Verslag commissie Waterbeheer 17 januari 2007

Logo van het hoogheemraadschap van Rijnland
 

Sidebar

Home > Bestuur > Agenda´s en verslagen > Commissie Waterbeheer > Verslag commissie Waterbeheer 17 januari 2007

Verslag commissie Waterbeheer 17 januari 2007

De onderliggendstukken van deze vergadering zijn te vinden op Agenda VV 31 januari 2007

Agenda

1. Opening

2. Mededelingen

3. Agenda punten VV 31 januari 2007

3.1 (nr 11) Studie Waterbezwaar

3.2 (nr 7) Peilbesluit Houtrakpolder

3.3 (nr 6) Peilbesluit Oudshoorn - Noord

3.4 (nr 3) Peilbesluit Rodepolder

3.6 (nr 5) Peilbesluit Hogeveensepolder

3.5 (nr 8) Peilbesluit Oosteinderpolder

3.7 (nr 15) Subsidieregeling Natuurvriendelijke oevers

3.8 (nr 18) Reeuwijkse plassen

4. Overige punten

5. Verslag 29 november 2007

6. Rondvraag

7. Sluiting

Verslag

1. Opening

De Voorzitter opent de vergadering.

2. Mededelingen


De heer Buijs heeft zich afgemeld. Verder zijn afwezig mevrouw Veninga en mevrouw Ruiten-Hogervorst.
De voorzitter merkt op dat de doelstelling van de vergadering is te komen tot voorstellen of tot besluitvorming door de VV kan worden overgegaan en of sprake is van een hamerstuk of niet.
Ook geeft hij aan dat van het voorstel met betrekking tot het Proefproject Sloene een aangepast voorstel is uitgereikt. In een alinea over de Stichting Veen was een feitelijke onjuistheid opgenomen. Dit is hersteld. Voor het overige is het voorstel in essentie gelijk gebleven.

De voorzitter stelt voor het voorstel met betrekking tot de Studie Waterbezwaar, dat al heel lang op de agenda prijkt, als eerste te behandelen.

3. Agendapunten VV 31 januari 2007


nr 11 (3.1) Studie Waterbezwaar


De heer Den Dekker mist in het voorstel het onderzoek of door ruilverkaveling een concentratie van tuinbouw te realiseren valt.
Daarmee zouden de voor die tuinbouw te treffen maatregelen voor een kleiner gebied uitgevoerd behoeven te worden en niet voor het gehele gebied met het oog op de verspreid liggende bedrijven.
De heer Sanders vindt het een ambitieus voorstel. Maar denkt ook dat gelet op de vijver waaruit gevist moet worden, Rijnland vooraan moet staan. De te treffen maatregelen kunnen niet achteraf bepaald worden.

De heer De Meijer heeft eerder al aangegeven dat op zich de studie niet ter discussie staat, maar wil aanvullen dat duidelijk moet zijn wanneer sprake is van wateroverlast. Afhankelijk als dit is van de normstelling. Duidelijk is dat als de norm (bijv. overstromingkans van stedelijk gebied 0%) wordt opgetrokken (bijv. 2 of 3%) al snel blijkt dat dan al geen maatregelen meer getroffen hoeven te worden. Vooral gekeken moet worden naar de redelijkheid van de (werk)normstelling of dat aanpassing nodig is. Dit kan namelijk vele tientallen miljoenen kosten schelen.

Mevrouw Louwe Kooijmans wil ervoor waken dat we door het - met het oog op de toekomst - wijzigen van de norm op een glijdende schaal terechtkomen. Zij vreest dat de te treffen maatregelen, bijvoorbeeld om de gevolgen van klimaatwijziging op te vangen, dan namelijk onbetaalbaar zullen worden.

De heer Bus vindt het een logisch voorstel. Hij vindt wel dat er realistische normen gesteld moeten worden om daar nog praktisch mee om te kunnen gaan.

