoord aan de gemeente Gouda vindt ze erg formeel geredigeerd, wat een starre reactie bij de gemeente kan oproepen.
De commissie adviseert positief.
Mevrouw Meijer geeft in een inleiding aan dat dit onderwerp onlangs in de informele VV is besproken. Zoals uit het stuk blijkt zijn de adviezen verwerkt. D&H heeft gekozen voor een scenario van 20 jaar. Toelichtend zijn ook de scenario's voor 10, 15 en 25 jaar weergegeven, met de daarbij behorende effecten voor de tarieven. Tevens is het baggerprogramma voor de periode 2005-2009 concreet uitgewerkt.
Mevrouw Jong leest in het VV-voorstel op pagina 7 (4e gedachtenbolletje) dat de toplaag in de polder schoner is dan de toplaag in de boezem. Ze vraagt een verklaring daarvoor. Op pagina 8 staat dat 60% van de baggerhoeveelheid klasse 3 of 4 is. Omdat ze heeft begrepen dat de slufter nog tot 2012 beschikbaar is, heeft dit gevolgen voor de afzet van deze vervuilde bagger. In dat geval zou het raadzaam zijn de baggerwerken met klasse 3 en 4 vóór 2012 uit te voeren. De heer Mooiman zegt dat het een misverstand is als verondersteld wordt dat de slufter in 2012 vol zal zijn of om een andere reden wordt gesloten; met de tekst wordt bedoeld dat de voorkeurs-overeenkomst over storten in de slufter in 2012 afloopt. Daarna zijn we een van de klanten. Met betrekking tot de financieringsparagraaf op pagina 10 vraagt ze of deze is gebaseerd op het principe 'de vervuiler betaalt'. De tabellen op pagins 12 geven de financiële consequenties weer per categorie. Met het gunstig effect voor 'ongebouwd' ten opzichte van de overige categorieën gaat ze niet akkoord.
Met betrekking tot deze laatste opmerking zegt mevrouw Meijer dat het hier om een verhelderende indicatie gaat. De kostentoedeling, die hiervoor als basis is gebruikt, maakt geen onderdeel uit van dit besluit en staat nu ook niet ter discussie.
Het D&H-voorstel gaat uit van een scenario van 20 jaar. Mevrouw Jong vindt dit te lang. Ze realiseert zich evenwel ook dat kortere perioden te hoge tarieven veroorzaken. Ze stelt voor de financieringsmethodiek zodanig te wijzigen dat niet (alleen) wordt betaald uit het baggerfonds, maar ook het inmiddels gebaggerde werk wordt afgeschreven. Hiermee wordt bereikt dat de bateling van de kosten van een kortdurender scenario over een langere termijn wordt gespreid. Ze overweegt hierover in de VV een amendementsvoorstel in te dienen. De heer Mooiman zal navraag doen of hiervan een financiële doorrekening is te maken en overlegt, samen met mevrouw Meijer, met de dijkgraaf over de wijze van aanbieding aan de VV-leden.
De heer Kerssens refereert aan de aannamen voor aanwas van bagger. Hij zegt te hopen dat de natuur zich hieraan houdt. Mevrouw Meijer erkent deze onzekerheid en zegt dat altijd zal worden nagegaan wat de realiteit is. Voorts leest de heer Kerssens op pagina 11 dat een korter scenario rekening houdt met een minder jaarlijkse aanwas. Dit is niet juist: de jaarlijkse aanwas is een vast gegeven, los van elk scenario. Bedoeld zal worden: 'de totale aanwas'. Met betrekking tot het afzetbeleid, vermeld op pagina 17, merkt hij op dat over dit onderwerp de ontwikkelingen niet stil staan. Hij pleit ervoor elk project afzonderlijk bij de VV aan te melden.
Ten aanzien van het voorgestelde VV-besluit merkt hij op: 1) '.... voor 2025 op leggerdiepte te brengen.' Hij ziet die termijn graag korter. 2) Als door spreiding van de kortere termijn-kosten de bedragen gelijk blijven gaat hij akkoord. 3) Hij gaat slechts akkoord met de kolommen onder de kop 'cumulatief effect op de tarieven in € volgens KTV 2005'; de verdeling over de categorieën heeft immers niet zijn instemming. 4) Ervan uitgaande dat de slufter beschikbaar blijft: akkoord. 5) Akkoord. 6) Niet akkoord, want hij wenst een versnelling. 7) Akkoord, mits per project aan de VV wordt voorgelegd en gebruik wordt gemaakt van de moderne technologie. 8) Akkoord. 9) Akkoord.
De heer de Lange vond de informele VV van 25 augustus zeer verhelderend. Hij pleit voor het 20-jarig scenario. Reden hiervoor is dat verwacht mag worden dat het landelijk beleid met betrekking tot afvalstoffen (waaronder bagger klasse 3 en 4) zal worden versoepeld en bovendien op langere termijn kan worden ingespeeld op betere verwerkingstechnieken.
