2. Agendapunten Verenigde Vergadering 17 september 2003
VI Grondaankoop waterbergingslocaties
VIII Arbeidsvoorwaardenakkoord Waterschapspersoneel 2003-2004
a. Nationaal Bestuursakkoord Water
b. Drempels Weg Intentieverklaring
h. Stimulering afkoppelen verhard oppervlak
j. Kwaliteitstoets professionalisering milieuhandhaving
l. Organisatie Waterbeheer Rijnland (mondeling)
4. Notulen vergadering commissie bestuurszaken d.d. 10 juni 2003
Aanwezig: ir. E.H. van Tuyll van Serooskerken (voorzitter)
J.L. van Klaveren (plv. voorzitter)
mr. drs. C. Bremmer, P.J. van der Geest, mw. drs. J. de Jongh (vanaf 10.00 uur), F.J.M. Lagas (vanaf 10.20 uur), E.C. de Meijer, H. van der Smit en ir. J.E.M. van Velsen (leden)
mr. drs. A.R. van Kampen (secretaris)
mr. P. Blom (jurist JBZ)
De voorzitter opent de vergadering op 9.30 uur en heet de aanwezigen welkom. De agenda wordt vastgesteld, nadat daaraan op voorstel van de voorzitter is toegevoegd een VV-voorstel ter zake van de honorering van hoogheemraden.
De voorzitter geeft aan dat het van belang is dat er een systematiek voor de grondaankoop komt: wanneer wordt er wel tot aankoop overgegaan en wanneer niet. De notitie is met de WLTO en de waterschappen besproken en zij konden zich daarin goed vinden.
De heer Van der Smit meent dat het een goede zaak is DLG bij de grondverwerving in te schakelen: zij is onafhankelijk en heeft een grote expertise op dit gebied. Verder vraagt hij zich af op welk moment men besluit tot onteigening over te gaan; verwerving op vrijwillige basis is een proces, dat wel 10 tot 20 jaar kan duren. Tenslotte vraagt hij van welke prijs bij vrijwillige verwerving wordt uitgegaan; er moet namelijk niet onderschat worden dat de waarde van de grond alleen al door een aangekondigde functiewijziging aanzienlijk kan dalen.
De heer Van Velsen is voor fatsoenlijk aankoopbeleid en meent dat de notitie daar goed vorm aan geeft. Het voorstel is zijns inziens conform de reeds eerder ingezette lijn. Voor het voortbestaan van boerenbedrijven kan kavelruil van belang zijn, terwijl de mogelijkheid daartoe de aankoop van percelen ook kan versnellen. Aankoop van grond kan pas plaatsvinden na een wijziging van het bestemmingsplan, aldus de heer Van Velsen.
De heer De Meijer is het niet met de laatste opmerking van de heer Van Velsen eens; ook voor de wijziging van het bestemmingsplan moet Rijnland ingaan op aanbiedingen tot aankoop van grond in het plangebied. Tevens vraagt hij zich af of er voorbereidingskosten zijn, waarvoor extra middelen nodig zijn.
De heer Bremmer meent dat in de titel van de notitie naar voren zou moeten komen dat het hier een kaderstellende notitie betreft. Verder zou hij graag zien dat er na anderhalf à twee jaar een evaluatie plaatsvindt en dat de notitie wordt aangeboden aan de andere actoren op dit terrein, zoals de provincie. Tenslotte vraagt hij meer aandacht voor communicatie, niet alleen vanwege de gevoeligheid van het onderwerp.
De heer Van der Geest is er voor direct tot aankoop over te gaan als de kans zich voordoet. Verder moeten er hele bedrijven worden aangekocht; ook als die deels buiten het plangebied liggen.
De heer Van Klaveren antwoordt dat Rijnland bij vrijwillige verwerving uitgaat van de geldende marktprijs. De insteek van Rijnland is nu alleen ingaan op aanbiedingen in het plangebied en pas actiever gaan optreden als het bestemmingsplan is gewijzigd.
De notitie zal zeker worden aangeboden aan andere overheden, zoals de provincie; al is het alleen al om te laten zien dat Rijnland dit project serieus oppakt.
Het aankopen van hele bedrijven, ook als die deels buiten het plangebied liggen, moet nog nader worden bezien; gronden buiten het plangebied zouden dan kunnen worden gebruikt voor uitruilen.
De voorzitter is van mening dat de onteigening niet geschuwd moet worden.
Op het gebied van de communicatie vindt er verder al het nodige plaats.
Rapportage aan de VV vindt per project plaats.
Het is zeker het voornemen om te komen tot een algemene evaluatie, maar hij kan daarvoor nu nog geen termijn aangeven.
Het voorstel om ook in de titel van de notitie duidelijker te laten uitkomen dat het hier een kaderstellende notitie betreft, neemt hij over.
De heer De Meijer is nog benieuwd naar de financiële gevolgen.
De heer Van Velsen pleit voor een landelijke schaderegeling.
