VIII Evaluatie WBP 2000 - 2004
IX Verwerking Rijnlands afvalwater door Delfland
X Onderbouwing wateropgave Noord Holland
XI Actualisatie Nota Handhaving
XIV Verslag vorige commissievergadering d.d. 8 september 2004
b. Rapportage overleg met Kring Boskoop en Vaste Plantencommissie WLTO
c. Regionale zoetwaterverkenning
d. Herstelplan Reeuwijkse Plassen; plan van aanpak fase I uitvoering
De heer v.d. Nagel opent om 9.00 uur de vergadering en heet ieder welkom. Hij deelt mede dat de heer Burger zich voor deze vergadering heeft afgemeld. Van de heer Kerssens wordt aangenomen dat hij al buitenlands is. Algemeen Directeur v. Wijk is aanwezig in verband met punt IX.
Inleidend zegt de heer v.d. Nagel dat het uitgebreide stuk een opsomming geeft van wat we ons hebben voorgenomen, wat tot stand is gebracht en wat we in de periode van duurverlenging alsnog willen realiseren.
De heer Vooijs constateert dat de evaluatie in het algemeen positief is. Op een aantal punten blijven de resultaten evenwel achter bij de verwachtingen. Zo leest hij op pagina 6 dat eutrofiëringsbestrijdingsmaatregelen en annex het drijflagenonderzoek de planning niet halen. Op pagina 9 staat dat onderzoek naar bestrijdingsmiddelen en microverontreinigingen niet is uitgevoerd omdat een toetsingskader ontbrak. Voorts wordt op pagina 14 vermeld dat bepaling van de gewenste grondwaterstand nog niet mogelijk is omdat het daarvoor benodigde instrumentarium nog ontbreekt. Een laatste opmerking heeft hij over het feit, genoemd op pagina 56, dat de investeringen voor gebiedsgerichte RO-projecten ver achter blijven bij de ramingen.
De heer Baas zegt dat het stuk zó uitgebreid is dat hij niet in staat is geweest het in z'n geheel te lezen. Een ordening in de vorm van een aantal overzichtsstaatjes zou de leesbaarheid ten goede komen.
De heer de Lange sluit zich aan bij de opmerking van de heer Baas. Voorts leest hij op pagina 2 iets over terugdringing van het aantal onderbemalingen. Hij vreest echter dat dit aantal eerder zal toenemen, wat voor het onderhoud kostenverhogend zal werken. Het zou goed zijn dit fenomeen in de toekomst goed te reguleren. Hij ziet dit onderwerp in combinatie met een opmerking elders dat de relatie tussen peilbeheer en gewasopbrengst nooit is onderzocht. Hij pleit ervoor dit onderzoek te starten. Tenslotte hoopt hij dat het meetprogramma, waar de heer Vooijs op duidde, alsnog wordt uitgevoerd.
De heer Alkemade vindt het een goed stuk met goede analyses, dat evenwel veel tijd vergde om er goede aandacht aan te besteden. Alvorens hij er inhoudelijk op in gaat merkt hij op dat het stuk is geagendeerd als een evaluatie van 2000 tot en met 2004. Op pagina 2 leest hij echter ook dat het nieuwe bestuur de activiteiten tot 2006 zal moeten onderschrijven. Dit gaat verder dan een evaluatie. In verband met continuïteit van bestuur kan hij zich een voortzetting in 2005 voorstellen, maar 2006 gaat te ver.
Met betrekking tot onderzoek naar flexibel peilbeheer wijst hij op toepassing in polder de Noordplas: in een dergelijk kleigebied is dat beheer wellicht mogelijk. In een veengebied is daar geen sprake van. Ingaand op de opmerking van de heer de Lange zegt hij dat de financiële relatie tussen gewasopbrengst en peilbeheer wel bekend is: bij een vermindering van de drooglegging van 0,60 m tot 0,40 m is de derving aan grasopbrengst € 200,- per ha.
Op pagina 27 leest hij een passage over de zoetwatervoorziening voor Boskoop. In het kader van zoetwatervoorziening in het algemeen refereert hij aan de droge zomer van 2003. Naar zijn mening moet Rijnland op een dergelijke situatie anticiperen en streven naar een structurele zoetwatervoorziening vanuit het IJsselmeer. Het is beter actief te zijn dan lijdzaam af te wachten wat anderen doen.