Evenals mevrouw Jong en de heer Kerssens wil de heer Burger het programma versnellen. Hij streeft naar een 10-jarig, maximaal een 15-jarig scenario. Zijn definitief standpunt zal hij echter innemen nadat de financiële doorrekening hiervan bekend is. Voorts leest hij op pagina 7, onder 4.2, het derde gedachtenbolletje, dat de baggerhoeveelheden zijn geraamd exclusief de meren en plassen. Op zijn vraag of hierdoor de totale baggerhoeveelheid nog zal worden vergroot antwoordt de heer de Groot dat de meren en plassen kwantitatief op diepte zijn en qua diepte ook kwalitatief geen problemen opleveren. Om die redenen is baggeren niet nodig. Dit zou wel aan de orde kunnen komen bij een integraal project, zoals in de Nieuwkoopse plassen of in de Geerplas. Dan is er sprake van een specifieke zaak.
De heer Vooijs was het oorspronkelijk eens met het 20-jarig scenario, maar wacht met belangstelling de financiële doorrekening van de 'afschrijvingsmethodiek' af. Alvorens hij een definitief standpunt inneemt wil hij ook vernemen wat in de andere commissies is besproken. Hij pleit er tevens voor goed naar de burger te communiceren wat het belang van baggeren is en welke kosten daarmee gemoeid zijn.
Ingaand op de nog niet beantwoorde vragen zegt mevrouw Meijer dat door meting inderdaad is gebleken dat de toplaag in de polder schoner is dan in de boezem. Dit duidt erop dat het systeem kwalitatief verbetert. Een oorzaak kan ook zijn dat de boezem meer soorten vervuiling (b.v. door overstorten) te verwerken krijgt dan de polder. Bij de kostenverdeling wordt inderdaad het principe 'de vervuiler betaalt' gehanteerd.
De heer Vooijs stelt vast dat er na de oorspronkelijke 137 typen waterlichamen uiteindelijk 8 resteren. Hij is het eens met de 'van grof naar fijn'-benadering. Over het begrip 'at risk-wateren' wil hij graag een verklaring.
De heer Burger herinnert eraan dat dit stuk eigenlijk in juni aan de orde zou komen, maar toen is doorgeschoven naar de september-VV. Voor deze VV zou 'menselijke belasting' worden geagendeerd. Hij vraagt zich af of de planning hierdoor in gevaar komt.
De heer de Lange stemt in met het voorstel. Hij is het eens met de gedachte de zaak niet te detaillistisch aan te pakken. Werken van grof naar fijn is beter dan omgekeerd.
De heer Kerssens meent dat over dit stuk in juni al uitvoerig is gepraat en hij daar in beginsel weinig aan heeft toe te voegen. De reden van doorschuiven naar de huidige VV-vergadering was een pas ontvangen brief van de staatssecretaris over een gedetailleerder benadering. Hij ziet hierover in het voorliggende stuk weinig terug. Voorts leest hij op pagina 7 dat emissies vanuit de landbouw zullen afnemen, als gevolg van het nieuwe mestbeleid. Hij vraagt zich af of dat werkelijkheid wordt.
Mevrouw Jong hoopt dat de gebruikte typologie van Alterra landelijk wordt toegepast, dit in verband met de eenduidigheid. Ze stemt in met de benadering 'van grof naar fijn', maar wijst op het gevaar dat hierdoor onze pareltjes, de natuurgebieden, onvoldoende of geen aandacht krijgen. Dit mag naar haar mening niet gebeuren. De heer Mooiman vult hierop aan dat er een brief is ontvangen van de Milieufederatie over ditzelfde onderwerp. Na bespreking in D&H gaat de brief naar de VV.
Projectleider Gerrits gaat in op de gestelde vragen en gemaakte opmerkingen. Het aantal waterlichamen bedroeg in Rijn-west aanvankelijk 137. Al snel werd dit gereduceerd tot 18 typen voor Rijnland. Bestuurlijk is toen besloten niet uit te gaan van het totale watersysteem, maar van het hoofdsysteem, waardoor het aantal verlaagde tot 8. De overige 10 worden beschouwd als virtuele waterlichamen, die wel in de beschouwingen worden meegenomen. Er wordt in Rijn-west-verband nog gediscussieerd over de vraag hoe moet worden omgegaan met de kleine watergangen. Op basis van veel parameters is vrijwel geheel Rijn-west als 'at risk' aangeduid. De planning is inderdaad onder druk komen te staan, maar de verwachting is dat de rapportage nog juist binnen de grenzen haalbaar is. De brief van de staatssecretaris houdt in dat gedetailleerder te werk moet worden gegaan, terwijl het ambitiedocument die benadering juist niet voorstaat. Tevens is er nog een audit-commissie in het leven geroepen, die meent dat een aanvankelijk grove benadering de beste methode is. De Alterra-typologie wordt landelijk gebruikt. Om het laten verdwijnen van de waterparels te voorkomen worden deze meegenomen bij de beoordeling van de kleine wateren alsmede bij de hantering van de Habitat-richtlijn.