Mevrouw Van der Laan begrijpt dat de normen als werknormen gezien moeten worden en dat per gebied daar uitwerking aan gegeven moet worden. O.a. meeliftend met uitvoering van plannen. Daar kan zij zich in vinden. Wel vraagt zij zich af wat het instrument is om te beoordelen of een plan volgens de NBW-uitgangspunten aan de normen voldoet. Er wordt namelijk ver vooruit gedacht wat de vraag oproept of de te treffen maatregelen robuust genoeg zijn en waar dat aan afgemeten wordt.

De heer Laban is het eens met de vorige sprekers.

De heer Straathof geeft om te beginnen aan dat in het voorstel een wijziging moet worden doorgevoerd met betrekking tot een aantal tabellen.
De heer Van Kruiningen licht toe dat dit een gevolg is van het feit dat het eerste moment van opstellen van die tabellen al weer enige tijd achter ons ligt. Dit heeft tot gevolg dat in die tabellen hogere kosten(ramingen) weergegeven moeten worden. Dit zal in de volgende versie van de nota verwerkt zijn.

De heer Straathof geeft vervolgens aan dat het nu in eerste instantie gaat om het vaststellen van uitgangspunten hoe verder te gaan met de studie en de uitwerking daarvan in maatregelen met die uitgangspunten als basis.
Om dure en grote inspanningen voor individuele bedrijven te voorkomen is het clusteren van bedrijven zo’n maatregel. Daarbij zal gezocht moeten worden naar het RO-spoor om dit te realiseren.

De uitwerking geeft vervolgens aan wat wel en wat niet uitgevoerd kan of moet worden, waarbij vooral ook de marges aangegeven zullen worden.

Naar aanleiding van de reacties uit de commissie geeft spreker aan dat de studie er inderdaad mede op is gericht inzicht te geven wat nog goed/redelijk en uitvoerbaar is en wat het realiteitsgehalte van de normstellingen is.
Daarvoor is het zgn. beheerdersoordeel nodig om te kunnen bepalen wat nog acceptabel gevonden wordt. Als het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) zonder meer gevolgd zou worden zou ongeveer 12% van het gebied van Rijnland tot water vergraven moeten worden.
Als – mede op basis van de beheerderskennis – een masterplan is opgesteld zal dit met de provincie besproken worden, met de vraag of daarmee een goede vertaling is gegeven van de NBW-afspraken, gelet op de gebiedseigen karakteristieken.
Anderen zijn Rijnland daarin al voorgegaan ook met nuancering van die NBW-normering, waarbij haalbaarheid een belangrijke factor is.

In 2e termijn geeft mevrouw Van der Laan aan te begrijpen dat een oordeel over juistheid en (NBW-)passendheid van de voorgestelde maatregelen pas in een volgende fase zal gebeuren bij het invullen van deelplannen. Zij vraagt zich daarbij af wat de rol van het overleg met de provincie daarin is.
De heer Bus pleit voor het optrekken van de normen. Een 0% overstromingskans voor stedelijk gebied is zijns inziens geen haalbare norm.
De heer Meijer vraagt om uitleg over wat het “beheerdersoordeel” inhoudt, nu dit oordeel er debet aan kan zijn dat de kosten van de te treffen maatregel een factor 10 à 12 lager zullen kunnen uitvallen. Als dit daadwerkelijk het geval is moet ook duidelijk zijn uit het voorstel dat weliswaar landelijke normen zijn vastgesteld, maar dat een beheerdersoordeel kennelijk aanleiding kan zijn tot een aanzienlijke nuancering van die normen, afhankelijk van het eigen gebied. Belangrijk is daarin dat de effecten van dat beheerdersoordeel op normstelling en kostenaspect in beeld gebracht worden.

De heer Den Dekker wil voorkomen dat een en ander voer voor juristen wordt.

