Verslag Commissie Waterstaat 20 oktober 2004

Logo van het hoogheemraadschap van Rijnland
 

Sidebar

Verslag Commissie Waterstaat 20 oktober 2004

Agenda

1. Opening

2. Verslag van de vergadering van 8 september 2004

VI Evaluatie sluisgelden Spaarndam en aanpassing tarief

VII Krediet normering boezemkaden

VIII Evaluatie WBP 2000-2004

X Onderbouwing wateropgave Noord Holland

XV Mededelingen

c. Regionale Zoetwaterverkenning

d. Herstelplan Reeuwijkse Plassen; plan van Aanpak fase 1 uitvoering

3. Rondvraag

Verslag

1 Opening

De voorzitter opent de vergadering en heet de aanwezigen welkom.

2 Verslag van de vergadering van 8 september 2004

Tekstueel

Blz. 5 ondertekening: 6 oktober 2004 moet zijn 20 oktober 2004

Naar aanleiding van:

Geen op en / of aanmerkingen

VV-agenda onderwerpen

 

VI Evaluatie sluisgelden Spaarndam en aanpassing tarief

De heer Steegh licht toe dat de keuze voor een bepaald dekkingspercentage een beleidsmatige keuze is, en dat elk ander voorstel leidt tot verhoging van de omslagtarieven.

Verder licht de heer Steegh nog toe dat het dekkingspercentage slechts betrekking heeft op de exploitatielasten en dat het momenteel niet aan de orde is om de kapitaalslasten te verrekenen d.m.v. de sluisgelden.

Op vragen van mevrouw Verboom-van den Akker en mevrouw Topper-van der Salm waarom bij de sluis te Gouda geen sluisgeld wordt  gevraagd antwoord de heer Steegh dat er in Gouda sprake is van een “oud recht”.

De heer van Warmerdam heeft voorkeur voor 0% dekking. Naar zijn mening betreft het beheren van een sluis een algemeen belang waarbij het heffen van gelden inefficiënt is. De forse verhoging (17%) draag volgens hem zelfs bij aan een negatieve beeldvorming van Rijnland. Ook vraagt hij zich af of m.b.t. de verruimde openingstijden van de sluis gekeken is naar de openingstijden van de brug t.p.v. de A9 (is er voldoende tijd). N.a.v. deze laatste vraag antwoord de heer Steegh dat dit zal worden nagegaan

Naar aanleiding van een vraag van mevrouw van der Laan antwoordt de heer Steegh dat overdracht van de sluis aan de provincie of RWS tot nu toe niet gelukt is en dat dit nu ook weinig kansrijk lijkt.

N.a.v. een vraag van mevrouw Louwe Kooijmans-Bouhuijs licht dhr de heer van Warmerdam toe dat er voor de kleine recreatievaart (kano’s, roeibootjes) een alternatief is nabij het boezemgemaal Spaarndam.

De commissie, behoudens de heer van Warmerdam, stemt in met het voorstel.

VII Krediet normering boezemkaden

De heer van Klaveren licht het voorstel toe en geeft aan dat uitstel van het aanvullend onderzoek i.v.m. de beschikbare tijd niet mogelijk was.  De heer van Klaveren is het eens  met de stelling dat de commissie eerder geïnformeerd had moeten worden.

De heer Steegh licht toe dat in overleg met de gedeputeerden is gevraagd om voor het gehele Rijnlandse gebied één lijn te trekken.

De heer Heijnis licht de handelswijze van de provincie toe en legt uit dat de (onderzoeks)kosten om te komen tot 5 niveaus hoog zijn, en wellicht hoger dan de kosten om alles op één  niveau te  brengen.

N.a.v. vragen van mevrouw van der Laan, de heer van Warmerdam ,  mevrouw Topper-van der Salm en mevrouw Verboom-van den Akker licht de heer van Klaveren  toe:

  • Dat Rijnland inderdaad de IPO-methode ter discussie stelt;
  • Dat  het aanvullende onderzoek duidelijkheid moet geven/uitsluitsel moet geven over o.a. de kosten en de consequenties m.b.t. de onderlinge begrenzing;
  • Dat Schieland en de Brielse Dijkkring de denkwijze van Rijnland volgen maar nog geen besluit hebben genomen;

De heer van Warmerdam vraagt waarom het genoemde vergelijk met de voorgeschreven kadehoogtes en de actuele situatie alleen voor het gebied van Wilck en Wiercke is gebeurd. De heer van Klaveren  antwoordt dat W&W hun zaken goed op orde hebben, maar dat voor het onderzoek het gehele Rijnlandse gebied bekeken wordt.

