Agenda en verslag van de bijeenkomst van de commissie Bestuurszaken op maandag 30 september 2002 te 9.30 uur, Archimedesweg 1 te Leiden.
IV Beleidsvoornemen Tarieven 2003
V Overname boezemwater met een regionale functie
- Verslag commissievergadering d.d. 10 juni 2002
VIII Mededelingen
a.Vergaderschema 2003
c. Grondwateroverlast Duinstreek
IX Rondvraag
Overige agendapunten
Beknopt verslag van de bijeenkomst van de commissie bestuurszaken van 30 september 2002 te Leiden
Aanwezig
ir. E.H. van Tuyll van Serooskerken (voorzitter)
J.L. van Klaveren (plv. voorzitter)
P.J. van der Geest, , F.J.M. Lagas, E.C. de Meijer, ir. J.E.M. van Velsen (leden);
mr. C.C. Bakker (secretaris)
mr. drs. A.R. van Kampen (wnd. hJBZ)
Agendapunten III en IV in aanwezigheid van de directeur Financiën, de heer A. Bol
Afwezig
drs. C. Bremmer, H. van der Smit, mw. drs. J. de Jongh (met bericht)
De voorzitter heet de aanwezigen welkom. De agenda wordt op één punt aangepast. De TAM-lijst is na de VV van 25 september jongstleden nog niet bijgewerkt en komt op deze plaats te vervallen. In de plaats daarvoor is aan de commissie de Bestuursrapportage t/m periode 8-2002 toegezonden. Deze zal ter kennisneming worden besproken.
Aan de hand van de gegeven toelichting vraagt de heer Van Velsen wat het effect is van de nieuwe financieringsstructuur voor de saldireserves.
De heer Bol antwoordt dat de effecten voor de saldireserves worden meegenomen in de financiële werkgroep ter voorbereiding van de fusie. Dit punt zal in 2003 aan de orde komen.
De heer Lagas is van mening dat de voorziening voor het baggeren als investering dient te worden gezien, in plaats van een exploitatielast.
Het grillige verloop van de tarieven voor de komende jaren ("jojo-effect") ontlokt bij de heer De Meijer de wens een verdergaande egalisering van tarieven te bereiken. Hij vraagt verduidelijking waarom aan de egalisatievoorzieningen wordt onttrokken en tegelijk wordt toegevoegd. Voorts pleit hij ervoor in de MJR meer rekening te houden met de invloed van WB21. Op het punt van het baggeren voorziet spreker een onvoldoende voorziening op het moment dat Rijnland werkelijk groots van start gaat. Tot slot stelt hij voor de kosten van baggeren gelijk te verdelen tussen kwaliteit en kwantiteit.
De heer Van Velsen meent dat baggeren een normale waterschapsactiviteit is. De kosten daarvan horen naar zijn mening dan ook niet thuis onder de investeringen, maar in de exploitatiebegroting. Wat de hoogte van de lasten betreft zal naar zijn gevoelen de geactualiseerde legger van doorslaggevend belang zijn. De heer Van Velsen spreekt zijn verbazing uit over de stijging van de kostenraming voor de hertaxatie WOZ met circa 50%. Hier is overleg met de mede-overheden beslist noodzakelijk, aldus spreker. Bij de toekomstige productbegroting zou hij graag een verwijzing zien van de producten naar het inhoudelijk verantwoordelijke diensthoofd. Tot slot dringt hij aan op een beredeneerd overzicht van de verwachte kosten voor het project Doelen WBP 2000. Spreker neemt dit heel serieus en kondigt aan daar zonodig in de VV op terug te zullen komen.
De voorzitter beaamt dat de kosten van baggeren in feite een exploitatielast vormen. Vanwege de onzekerheid over de hoogte van de structurele kosten van het baggerprogramma is enige jaren geleden een fonds ingesteld. De ogenschijnlijk geringe invloed van WB21 op de MJR verduidelijkt de voorzitter met de verwachting dat in de planperiode geen groot werk in dat kader zal zijn opgeleverd. In de ruimtelijke ordening, het eigenlijke speelveld van WB21, is een periode van 15 jaar tussen het eerste plan en de realisatie niet ongebruikelijk. Wellicht zal het nieuwe waterschap een eerste planning kunnen beproeven, aldus spreker. De contractuele verdeling over de OZB-taxaties is destijds tussen de betrokken overheden moeizaam en onder druk van een wettelijke regeling tot stand gekomen, aldus de voorzitter. In de productbegroting komt naar voren welke directeur de inhoudelijke verantwoording draagt voor de respectieve producten. Er is vermeden producten te creëren met een onduidelijke verantwoordelijkheidsstructuur. Binnenkort zullen voor de kostenraming van het project Doelen WBP de eerste cijfers beschikbaar komen van Midden-Holland (DRS). Rijnland kan daar indicaties uit putten. De voorzitter verwacht echter dat er geen volledig betrouwbare kostenraming te maken is vóór het nieuwe WBP in 2005. Wat de verdeelsleutel betreft tussen kwaliteit en kwantiteit voor de kosten van het baggeren, licht de voorzitter toe dat er nog een discussie gaande is. De noodzakelijke diepte van een watergang is uit oogpunt van waterkwantiteit minder dan een eventuele verdere verdieping uit oogpunt van waterkwaliteit. Uiteraard is de uitkomst rechtsreeks van invloed op de verdeling van kosten.