Desgevraagd legt mevrouw Van Duin uit, dat de normen werknormen zijn die landelijk zijn vastgesteld. Dit zijn de uitgangspunten die via gebiedsuitwerking vertaald moeten worden en die vervolgens door de provincie in een verordening/regeling worden vastgelegd. Met de provincie zal overlegd worden in hoeverre van de werknormen afgeweken kan worden.
Daarom is Rijnland in de uitwerking van de maatregelen op zoek naar criteria om gemotiveerd af te kunnen wijken van die werknormen. Het probleem daarbij is het inzichtelijk houden daarvan.
Vooral ook omdat per gebied naar maatwerk gestreefd moet worden, dat helder in beeld gebracht wordt. Een middel daarvoor zijn de watergebiedsplannen.
In dit hele traject zullen een aantal beslismomenten voor de Verenigde vergadering opgenomen worden.

De heer Straathof voegt hieraan toe, dat het beheerdersoordeel dan ook een belangrijk onderdeel wordt van de verdere uitwerking in welk kader dit oordeel onderwerp van bespreking zal zijn.
De voorzitter merkt ter zake nog op dat de beheerders in een gebied precies weten waar de knelpunten liggen. Daartegenover staan de NBW-normen met enorme opgaven, bijvoorbeeld het vergraven van 12% van het gebied van Rijnland. Dat wil overigens niet zeggen dat de berekeningen die daaraan ten grondslag liggen onjuist zijn.
De uitdaging is nu om op juridisch verantwoorde wijze in de combinatie van de NBW-norm, het beheerdersoordeel en de Kosten-Batenanalyse te komen tot uitwerking van de te treffen maatregelen (bijv. plaatsen we een gemaal, doen we niets of zoeken we de oplossing in een grotere drooglegging).
Dit is de lastige procesfase waarin we nu verkeren, waarin de uiteindelijke gebiedsnormering  juridisch goed onderbouwd moet zijn.

De heer Van Kruiningen wijst er volledigheidshalve nog op, dat in het oog gehouden moet worden dat bijvoorbeeld bij de 0%-norm voor stedelijk gebied niet gedoeld wordt op extreme buien, maar van een normering voor buien van eens in de 100 jaar. Bij extreme buien is sprake van een nood- of overmachtsituatie ten opzichte van die normale norm.
De heer Straathof beaamd verder dat de verdere specificatie van het beheerders-oordeel er moet komen en dat daaruit naar voren moet komen waarom het realistisch is dat dit oordeel van zo grote invloed is op de uitkomsten.

De heer Van Kruiningen geeft desgevraagd aan dat bij het beoordelen van Rijnlands gebied met de gestelde normen blijkt dat vrijwel in elke polder er een deel is dat niet aan die norm (bijv. streefpeil) voldoet. Het gaat dan vaak om bijvoorbeeld bouwputten, plantsoenen e.d. Een betrekkelijk gering oppervlak dat beduidend lager ligt dan de rest van de polder. Indien zo’n gebiedje integraal wordt meegenomen in de beoordeling van het gehele peilgebied op grond van de normen blijkt dat juist daardoor de te treffen maatregelen van veel grotere omvang zouden moeten worden dan redelijk is, als dit gebied buiten beschouwing gelaten zou worden.
Daarom wordt beoordeeld of bij de normtoets dit soort gebiedjes uit de toets gehouden kunnen worden en uitsluitend de hoger gelegen gedeelten daarin meegenomen kunnen worden.

De voorzitter geeft aan dat dit onderwerp in een informele VV aan de orde zal komen en later in het kader van het masterplan de beleidsdiscussie kan plaatsvinden.

De heer De Meijer vraagt om dan via het verslag uitleg over een en ander aan de overige VV-leden te geven. Dit wordt toegezegd.
Bijgevoegd is een korte uiteenzetting over wat het beheerdersoordeel is. (Bijlage 1)

Nr. 7 (3.2) Peilbesluit Houtrakpolder

De heer Den Dekker is van mening dat dit peilbesluit al uitgebreid besproken is en is voorstander van het aannemen van het voorstel.