Mevrouw van der Kooi-van den Kolk wijst op een artikel over toepassing van Surfactant. Met dit middel zijn slappe veendijken te verstevigen. De heer Steegh licht nog toe dat dit geen structurele maar slechts een tijdelijke oplossing is.

Mevrouw Louwe Kooijmans-Bouhuijs merkt nog op dat de legenda van het bijbehorende  kaartje niet duidelijk is.

De commissie stemt in met het voorstel.

VIII     Evaluatie WBP 2000-2004

De heer Steegh licht toe dat het stuk met de gedeputeerden van Noord- en Zuid-Holland is besproken. De reacties waren lovend, zodat de kans groot is dat positief op het voorstel gereageerd wordt. Een aandachtspunt is en blijft de afstemming van de diverse procedures, deze lopen niet synchroon. De provincies houden vooralsnog vast aan het eigen beleid/stramien.

N.a.v. vragen van  mevrouw Verboom-van den Akker antwoordt de heer Steegh:

  • Dat de opmerking op blz. 4, onderste alinea van de samenvatting: “de achterstand in de baggerprogramma’s in de polders is weggewerkt …” wellicht wat optimistisch is;
  • De nieuwe maatstaven uit de KRW er nog niet zijn, maar dat verwacht wordt dat de huidige streefnormen door de staatssecretaris tot resultaatsnormen verheven zullen worden;
  • De aanvoer vanuit het Markermeer in de beschouwingen wel degelijk wordt meegenomen, maar dat er ook dan geen zekerheid is dat er voldoende zoet water voor Rijnland beschikbaar is en dat Rijnland voor deze aanvoer sowieso afhankelijk is van het Rijk;

N.a.v. vragen van  de heer van Warmerdam antwoordt de heer Steegh:

  • Dat onderzoek naar de waterkwaliteit in de plassen prioriteit heeft gekregen omdat de beïnvloeding van de natuurwaarden door kwaliteitsverbetering van de plassen hoger is dan bij kwaliteitsverbetering van de boezem. [samenvatting blz. 5, onderste alinea]
  • Dat de middelen zoveel als mogelijk zijn aangewend, maar dat de schatting te hoog was. [samenvatting blz. 7, 2e alinea]

De heer van Klaveren  licht n.a.v. vragen van de heer van Warmerdam nog toe dat er voor de spaarndammerdijk een MER in voorbereiding is [samenvatting blz. 7, 6e alinea]

De heer Steegh antwoordt n.a.v. een vraag van mevrouw van der Laan dat er t.b.v. het nieuwe bestuur een lijst met aandachtspunten zal worden opgesteld, maar dat het nieuwe bestuur zelf de prioriteiten zal moeten vaststellen.

N.a.v. vragen van mevrouw Binnendijk-van der Heijden antwoordt de heer van Klaveren:

  • De toepassing van natuurvriendelijke oevers de bestrijding van muskusratten moeilijker maakt en dat daar bij de aanleg rekening mee gehouden moet worden;
  • Rijnland de ontwikkelingen m.b.t. het hergebruik van bagger volgt;
  • Er m.b.t. het beleid aangaande verspreiding van licht verontreinigde bagger geen nieuwe/aanvullende informatie is;

De heer Steegh licht nog toe dat de calamiteitenbestrijdingsplannen zeker onder de aandacht van het nieuwe bestuur zullen worden gebracht.

Mevrouw Binnendijk-van der Heijden vindt dat, m.b.t. het principe van “water als ordenend principe” [samenvatting blz. 8 5e alinea] er wel rekening gehouden moet worden met de functie van het desbetreffende gebied. De heer Steegh antwoordt dat er in ieder geval aandacht voor het water gevraagd moet worden en dat functiewijziging niet uitgesloten moet worden.

Mevrouw Topper-van der Salm stelt voor om op blz. 12 van de samenvatting het aspect “alternatieve wateraanvoer” verder aan te scherpen. De heer Steegh zal  bekijken of e.e.a. nog gewijzigd moet worden.

Op een vraag van mevrouw Louwe Kooijmans-Bouhuijs m.b.t. een aantal specifieke aandachtspunten (te brede steigers en woonschepen)  stelt de heer Steegh  voor deze bij de behandeling van de desbetreffende waterplannen aan de orde te stellen.