In dit licht bezien wijst hij ook op de Kaderrichtlijn Water. Als het bijvoorbeeld gaat om de normen voor waterlichamen is Rijnland hier druk mee bezig; maar dat geldt ook voor andere gremia, zoals de provincie. Hij vindt het van belang dat de VV-leden volledig zijn geïnformeerd zodat we niet de kans lopen met een besluit van bijvoorbeeld de provincies te worden geconfronteerd waar we dan geen invloed meer op kunnen uitoefenen. De aanbieding aan Brussel moet immers in december gebeuren; na die van volgende week is er tot dat moment nog maar één VV.
Mevrouw Jong onderschrijft de gedachte dat er een overdrachtsdossier moet komen. Op pagina 5 staat dat het baggerprogramma is uitgesteld vanwege de gevoerde ‘nut en noodzaak-discussie’. Naar haar mening geldt dat voor D&H, want vanuit de VV is steeds aangedrongen op versnelling. Genoemde discussie is niet met de VV gevoerd. Mevrouw Meijer bestrijdt dat: over baggeren is regelmatig met de VV gesproken, ‘criteria watergangen’ is daarvan een onderdeel. Met betrekking tot de zwemwaterrichtlijn wijst mevrouw Jong erop dat de ANWB dit tot speerpunt heeft benoemd.
Ingaand op de gemaakte opmerkingen en gestelde vragen concludeert de heer v.d. Nagel dat de evaluatie in het algemeen door de leden positief is ontvangen, zij het dat het stuk moeilijk leesbaar is. Er komt trouwens nog een kort financieel overzicht. Eutrofiëringsbestrijding en een onderzoek naar drijflagen vormen een onderwerp dat inderdaad snel ter hand moet worden genomen. Onderbemalingen moeten zijn geregeld met een vergunning; zoniet dan kan handhavend worden opgetreden. Proeven met flexibel peilbeheer zullen doorgaan; daarbij zijn we ons bewust van de discussies rond mogelijke opbrengstderving. Naar de mogelijkheden van zoetwateraanvoer wordt studie gedaan, inclusief de aanvoer vanuit het IJsselmeer.
Antwoordend op de opmerking van de heer Alkemade over de KRW zegt de heer Mooiman dat de VV in september de waterlichamen heeft vastgesteld. Dat is het document dat in december naar Brussel gaat. Het is een gezamenlijk stuk van de waterbeheerders, de provincies en het rijk; het is uitgesloten dat een van de partijen daar eenzijdig verandering in aanbrengt.
Over het nog ontbreken van meetmethoden voor bijvoorbeeld bestrijdingsmiddelen zegt de heer Mooiman dat het hier gaat om Europese methoden, in het kader van de KRW. De oorzaak ligt dus niet bij Rijnland maar in de opschaling naar Europees niveau. Mevrouw Meijer vult nog aan dat Rijnland wel eigen meetprogramma’s heeft, zoals in de bollenteelt- en de boomteeltgebieden. In de witte vlekken is dus meer bekend dan wordt gesuggereerd.
De heer Mooiman gaat vervolgens nog in op de opmerkingen over berichtgeving door de ANWB over de zwemwaterkwaliteit. In een gesprek met de provincie en de betrokken dijkgraven heeft de ANWB erkend dat de berichtgeving tendentieus was, bijvoorbeeld met betrekking tot de keuze van de meetpunten en het moment van meten.
De heer van Wijk geeft een uitvoerige toelichting. De discussie over dit onderwerp is al gestart in 1996, toen het Rijk aan Delfland meldde dat de lozing op de Noordzee door de awzi Houtrust ontoelaatbaar was. Het rendement was immers slechts 22 procent. Toen is besloten de awzi Harnaschpolder te bouwen. In het verleden zijn met Delfland altijd goede afspraken gemaakt over de kosten die worden doorberekend voor de verwerking van afvalwater vanuit Zoetermeer, Leidschendam en Wassenaar. Een breuk in deze afspraken ontstond toen Delfland enerzijds en Schieland en Rijnland anderzijds een verschillend kwijtscheldingsbeleid gingen voeren, waardoor van andere hoeveelheden v.e.’s werd uitgegaan. Uiteindelijk zijn daarover afspraken gemaakt.
Over de situatie in Zoetermeer is ook overeenstemming bereikt, in die zin dat het maatschappelijk financieel voordeel over de drie partijen (Delfland, Schieland en Rijnland) wordt verdeeld.