De heer Van der Smit merkt in zijn algemeenheid ten aanzien van de voorstellen over de peilbesluiten op, dat bij die besluiten maatwerk nodig is voor wat betreft de hoogwatervoorzieningen en onderbemalingen. Op dit moment is er veel onrust over het voortbestaan van deze voorzieningen omdat er geen garantie gegeven is of kan worden. Getracht moet worden deze onrust weg te nemen en te bezien of dat maatwerk onderdeel van het peilbesluit kan vormen. Belangrijk is dat duidelijkheid wordt verkregen over deze voorzieningen.

De heer Sanders sluit zich hier bij aan. Hij vraagt zich wel af of een onderbemaling of hoogwatervoorziening ook in de inspraak gebracht moet worden en of deze inspraak dan onderdeel kan zijn van de inspraak voor het peilbesluit, zodat ook in het voorstel voor het peilbesluit kan worden opgenomen dat de voorziening vergund is of kan worden.

De heer De Meijer merkt op, dat bij de behandeling van de peilbesluiten in de vorige commissie en de VV veel opmerkingen zijn geplaatst. Hij had begrepen en gehoopt dat daar nu in algemene zin op gereageerd zou worden. Hij heeft dan ook een probleem met het zonder meer volgen van de agenda, zonder dat die algemene discussie al heeft plaatsgevonden.

De voorzitter geeft aan dat nu het voorstel Houtrakpolder aan de orde is. Een peilbesluit waarin bijvoorbeeld de discussie over onderbemalingen geen rol speelt.

De heer De Meijer is van mening dat het belangrijk is het standpunt te bepalen over de behandeling van zienswijzen en wie daarvoor verantwoordelijk is, welke verantwoordelijkheid zijns inziens bij de VV ligt. Dit zou dan ook in het besluit tot uitdrukking gebracht moeten worden. Evenals overigens het standpunt van de VV over de visie van het college over welke gevolgen verbonden moeten worden aan die zienswijzen.

En in het peilbesluit dient ook zekerheid verschaft te worden over het al dan niet mogen voortbestaan van peilafwijkingen.

Voor wat betreft de Houtrakpolder merkt spreker concreet nog op dat er geen rechtsgeldig peilbesluit meer is. Dit betekent dat intrekking – zoals in het concept-besluit vermeld – niet nodig is en tevens dat er ook geen rechtsgeldige vergunningen meer zijn voor peilafwijkingen.

De heer Bus geeft aan het een probleem te vinden dat ingelanden die het niet eens zijn met het peilbesluit zich bij de provincie moeten vervoegen. Naar zijn idee is het toch aan de waterbeheerder om maatwerk te leveren.

De heer Laban geeft aan niet gecharmeerd te zijn van de wijze waarop het college deze materie op dit moment benaderd.

De heer Straathof geeft – ingaande op de opmerkingen – aan dat met betrekking tot het gevraagde maatwerk moet worden geconstateerd, dat in het peilbesluit of de toelichting daarbij alleen de voorlopige toets over het bestaansrecht van peilafwijkingen opgenomen kan worden.

In het peilbesluit kan daarin geen definitief besluit genomen worden, omdat voor peilafwijkingsvergunningen een eigen procedure is voorzien, die in feite pas kan starten als het peilbesluit is vastgesteld.

Aan de insprekers en de “bezitters” van een peilafwijking is bij het toezenden van de Nota van Beantwoording procesinformatie gegeven over het moment waarop de definitieve beoordeling van de individuele peilafwijkingen zal plaatsvinden.

Omtrent de zienswijzen en het commentaar daarop van het college merkt spreker op dat het college het als haar opdracht ziet een eerste reactie te geven op de zienswijzen. Daarna wordt het met het voorstel aan de VV voorgelegd. En uiteraard kan het gebeuren dat de VV het niet eens is met het voorstel (ook over de Nota van Beantwoording). In dat geval zal hiervan in of bij het besluit melding van gemaakt moeten worden, omdat dit mogelijk ook leidt tot aanpassing van het peilbesluit.