De heer Van Klaveren voegt daaraan toe dat hem een verdeling voor ogen staat die op de werkelijk gemaakte kosten is geschoeid.
Op de vraag van de heer Van Velsen of een overzicht van de kosten van baggeren beschikbaar is, antwoordt de voorzitter dat hij de kosten voorzover bekend zoveel mogelijk zal verduidelijken.
De heer Bol verduidelijkt nog de functie van de egalisatievoorzieningen. Het werkelijke kostenniveau van de Verontreinigingsheffing ligt in de eerste jaren hoger dan het geëgaliseerde heffingsniveau. Om het dekkingstekort op te vangen, wordt in die jaren geld aan de egalisatievoorziening onttrokken. Hierdoor komt de voorziening tussentijds negatief te staan. Uitgangspunt is echter dat de egalisatievoorziening taan het eind van de planperiode (2007) op nul moet uitkomen. Om het negatieve saldo aan te zuiveren moet in 2007 een behoorlijk bedrag aan de voorziening worden toegevoegd. Daarbij is ook rekening gehouden met de overheveling van het passief waterkwaliteitsbeheer in 2007.
De heer Lagas merkt op dat het meeste al bij het vorige agendapunt besproken.
De heer De Meijer vraagt of een egalisatie voor het tarief van Ongebouwd mogelijk is.
De voorzitter antwoordt dat daarvoor geen fonds beschikbaar is. Het zou bovendien een onevenredig hoge rentelast met zich meebrengen om nu alsnog een fonds in te stellen.
De heer Van Velsen informeert of de studie over de invulling van het WBP 2000 in de tarieven is verwerkt. De voorzitter bevestigt dit.
Verder akkoord.
De heer Van Klaveren licht het agendapunt toe.
De heer Van der Geest merkt op dat zojuist nog is aangegeven dat de kosten van baggerwerken op dit moment moeilijk zijn in te schatten omdat de legger nog niet is geactualiseerd. Staan de kosten voor de regionale wateren dan al wel vast? Verder wijst de heer Van der Geest erop dat ingelanden van de inliggende waterschappen straks mogelijk dubbel betalen, omdat zij ook al afdragen voor het baggeren van de polderwateren.
De heer De Meijer vraagt hoe Rijnland weet welke wateren het precies betreft en tot welke diepte die moeten worden onderhouden. De legger voor de boezemwateren is immers nog niet geactualiseerd en opnieuw ingedeeld.
De heer Van Klaveren antwoordt dat dit stuk vooruitloopt op de vaststelling van de nieuwe legger. Naar zijn mening zullen ingelanden niet dubbel betalen voor polder- en boezemwateren, omdat het verschillende onderhoudsverplichtingen betreft.
Verder akkoord.De heer Van Velsen verzoekt op bladzijde 1 van het verslag onder V de tweede zin van de door hem gegeven reactie te laten vervallen.
Op bladzijde 2 van het verslag verzoekt hij onder V het volgende door hem overgelegde tekstvoorstel in de plaats te stellen:
"De heer Van Velsen adviseert tot slot de lijst met punten van de interne werkwijzer van de watertoets na één à twee jaren te evalueren op zijn inhoud en werkwijze."
Met inbegrip van deze twee wijzigingen wordt het verslag vastgesteld.
a. Vergaderschema 2003
Kennisgenomen.
c. Grondwateroverlast Duinstreek
Kennisgenomen.
Van de rondvraag wordt geen gebruik gemaakt.
De heer De Meijer informeert waarom het zuiveringsrendement terugloopt (bladzijde 16/17).
De voorzitter geeft aan dat de uitzonderlijke regenval daar de oorzaak van is.
Verder kennisgenomen.
Aldus vastgesteld in de vergadering van de Commissie Bestuurszaken van 2 december 2002.
