Verslag commissie Bestuurszaken 9 februari 2004

Logo van het hoogheemraadschap van Rijnland
 

Sidebar

Verslag commissie Bestuurszaken 9 februari 2004

 Agenda

1. Opening

2. Legger Boezemwateren

Presentatie door ing. J.W.P. de Groot (afdeling Watersystemen)

    3. Agendapunten Verenigde Vergadering 18 februari 2004

    VI NBW/WB21 aktieplan

    VIII Evaluatie onderzoeksbeleid 2003

    XI Organisatie waterbeheer Rijnland; Sociaal Statuut

    XIII Mededelingen

    a. Overzicht delegatiebesluiten Rijnlands vastgoed

    d. Streekplan Noord-Holland Zuid

    4. Notulen vergadering commissie bestuurszaken d.d. 8 december 2003

    5. Overige punten

    a. Beleidsregel Handhaving Bergend Oppervlak

    6. Rondvraag

    Verslag

    1 Opening

    De voorzitter heet de aanwezigen welkom.

    2. Legger Boezemwateren

    De heer De Groot geeft aan de hand van een aantal sheets, die bij dit verslag zijn gevoegd, een presentatie over de legger.

    De heer Bremmer vraagt wat de status van de legger is, juridisch en bestuurlijk gezien en naar de burger.

    De heer Van Klaveren legt uit dat Rijnland aan de legger gehouden kan worden. De provincie is vaarwegbeheerder. Rijnland overlegt met beide provincies over het onderhoud. Als de provincie meer wil dan in de legger staat, moet deze betalen. Bij de provincies bestaat de intentie om tot overeenstemming met Rijnland te komen. De gemeenten zijn door Rijnland al een keer geïnformeerd zij kunnen hun wensen kenbaar maken.

    Mevrouw De Jong suggereert de waterkaart van de ANWB naast de legger te houden.

    De heer De Groot zegt dat er contact met belangenverenigingen voor de recreatievaart is geweest.

    De voorzitter wijst erop dat de verantwoordelijkheid voor de vaarwegen bij de provincie ligt.

    Mevrouw De Jong vraagt naar de kwaliteit van de bagger.

    De heer Van Klaveren legt uit dat dit een apart traject is, dat in de Nota Waterbodem zal worden meegenomen.

    De heer De Meijer constateert dat een bepaald percentage van de watergangen met 65 centimeter verdiept wordt. Past dit binnen het kwaliteitscriterium?

    De heer Van Klaveren legt uit dat de uitwisseling tussen bagger en oppervlaktewater gering is. Als de bagger diep ligt heeft dit weinig invloed op de kwaliteit van het water.

    3 Agendapunten VV

    VI NBW/WB21 actieplan

    De heer De Meijer refereert aan de uitspraak op pagina 3, dat Rijnland projecten wil aanmelden voor subsidie. Geldt dit voor alle projecten, aangezien op 1 april a.s. reeds de sluitingsdatum voor aanvragen is.

    De voorzitter antwoordt dat alleen voor de projecten die kansrijk en voldoende voldragen zijn een aanvraag zal worden ingediend.

    De heer Van Velsen constateert een samenhang met punt V: het streekplan.

    De voorzitter zegt dat deze samenhang al in de andere commissies aan de orde is geweest.

    Het voorstel gaat met positief advies naar de VV.

    VIII Evaluatie onderzoeksbeleid 2003

    De heer De Meijer constateert dat beide lijsten verschillend zijn (dit zal door het secretariaat worden uitgezocht) en hij mist het onderzoek t.b.v. de legger.

    De heer Lagas vindt de eerste twee zinnen van de notitie onduidelijk.

    De voorzitter legt uit dat het gaat om ´voortschrijdend evalueren.´ In 2002 is niet geëvalueerd.

    De heer Van Klaveren voegt daaraan toe dat Rijnland alleen onderzoek doet als elders geen kennis aanwezig is. Dit was bij de legger niet het geval.

    De heer Bremmer vraagt zich af of het verstandig is om het besluit zo definitief te formuleren. Hij suggereert een andere tekst: "in het vervolg onderzoeksnota´s te integreren in de P&C-cyclus."

    De voorzitter is het hiermee niet eens. Er staat alleen dat er geen aparte nota onderzoeksbeleid meer zal worden gemaakt; de evaluatie zal in het vervolg plaatsvinden in het kader van de BURAP. In de lijst staat overigens niet het onderzoek genoemd waaraan Rijnland meebetaalt, zoals het onderzoek van STOWA, maar alleen het onderzoek dat Rijnland zelf doet.

    Het voorstel gaat met positief advies naar de VV.

    XI Organisatie waterbeheer Rijnland; Sociaal Statuut

    De voorzitter merkt op dat hoewel het proces van totstandkoming van het Sociaal Statuut aanvankelijk moeizaam verliep er nu een alleszins redelijk resultaat op tafel ligt. Met name wijst hij op de regelingen ter zake van de plaatsing in volgfuncties (die een uitgebreid sollicitatietraject voorkomt), de non-activiteit, de deelnon-activiteit en de plaatsing van leidinggevenden.

    De heer Bremmer heeft de indruk dat er weinig wordt gedaan aan seniorenbeleid. Verder meent hij dat het begrip "deelnon-activiteit" een negatieve insteek heeft en vraagt hij naar de positie van de secretaris-algemeen directeur.