In de 2e ronde over dit peilbesluit worden geen opmerkingen gemaakt. De commissie concludeert dat dit voorstel niet als hamerstuk op de VV-agenda zal komen. De voorzitter heeft het gevoel dat het grootste deel van de commissie van mening is dat het wel als zodanig behandeld zou kunnen worden.

In verband met ongenoegen over de in gebruik zijnde ruimte wordt de vergadering kort geschorst en wordt verhuisd naar de VV-zaal.

Heropening

De voorzitter geeft naar aanleiding van de algemene opmerkingen over de peilbesluiten aan dat aan het college zal worden voorgesteld dat in het besluit wordt opgenomen dat de Verenigde vergadering kennis heeft genomen van de zienswijzen en het commentaar van het college daarop en dat geconstateerd is dat deze wel/niet leiden tot aanpassing van het peilbesluit.

In het besluit van de Houtrakpolder, was voor de duidelijkheid het intrekken van het oude peilbesluit opgenomen. Dit zal voortaan alleen worden opgenomen als het ook juridisch nodig is een oud peilbesluit in te trekken.

In verband met de alom gevoelde vraag naar duidelijkheid en zekerheid over het al dan niet voortbestaan van peilafwijkingen schetst de voorzitter de procedure om te komen tot het peilbesluit en de peilafwijkingsvergunning. Daarbij geeft hij aan dat

a. het algemeen belang via het concept-peilbesluit wordt afgewogen. Hij stelt voor dit concept voortaan in de Commissie Waterbeheer aan de orde te stellen.

b. In de inspraakprocedure algemeen belangen maar ook individuele belangen kunnen leiden tot het indienen van zienswijzen.

c. Daarbij wordt gekeken of de opmerkingen vanuit algemeen belang aanleiding moeten of kunnen zijn tot aanpassing van het concept.

Maar naar aanleiding van de aangevoerde individuele belangen wordt in het commentaar aangegeven dat slechts een voorlopige toets over het bestaansrecht van de peilafwijkingen gegeven kan worden in het kader van het peilbesluit.

d. In het kader van de goedkeuringsprocedure bij GS en de daarop volgende beroepsmogelijkheid kunnen die individuele belangen opnieuw worden aangevoerd.

e. Maar pas na vaststelling of onherroepelijk worden van het peilbesluit kan vervolgens via het beschikkingenspoor ook weer via een inspraakprocedure dat individuele belang worden afgezet tegen dat algemene belang, maar ook tegen individuele derden-belangen van bijvoorbeeld eigenaren van buurpercelen.

Toegezegd wordt dat zo mogelijk de informatie over dit proces naar de burger toe verder verduidelijkt zal worden.

De heer Sanders begrijpt dat betrokkenen een (zo mogelijk te verduidelijken) procedurebrief krijgen, waarin ook het voorlopige standpunt over de peilafwijking is opgenomen en dat de op de kaarten bij de peilbesluiten opgenomen peilafwijkingen uit de voorlopige toets voortkomen.

Dit wordt bevestigd.

De heer Van der Smit hoopt dat in het verslag een en ander duidelijk terug te lezen zal zijn. Hij begrijpt ook dat in het peilbesluit geen “voorlopige” beschikking over de peilafwijkingen kan worden opgenomen. Wel gaat hij er van uit dat als de omstandigheden niet wijzigen de voorlopige toets uit het peilbesluit ook gestand gedaan zal worden en dat daar alleen van afgeweken kan worden als er zwaarwegende argumenten zijn.

Ook dit wordt bevestigd met dien verstande dat derden-belangen daarin ook nog een rol kunnen spelen.