Voor wat betreft de afvoer vanuit Leidschendam en Wassenaar heeft Rijnland altijd het standpunt gehuldigd dat er principieel geen verschil is met die vanuit Zoetermeer. Op basis daarvan gingen we ook hier uit van deling van het maatschappelijk voordeel. Delfland nam evenwel het standpunt in dat het bruto tarief zou moeten worden betaald, dus inclusief de heffings- en invorderingskosten. Omdat het tarief per v.e. in Delfland beduidend hoger ligt dan in Rijnland heeft D&H in de afgelopen zomer besloten het afvalwater van beide gemeenten zelf te gaan zuiveren, in de awzi Leiden zuid-west. Dit levert een financieel voordeel op van ca. twee miljoen euro per jaar. Het gevoel dat er maatschappelijk gezien extra kosten worden gemaakt is op zich juist, maar in werkelijkheid zijn de gevolgen klein. De awzi Harnaschpolder is gedimensioneerd op 1,6 miljoen v.e., met een reserve van 20 procent. De 60.000 v.e. van Leidschendam en Wassenaar zijn hierin marginaal. Het gaat bovendien alleen om de kosten van de civiele werken. Kern van het besluit is overigens dat wij uitgaan van de laagst maatschappelijke kosten, waarbij de 'winst' wordt gedeeld (zoals in Zoetermeer) en niet alleen aan Delfland mag toekomen. Tenslotte zegt hij dat Rijnland nog altijd bereid is te onderhandelen, liefst door mensen die niet zijn belast met de geschiedenis.
Mevrouw Jong heeft het idee dat de opstellingen wederzijds zodanig zijn verhard dat een nieuw gesprek alleen met nieuwe mensen zinvol is. Voorts vindt ze het stuk vanuit de financiële sector geschreven. De heer v. Wijk betoogde dat Houtrust een zuiveringsrendement van 22 procent heeft terwijl de Rijnlandse awzi's boven de 90 procent presteren. Deze waterkwaliteitsafweging vindt ze minstens zo belangrijk.
Ook de heer Alkemade heeft de indruk dat de verhoudingen zijn verhard. Inhoudelijk meent hij dat Rijnland verantwoordelijk is voor zijn eigen afvalwater en is het dus eens met zelf zuiveren. Hij twijfelt aan de haalbaarheid van het jaar 2008.
De heer de Lange constateert een aantal nadelen van zuiveren in Leiden zuid-west. Hij noemt de extra maatschappelijke kosten die zich toch zullen voordoen. Het is de vraag of het rendement van Leiden zuid-west na uitbreiding optimaal blijft, want vaak is dat bij uitbreiding minder dan bij nieuwbouw. Bovendien is het laboratorium van Rijnland op hetzelfde terrein gevestigd; het mag toch niet zo zijn dat daar (als gevolg van de stankhinder) niet meer gewerkt kan worden en het lab een andere locatie moet zoeken. Als 2008 niet haalbaar is zal voor een periode toch naar Delfland moeten worden afgevoerd, wat bestuurlijk verre van sterk is. Genoemde nadelen zijn alle het gevolg van vertroebelde verhoudingen en hij dringt er op aan snel weer te gaan praten.
De heer Baas wijst op de verstoorde verhoudingen en vraagt of deze consequenties hebben voor andere onderdelen waarop met Delfland moet worden samengewerkt. We maken bijvoorbeeld deel uit van één stroomgebied.
De heer Wotte vraagt zich af waarom er in de waterschapswereld geen uniforme berekeningsmethodieken zijn voor bijvoorbeeld grensoverschrijdend afvalwater. Voorts refereert hij aan het feit dat 'de Harnaschpolder' al gedurende vele jaren in Rijnland onderwerp van gesprek is. De overwegingen, die de heer v. Wijk nu heeft geschetst (bedrijfseconomisch, ecologisch, bestuurlijk), zijn in de voorgaande jaren nooit zo duidelijk aan de orde geweest. Dat betreurt hij, want dan was wellicht in een eerder stadium gekozen voor zelf zuiveren. Omdat het hier nog gaat om een principe-besluit hoopt hij dat de definitieve afweging is gebaseerd op feiten en cijfers en niet op emoties.
De heer Vooijs is het principieel eens met de gedachte dat Rijnland zelf verantwoordelijk is voor de zuivering van het eigen afvalwater. Hij vraagt zich echter af of Rijnland een schadeclaim van Delfland moet verwachten wegens contractbreuk. Ook verwijst hij naar berichten in de pers waarin (volgens een Rijnlandse memo) wordt gesproken over bedragen van 35 tot 50 miljoen euro.
Antwoordend op de gestelde vragen en gemaakte opmerkingen zegt de heer v.d. Nagel dat het verschil van mening met Delfland puur zakelijk is en niet in de persoonlijke sfeer is getrokken. Over andere onderwerpen (zoals de Driemanspolder) wordt, ook zakelijk, gewoon doorgepraat. Met betrekking tot de haalbaarheid zal alles in het werk worden gesteld om het jaar 2008 te halen. In het verleden kende Leiden zuid-west veel stankklachten, maar na genomen maatregelen komen die de laatste jaren niet meer voor. Het terrein van Leiden zuid-west is voldoende ruim om de uitbreiding te kunnen realiseren. Wanneer 2008 niet haalbaar blijkt behoeft voor de tussenperiode niet opnieuw met Delfland te worden gepraat: de afvoer wordt dan gewoon voortgezet. Het in de pers verschijnen van een memo van een of meer medewerkers had niet mogen gebeuren.