De commissie stemt in met het voorstel, behoudens  mevrouw Binnendijk-van der Heijden, deze overweegt een amendement.

X  Onderbouwing wateropgave Noord-Holland

De heer Steegh licht o.a. toe dat een door de provincie geplande hoorzitting niet is doorgegaan en dat het stuk -onder voorbehoud goedkeuring bestuur Rijnland- al bij de provincie ligt. Dit laatste i.v.m. de planning.

Naar aanleiding van vragen van mevrouw van der Laan antwoordt de heer Steegh dat Rijnland de mogelijkheid voor een -qua water- zelfvoorzienende Haarlemmermeerpolder open wil laten en dat er i.v.m. het ontbreken van landelijke/wettelijke normen, nog geen betere omschrijving dan “werknormen”  is.

Mevrouw Topper-van der Salm merkt op dat de op blz. 7 in de 1e alinea van de brief genoemde oppervlakte t.b.v. waterberging niet haalbaar is. De heer Steegh beaamt dit.

Mevrouw Louwe Kooijmans-Bouhuijs merkt op dat de legenda’s en de onderschriften bij de kaartjes niet erg duidelijk zijn.

Mevrouw Verboom-van den Akker vindt dat het stuk onvoldoende onderbouwing geeft.

De commissie, behoudens mevrouw Verboom-van den Akker, stemt in met het voorstel

XV   Mededelingen

 

c. Regionale Zoetwaterverkenning

Mevrouw Louwe Kooijmans-Bouhuijs is van mening dat de schade t.g.v.  een verhoging van het chloride gehalte meevalt, omdat de natuur zich over het algemeen  aanpast aan de omstandigheden. De heer van Klaveren  licht toe dat de natuur zich weliswaar aanpast aan zout of zoetwateromstandigheden maar dat het hier gaat om brak water, waarbij de biodiversiteit afneemt t.g.v. de fluctuaties in het zoutgehalte.

Mevrouw van der Kooi-van den Kolk vraagt of in het WB21-scenario, waarbij in 2050 sprake is van een verdubbeling van het oppervlaktewatertekort, de bergingslocaties al meegenomen zijn. De heer Steegh antwoordt dat dit niet het geval is.

Mevrouw van der Laan vraagt wanneer de op blz. 4, punt 5 genoemde integrale visie opgesteld wordt. De heer Steegh antwoordt dat dit in fase 2 gebeurd.

d.  Herstelplan Reeuwijkse Plassen;  plan van Aanpak fase 1 uitvoering

Mevrouw Verboom-van den Akker vraagt of er t.g.v. een flexibel peilbeheer nadelige effecten op de waterkwaliteit plaatsvinden t.g.v. mogelijke verrotting van de oevervegetatie. De heer Steegh antwoordt dat geen nadelige effecten op de waterkwaliteit te verwachten zijn.

De heer van Warmerdam verzoekt om een afschrift van het bezwaarschrift van de Reeuwijkse Vereniging van Watereigenaren en Rechthebbende Gebruikers, zoals in hun brief van 8 augustus 2004 nr 0414126 genoemd. Ook vraagt hij naar de resultaten van het namens W&W uitgevoerde onderzoek naar de plaats van het gemaal. De heer van Klaveren  antwoordt dat dit onderzoek waarschijnlijk pas in de volgende zittingsperiode afgerond is.

Mevrouw van der Laan vraagt zich af wat er gebeurt als W&W het gemaal op een andere plaats wil hebben. De heer Steegh antwoordt dat dat dan een zaak voor het nieuwe bestuur is.

3 Rondvraag

  • N.a.v. een vraag van de heer van Warmerdam naar de stand van zaken aangaande de arbitrage rondom het Boezemgemaal Spaarndam deelt de heer van Klaveren  mede dat er overeenstemming met de aannemer is bereikt, en er dus geen arbitrage volgt.
  • N.a.v. een vraag van de heer van Warmerdam m.b.t. een kort geding aangaande het baggerprogramma te Haarlem deelt de heer Heijnis mede dat de goedkoopste inschrijver niet over de juiste (milieu)vergunningen beschikte en daarom geweigerd is. Het kort geding is door Rijnland gewonnen. De inschrijver gaat echter in hoger beroep

Overige punten:

Besluitenlijst vergaderingen D&H:
Geen opmerkingen


 

Naar boven