De heer Van der Smit volgt het spoor van het College wat betreft aankopen vóór wijziging bestemmingsplan. Verder vindt hij het van belang dat de andere overheden aan dit project moeten worden gecommitteerd, mede met het oog op de onverhoopte situatie dat het toch niet zo doorgaan. Tevens vindt hij dat Rijnland voor kapitaalvernietiging moet waken en er voor moet zorgen dat het niet met ongewenste grond komt te zitten.
Mevrouw De Jong is het eens met de notitie.
De voorzitter geeft aan dat het betrekken van de andere overheden zoals de provincie een apart project is, dat zeker moet gebeuren.
Wat betreft de financiële gevolgen wijst hij op het feit dat alleen nadat de VV daartoe een kredietbesluit heeft genomen, tot daadwerkelijk aankoop kan worden overgegaan; de VV spreekt zich daarbij dan ook uit over de financiële gevolgen.
Verder merkt hij op dat er landelijk wordt gewerkt aan een schaderegeling.
De heer Van Klaveren voegt daaraan toe dat bij piekbergingen de gebieden zo worden ingericht dat er bij gebruik als berging geen schade zal ontstaan en dus ook geen schadevergoeding behoeft te worden betaald.
De voorzitter onderstreept dat deze gebieden slechts een beperkte tijd onder water zullen staan.
De heer Bremmer vraagt zich af artikel 83 van de Waterschapswet inderdaad delegatie of mandaat aan het dagelijks bestuur onmogelijk maakt. Verder ziet hij een verschil tussen het seniorenbeleid, zoals neergelegd in de CAO en het kabinetsbeleid op dit punt en informeert hij of er binnen Rijnland knelpunten zijn.
De heer De Meijer vraagt of 1 januari 2005 wat betreft de invoering van FUWATER realistisch is?
De voorzitter constateert dat het kabinetsbeleid ten aanzien van senioren nog niet zijn weerslag heeft gevonden in bijv. de rijks-CAOs.
Echte knelpunten zijn er binnen Rijnland wat betreft de voorliggende CAO niet.
FUWATER sluit redelijk aan bij het door Rijnland gehanteerde systeem van functiewaardering; de problemen zijn zijns inziens meer bij die inliggende waterschappen te verwachten, die geen functieclassificatie hebben.
De secretaris zegt toe dat de vraag met betrekking tot artikel 83 schriftelijk zal worden beantwoordt.Noot van de secretaris:
In 2000 hebben de algemeen besturen van de waterschappen - op aangeven van de Unie - hun delegatiebesluiten ter zake van de vaststelling van de arbeidsvoorwaarden ingetrokken. Als reden hiervoor is toentertijd aangegeven dat de mogelijkheid tot delegatie van de vaststelling van arbeidsvoorwaarden bij gelegenheid van de wijziging van artikel 83 van de Waterschapswet per 9 juli 1999 is komen te vervallen, nu het tweede lid van dit artikel delegatie van het vaststellen van verordeningen integraal uitsluit en de SAW als een verordening moet worden gezien.
De heer Bremmer vraagt zich af of het akkoord, als dat nu ter tekening zou hebben voorgelegen, er ook zo zou hebben uitgezien of dat de droogtesituatie van de afgelopen maanden nog tot aanpassing zou hebben geleid.
De voorzitter denkt dat er bij de andere partijen nu wellicht meer bereidheid zou zijn geweest om ook op het gebied van watertekort een regeling te treffen. De waterschappen hebben een afweging gemaakt en gemeend dat het belangrijker is een overeenkomst te hebben waar je de andere partijen ook aan kunt houden, dan geen overeenkomst. De voorzitter vindt de toegezegde rijksbijdrage ad € 100.000.000,- aan de magere kant.
De heer Lagas is dezelfde mening toegedaan. Hij vindt de opdracht uit het NBW echter wel bemoedigend, vooral wat betreft hetgeen de waterschappen zelf gaan doen.
Het is belangrijk dat er een akkoord is, aldus de heer De Meijer. Op het terrein van de waterkwaliteit is er nog veel werk te verzetten voor de waterschappen. Hij vraagt zich af wanneer dit nader wordt ingevuld.
De heer Bremmer wil weten wie in 2006 het NBW evalueert en vraagt zich af of de burgers wel voldoende zijn voorbereid op de extra kosten, die aan de uitvoering van het akkoord verbonden zullen zijn.
De waterkwaliteit is in het akkoord inderdaad te weinig aanbod gekomen, omdat de andere partijen zich vooral richten op de kwantiteitsvraagstukken, aldus de voorzitter. Hij wijst er wel op dat de invoering van de Europese Kaderrichtlijn Water vooral op het gebied van de waterkwaliteit gevolgen zal hebben.
De heer Van Klaveren vindt inundatie een hele stap; de inspanning om het peil te handhaven moet overeind blijven. Rijnland zal een eigen invulling geven aan het NBW. In de huidige lastenberekening zit weinig van het akkoord verwerkt.