Aanvullend bevestigt de heer v. Wijk dat het hier om een zakelijk geschil gaat, waarbij de persoonlijke verhoudingen niet in het geding zijn. Gesprekken over andere onderwerpen komen hierdoor niet in gevaar. Er is, zakelijk gezien, sprake van een aanbiedende partij (Rijnland) en een verwerkende partij (Delfland). Wanneer de verwerkende partij de prijs verhoogt staat het de aanbiedende partij vrij een andere weg in te slaan. Er is geen contract met Delfland, dus van contractbreuk kan geen sprake zijn. Technisch is uitbreiding van Leiden zuid-west geen probleem, vanzelfsprekend moeten wel de benodigde procedures worden doorlopen. Over het ontbreken van een model voor de waterschapswereld voor dergelijke berekeningen en uitgangspunten zegt hij dat partijen hierin autonoom zijn.
Mevrouw Jong merkt op dat de conclusies zijn gebaseerd op verwachtingen waarvan we niet weten of deze ook werkelijkheid zullen worden.
Mevrouw Meijer zegt dat dit maar ten dele zo is. Vast staat immers dat er in de Haarlemmermeerpolder te weinig water is: twee tot drie procent. Voorts is de verzilting in die polder een gegeven; voor doorspoeling is erg veel water nodig.
De heer Alkemade is het eens met de stelling dat de verzilting in de Haarlemmermeerpolder een vaststaand feit is. Doorspoeling met aanzienlijke hoeveelheden water is nodig. Zoeken naar gebieden om water te bergen is naar zijn mening een te lange weg en bovendien plaatst hij kanttekeningen bij seizoensbergingen. Ze vragen veel ruimte, zijn onderhevig aan verdamping en of ze kwalitatief op orde blijven is maar de vraag. Een meer structurele oplossing ziet hij in aanvoer van zoet water vanuit het IJsselmeer.
De heer de Lange is het eens met de inhoud van het stuk.
Met het lezen van de titel (Noord-Holland) werd de heer Baas even op het verkeerde been gezet: het gaat slechts om de Haarlemmermeerpolder. Hij merkt voorts op dat wonen en water geen tegenstellingen hoeven zijn. Omdat wonen aan het water voor een gemeente financieel meer oplevert is een combinatie heel goed mogelijk. Hij kan zich overigens vinden in het stuk.
Mevrouw Meijer zegt dat bij locaties voor oppervlaktewater in het algemeen wordt uitgegaan van multifunctioneel gebruik, waaronder ook recreatie.
Verwijzend naar de opmerking van mevrouw Jong over de onzekerheden van de aannamen zegt de heer Wotte dat we ons niet kunnen veroorloven te wachten tot deze werkelijkheid zijn geworden.
De heer Vooijs is het eens met het stuk en hoopt op een goed overleg tussen provincie, gemeenten en waterbeheerders.
Om de essentie van dit agendapunt te verduidelijken geeft de heer Mooiman aan dat het hier niet gaat om een keuze tussen een aantal methoden om tot voldoende zoet water te komen. Bewegingen in de politiek in Noord-Holland hebben ons ertoe verplicht een nadere onderbouwing te geven van de noodzaak van zoekgebieden in het streekplan Noord-Holland-zuid. Het gevaar dreigde immers dat deze van de kaart zouden worden afgevoerd.
Mevrouw Meijer licht toe dat de nota een terugblik biedt op de periode 2001-2004 en de resultaten in beeld brengt. Tevens zijn de laatste ontwikkelingen toegevoegd. De Nota handelt alleen over de handhaving van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. Oorspronkelijk was het de bedoeling ook de handhaving van de Keur hierin mee te nemen, maar de gevolgen van de fusie hielden dit tegen. Er moeten immers vier keuren tot één worden samengevoegd en bovendien wordt de handhaving organisatorisch overgebracht van de afdeling Vergunningen naar de afdeling Handhaving. In 2007 zal er een integrale nota verschijnen.
De heer Vooijs vindt het een goede nota. Duidelijk is dat Rijnland de handhaving goed op orde heeft. Het valt hem op dat de politieregio Hollands Midden een milieuteam heeft, de andere regio's kennelijk niet.