    De heer Van der Geest vraagt naar conflicterende functies i.v.m. integriteit.

    De heer De Meijer meent dat het een ruim statuut betreft. Hij vraagt zich verder af of de oudere regelingen van de waterschappen niet door het nieuwe statuut worden overruled en in de bepaling over de volgfunctie niet "door het bestuursorgaan" moet staan. Hoe zit het met nieuwe functies en functies op managementniveau?

    De voorzitter legt uit dat de "deelnon-activiteit" twee doelen dient. Enerzijds kunnen oudere werknemers daardoor langer actief blijven; anderzijds biedt het de werkgever ook voldoende flexibiliteit. Non-activiteit dient zijns inziens slechts als een noodoplossing te worden gezien.

    De werving voor de functie van secretaris-algemeen directeur van het nieuwe waterschap is gestart en er hebben tot nu toe al ca. 150 personen gereflecteerd.

    Op het gebied van integriteit bevat het SAW reeds voor alle waterschappen geldende bepalingen; daarnaast zullen er ook door het nieuwe waterschap regelingen moeten worden vastgesteld. Dit kan echter niet in het sociaal statuut.

    Van eenzijdig overrulen van oudere regelingen kan zijns inziens geen sprake zijn, omdat het hierbij gaat om verworven rechten van medewerkers. De werkgroep P&O maakt overigens een inventarisatie van alle regelingen die er bestaan.

    Bij de bepaling over de volgfunctie geldt nu voor alle waterschappen dezelfde regeling.

    Voor leidinggevende functies is er geen sprake van volgfuncties en daarvoor zal in eerste instantie intern worden geworven. Daarbij zal met het oog op een goede plaatsing in veel gevallen snel tot een assessment van betrokkenen worden besloten.

    Op een vraag van de heer Van Velsen of de besluitvorming in de VV over het sociaal statuut niet erg lijkt op die over de SAW, antwoordt de voorzitter bevestigend.

    Het voorstel gaat met positief advies naar de VV.

    XIII Mededelingen

      a. Overzicht delegatiebesluiten Rijnlands vastgoed

      Kennis genomen.

        d. Streekplan Noord-Holland Zuid

        De heer Van Velsen constateert dat de provincie andere invulling denkt te geven aan het NBW. Hij vindt het bestuurlijk onbehoorlijk dat de provincie Rijnland zo’n korte termijn stelt om de gegevens aan te leveren.

        De heer De Meijer onderschrijft het standpunt van Van Velsen. Hij vreest verder dat het WHP3 pas in 2006 zal worden vastgesteld en dat in de tussentijd de ruimtelijke claims een andere bestemming krijgen.

        De heer Bremmer vraagt of en zo ja, hoe de VV het college kan steunen richting GS.

        De voorzitter zegt dat Provinciale Staten zich star opstellen, maar dat de gedeputeerde Poelmann wel naar de waterschappen heeft geluisterd: de definitieve nota "Evenwichtig omgaan met water" kan wat Rijnland betreft net door de beugel; Rijkswaterstaat vindt dat niet en de waterschappen hebben daarmee een medestander. Verder spreekt voor de claims van Rijnland natuurlijk ook dat Schiphol natuurlijk nooit blank mag komen te staan.

        Voor een actie van de VV richting provincie acht hij het overigens nog te vroeg.

        4 Beknopt verslag vergadering 8 december 2003

        Tekstueel

          - pagina 3: Evaluatie KWA+

            De voorzitter stelt voor dat de tweede zin als volgt komt te luiden: "De voorzitter zegt dat de Minister volgens het COT haar bevoegdheid m.b.t. het openstellen van de Tolhuissluisroute op een niet-rechtmatige manier heeft aangewend."

            - pagina 3: Grondwateroverlast Wassenaar

            De heer Van Klaveren stelt voor na "kredietaanvraag" het woord "waarschijnlijk" toe te voegen.

              - pagina 4: BURAP

                De heer Van Klaveren stelt voor dat de laatste zin na "discussie" als volgt komt te luiden: "en stelt hij verder dat, zo de inliggende waterschappen zouden achterlopen bij de uitvoering van het WPB, Rijnland zich daarover in zijn BURAP niet uitlaat."

                Het verslag zal dienovereenkomstig worden aangepast en getekend.

                Naar aanleiding van

                De heer Van Klaveren deelt mee dat voor het baggeren Leiden inmiddels vier miljoen subsidie is toegekend. Verder wijst hij op het feit dat voor de uitvoering van het baggeren wellicht een Europese aanbesteding moet plaatsvinden.

                  5. Overige punten

                      a. Beleidsregel Handhaving Bergend Oppervlak

                        De heer De Meijer constateert een verschil tussen de normen in de beleidsregel en die in de legger.

                        De heer Van Klaveren geeft aan dat het hier gaat om keurvergunningen. Daarvoor mag Rijnland andere normen stellen. Het gaat tenslotte om een situatie die blijvend mag bestaan, terwijl de norm in de legger dat niet doet.

                        De voorzitter wijst op de inherente afwijkingsbevoegdheid voor bijzondere omstandigheden.

                        6 Rondvraag

                        De heer Bremmer vraagt naar de selectieprocedure voor de nieuwe Unievoorzitter.

                        De voorzitter geeft aan dat een commissie van goede diensten met twee personen heeft gesproken en vervolgens één (uitstekende) kandidaat ter benoeming heeft voorgedragen.

                        Naar boven