De voorzitter geeft aan dat de burger op zijn vroegst over vijf jaar de gevolgen van het akkoord in de lasten zal merken.
Geen opmerkingen. Kennis genomen.
De voorzitter meldt dat de toevoer uit het IJsselmeer nog loopt. De toevoer uit Utrecht, die aanvankelijk ruim boven de in het KWA overeengekomen hoeveelheid lag, is weer tot het KWA-niveau teruggebracht. Er zal een evaluatie worden gedaan door een extern bureau. De voorzitter is van mening dat Rijnland goed op de situatie heeft gereageerd.
Het gesprek met de tuinders uit Boskoop is positief verlopen, meldt de voorzitter.
Er komt vanzelfsprekend nog wel een rekening van de Stichtse Rijnlanden, die uit de kostenpost "onvoorzien" dan wel uit de calamiteitenvoorziening kan worden betaald.
De heer Van Klaveren laat weten uitstekend met de heer Steegh te hebben samengewerkt. Alles is volgens het boekje gelopen en de KWA werkte goed.
De heer Van der Smit meldt dat hij de afgelopen periode regelmatig in zijn hoedanigheid van lid van het algemeen bestuur van Rijnland aangesproken over wat Rijnland heeft gedaan. Hij zag het niet als bezwaar dat hij vragen niet kon beantwoorden en moest verwijzen naar het dagelijks bestuur. Zijns inziens is het ook de taak van het dagelijks bestuur om in dergelijke situaties actie te ondernemen en het college met name de heer Steegh - heeft dat uitstekend gedaan. Verder meent hij dat hij nog nooit zoveel onzin over waterschappen in de pers heeft gelezen als de afgelopen weken.
Volgens de heer Bremmer was het verstandiger geweest de VV bijeen te roepen. Om slechte beeldvorming over de waterschappen tegen te gaan is het wellicht prudent om met de grote politieke partijen in gesprek te komen; het liefst voor de algemene beschouwingen. Verder vraagt hij zich af of de voorzitter heeft overwogen van vakantie terug te komen.
De heer Van Velsen vond de technische rapportage perfect en vraagt zich af hoeveel VV-leden zelf om informatie hebben gevraagd. Hij meent dat de VV-leden ook een eigen verantwoordelijkheid hebben.
De voorzitter antwoordt dat hij er bewust voor gekozen heeft om niet van vakantie terug te komen. Hij had dit dossier voor zijn vakantie uitvoerig met de heer Steegh besproken en de een terugkomst zou zijns inziens dan ook als diskwalificatie van de heer Steegh kunnen worden gezien.
Het College heeft, zo vervolgt de voorzitter de keuze gemaakt om de VV niet bijeen te roepen; of dit achteraf gezien een goede beslissing is geweest, zal in de evaluatie worden meegenomen.
Een gesprek met de politiek acht hij een delicate kwestie. De Unie is zeer gevoelig op dit punt en zal eigen initiatief waarschijnlijk niet waarderen.
Verder constateert hij dat het Rijk de regie slecht in handen had; er werd niet alert gereageerd.
Geen opmerkingen.
De voorzitter vindt dat Rijnland het in vergelijking met andere overheden prima heeft gedaan.
De heer Lagas merkt op dat waterschappen een beperkte en veelal technische taak hebben en daarom moeilijk zijn te vergelijken met gemeenten die een veelvoud aan taken hebben.
De leden gaan akkoord.
De voorzitter deelt mee dat de bezoldigingsregeling voor hoogheemraden is veranderd. De in 1999 gekozen leden vallen nog onder een overgangsregeling en ontvangen 30% van de bezoldiging van de dijkgraaf, terwijl de nieuwe regeling die voor tussentijds benoemde leden geldt - uitgaat van 20%.
De nieuwe regeling geeft de VV echter ook de bevoegdheid dit percentage tot 25% te verhogen. Het College wil de VV dan ook voorstellen een dergelijk besluit te nemen.
De heer Van Velsen gaat hiermee akkoord.
De heer Van der Smit is het hiermee eens, maar had graag gezien als nieuw benoemde hoogheemraden ook 30% zouden kunnen krijgen.
De heer De Meijer wil dit anders formuleren; hij meent dat 30% is het minimum is en dat wanneer het mogelijk wordt een hogere bezoldiging toe te kennen dan 25 %, dit met terugwerkende kracht zou moeten gelden.
- Rapport ziekteverzuim 2003: kennis genomen.
Ongewijzigd vastgesteld.
De heer Bremmer maakt melding van het feit dat hij op 1 oktober toe zal treden tot het Europese Parlement. Hij zal proberen het lidmaatschap van de VV aan te houden. Het lidmaatschap heeft wel als gevolg dat hij het voorzitterschap categorie gebouwd niet zal kunnen overnemen.
De voorzitter verwijst naar de situatie van de heer Kerssens: elk VV-lid heeft op dit punt een eigen verantwoordelijkheid.