De heer Wotte vraagt wat wordt bedoeld met 'optreden tegen overtredingen van de eigen organisatie'.
De heer de Lange vraagt waarom Rijnland anders omgaat met het gedoogbeleid.
De heer Alkemade is vooral tevreden met het feit dat op het gebied van handhaving nu veel meer wordt afgestemd, zodat de versnippering tot het verleden behoort.
Mevrouw Jong heeft grote moeite met gedogen. Voorts vraagt ze naar de kosten van milieuvluchten. Op haar opmerkingen over de gebrekkige lay out van het werkdocument zegt de heer Mooiman dat dit document nog niet geheel gereed is, het is een groeidocument en is bijgevoegd om een inzicht te geven.
Commissiebreed is er waardering voor de Nota.
Mevrouw Meijer zegt dat het werkdocument inderdaad wordt gebruikt door de handhavende ambtenaren. Met betrekking tot het gedoogbeleid geldt dat Rijnland in principe niet gedoogt, maar in uitzonderlijke gevallen is dat niet vol te houden. In het verleden werd een gedoogde situatie bevestigd in een zogenaamde gedoogbrief. De landelijke lijn is echter dat er een gedoogbeschikking moet komen die, evenals een reguliere vergunning, moet worden gepubliceerd, inclusief bezwaar- en beroepsmogelijkheden. Voor wat betreft 'optreden tegen overtredingen van de eigen organisatie' merkt ze op dat bijvoorbeeld alle awzi's die Rijnland beheert een Wvo-vergunning hebben, door Rijnland afgegeven. Handhaving van die vergunningen zal op gelijke wijze geschieden als bij andere vergunningen. Een voorbeeld hiervan is een door de afdeling T&C geconstateerde verhoogde kwiklozing vanuit het Rijnlands laboratorium. Er is proces-verbaal opgemaakt en de Directeur Water zal zich voor de rechter moeten verantwoorden. De kosten van de helicopter, die wordt gebruikt bij de milieuvluchten, zijn nu niet voorhanden, maar zijn niet zo hoog. De vluchten, die een tweetal malen per jaar worden uitgevoerd, hebben hun nut bewezen omdat daarmee overtredingen worden geconstateerd die vanaf de openbare weg niet zijn te zien.
De commissie adviseert positief.
In vervolg op de eerdere besluitvorming zegt mevrouw Meijer dat er in de afgelopen periode geen aanvragen zijn binnengekomen. Voorgesteld wordt dus de regeling in te trekken. Wel blijft het mogelijk bijzondere ideeën los van deze regeling te beoordelen en zo mogelijk afzonderlijk met een financiële bijdrage te steunen.
De heer de Lange betreurt een en ander; de strenge voorwaarden hebben een succes van de regeling altijd in de weg gestaan.
De commissie adviseert positief.
Tekstueel:
De heer Wotte leest in punt 1 (opening) dat hij zich voor deze vergadering niet zou hebben afgemeld. Die gedachte is onjuist: aan het begin van het jaar heeft hij aan het algemeen secretariaat opgave gedaan van de commissie- en plenaire vergaderingen waarin hij niet aanwezig kon zijn. De laatste commissievergadering maakte daar deel van uit.
De heer Vooijs merkt op dat iemand op de publieke tribune aanwezig was, wat niet in de kop van het verslag is vermeld. In het verslag van de commissie Financiën gebeurt dat wel. De heer Uileman zegt dat bewust niet te noteren omdat naar zijn mening de bezetting op de tribune niet relevant voor de verslaglegging van de vergadering is. De commissie stelt vast dat uniformiteit gewenst is en in de volgende bestuursperiode daaraan invulling moet worden gegeven.
Het verslag wordt vastgesteld.
Naar aanleiding van:
Er zijn geen opmerkingen.
De heer Alkemade heeft waardering voor de bereidheid in gesprek te blijven met beide organisaties. Hij geeft aan dat er vanuit de achterban van Kring Boskoop signalen zijn om tot een gedragsverandering bij de vertegenwoordigers te komen. De WLTO stimuleert dit.
De commissie heeft hiervan kennis genomen.
De commissie heeft hiervan kennis genomen.
De commissie heeft hiervan kennis genomen.
Mevrouw Meijer herinnert eraan dat de vergadering van 1 december vermoedelijk in Haarlem plaats vindt, afhankelijk van de stand van zaken rond het Waterplan Haarlem en de daaraan gekoppelde agendering voor de december-VV.
Hiervan wordt geen gebruik gemaakt.
De heer v.d. Nagel dankt ieder voor de inbreng en sluit de vergadering om 11.45 uur.