De commissie adviseert positief.
Mevrouw Jong mist in de inleiding wat het eigenlijke probleem is. Mevrouw Meijer licht toe dat de awzi te weinig capaciteit heeft en door de buffering de aanvoer tijdens piekuren tijdelijk wordt opgeslagen om gedurende rustiger momenten alsnog naar de zuivering af te voeren. Tot het vervallen van de awzi Noordwijkerhout is dit een goede oplossing.
De heer de Lange neemt met instemming kennis van deze opvangmogelijkheid in de vorm van een kunststof zak. Hij heeft al eerder gepleit om deze relatief eenvoudige oplossing toe te passen in plaats van dure bergbezinkbassins en vraagt deze methode breed uit te dragen.
De commissie adviseert positief.
De heer Vooijs gaat ervan uit dat het benodigde bedrag zal verminderen met de opbrengst van de grond van de af te stoten awzi.
De heer Burger vindt het, in tegenstelling tot wat in Zoeterwoude is gebeurd, positief dat er vooraf overeenstemming is bereikt over de kostenverdeling. Op zijn vraag of de awzi zal voldoen aan het lozingenbeleid awzi's antwoordt mevrouw Meijer bevestigend; aanvullende zandfilters zijn dan ook niet nodig.
De heer Kerssens is akkoord, maar verbaast zich over de hoge investeringskosten per i.e. Een vuistregel was ca. 500 gulden per i.e., hier wordt gesproken over 400 euro. Wellicht komt dit door de relatief kleine installatie en het feit dat het een uitbreiding is.
Mevrouw Jong leest dat uitgegaan is van een rentepercentage van 5. Dit vindt zij hoog, de hypotheekrente is al jaren lager.
De commissie adviseert positief.
Tekstueel
Het verslag wordt, na correctie van een tweetal typefouten, vastgesteld.
Naar aanleiding van
Op een vraag van de heer de Lange over de bijeenkomst voor gemeenten op 28 juni, in het kader van riolering (punt X.b) zegt mevrouw Meijer dat deze redelijk succesvol was. De vertegenwoordiging bestond voornamelijk uit deskundige ambtenaren en in mindere mate uit bestuurders. De bijeenkomst had in het algemeen een informatief karakter.
De commissie uit complimenten voor de wijze van verslaglegging van haar vergaderingen.
De commissie heeft hiervan kennis genomen.
Mevrouw Meijer vult aan dat er op dinsdag 14 september een informatieavond is over het waterplan.
Het onderwerp komt terug in de december-VV. Aanvankelijk was bedacht in juni voor de commissies waterstaat en waterkwaliteit een excursie te organiseren naar Haarlem, opdat een concreter beeld kan worden verkregen. Die kon toen niet doorgaan. Mevrouw Meijer zegt dat die mogelijkheid er nog in december is, tussen de vergaderingen van beide commissies. Op haar vraag blijkt dat de commissieleden hier positief tegenover staan.
Geen.
De commissie stemt in met het voorstel.
De commissie stemt in met het voorstel.
De commissie stemt in met het voorstel.
De heer Vooijs verwijst naar de aanzienlijke hoeveelheden neerslag in de maand augustus. Op zijn vraag of deze omstandigheid tot problemen voor Rijnland heeft geleid zegt de heer Mooiman dat in enkele stedelijke gebieden wateroverlast is ontstaan, omdat de riolering de neerslag niet kon verwerken. Ten aanzien van het boezembeheer heeft de neerslag niet tot problemen geleid.
Gesproken wordt over het artikel in het Leidsch Dagblad van gisteren over het Parijs-reisje door college en MT. De commissie vindt de ophef hierover buiten proporties en meent dat de berichtgeving over dit onderwerp het niet waard is er in de VV op terug te komen. De commissie adviseert de VV-leden overeenkomstig.
Mevrouw Jong begrijpt dat de volgende vergadering van deze commissie voor 20 oktober staat gepland. Dit is in de herfstvakantie en dus ongelukkig. Ze stelt voor de commissievergaderingen, en dus ook de VV, van oktober een week op te schuiven. Gezien de krappe planning geeft mevrouw Meijer dit weinig kans, maar ze zal het in D&H bespreken.
Mevrouw Meijer dankt ieder voor de inbreng en sluit de vergadering om 12.20 uur.