Getracht zal worden een schema te maken van de geschetste procedure.

Op een vraag van de heer Bus wordt aangegeven dat in de brief ook opgenomen is hoe in de periode tussen vaststellen peilbesluit en effectueren daarvan, maar ook het beoordelen van de peilafwijkingssituatie met de feitelijke peilafwijking wordt omgegaan. Daarbij wordt aangegeven dat deze uiteraard tot het moment van die afweging en het effectueren van het nieuwe peilbesluit kunnen voortbestaan.

De heer De Meijer geeft uitdrukking aan zijn tevredenheid dat nu duidelijkheid is gekomen die verwoord zal worden in het peilbesluit, vooral ook als het gaan over het (voort)bestaansrecht van peilafwijkingen.

Ook de voorzitter is blij dat er nu over en weer duidelijkheid is ontstaan.

Mevrouw Van Duin zegt toe dat de peilbesluiten vóór de VV uit nog zullen worden aangepast hierop en dat de besproken brieven voortaan zullen worden aangepast zoals afgesproken.

Nr. 6 (3.2) Peilbesluit Oudshoorn-Noord

Presentatie team peilbesluiten

De heer Van Dorp zou vanuit landbouwkundig oogpunt de peilen omgekeerd vaststellen.

Mevrouw Van Geffen geeft aan dat de functie in de polder vooral “openluchtrecreatie” is. Een peilverhoging zou voor het golfgebied te hoog worden, terwijl verhoging ook problemen zou opleveren in verband met de aansluiting met de Uiteindsche en Middelpolder.

De heer Den Dekker vraagt aandacht voor Zegerbaan-West in verband met de vervuiling uit de Coupé-polder, omdat hij uit de uitspraak van de Raad van State over die zaak begreep dat hiervoor misschien toch te duchten valt.

De heer Van der Smit heeft begrepen dat uit onderzoek (Zegveld) gebleken is dat het peil in de zomer van weinig invloed is op grondwaterdaling en het winterpeil daarentegen juist in grote mate. Hij vindt met het oog daarop de voorgestelde peilen heel logisch.

De heer Sanders is van mening dat als in de VV ruimte wordt gelaten voor het maken van opmerkingen dit voorstel als hamerstuk geagendeerd kan worden. En vraagt om in de VV de kaarten te projecteren.

De heer De Meijer constateert een tegenstrijdigheid in het voorstel, waarin aan de ene kant over peilafwijkingen wordt gezegd dat deze bestaansrecht hebben, terwijl aan de andere kant wordt aangegeven dat bij het indienen van een aanvraag toch gestreefd zal worden naar sanering.

Kijkend naar de criteria zou de betreffende peilafwijkingen so wie so al gesaneerd hebben moeten zijn.

Ook vindt hij het opvallend dat van één onderbemaling het gehanteerde peil niet bekend is.

De heer Straathof geeft in antwoord op de opmerking aan dat in de kwestie Coupépolder, Rijnland – na de uitspraak – de gemeente erop heeft gewezen dat adequate maatregelen moeten worden genomen. Deze kwestie moet echter los gezien worden van dit peilbesluit.

Voorts geeft hij aan dat het peilverschil uiterst klein is gehouden, terwijl via de aansluiting met de Uiteindsche Middelpolder ook verbetering wordt gerealiseerd.

Dat van een onderbemaling het gehanteerde peil niet bekend is hoeft op zich geen belemmering te zijn voor de voorlopige toets, omdat deze gebaseerd wordt op het gebruik van de grond en de maaiveldhoogte.

Mevrouw Van Geffen geeft in aanvulling hierop nog aan dat het beleid in de Beleidsregel Peilafwijkingen stelt dat bij afwijking van 10 cm of meer van de maaiveldhoogte een onderbemaling is toegestaan. In het geval van de alsnog te saneren onderbemaling is er sprake van een onderbemaling waarvan het maaiveld 19 cm hoger ligt. Daarbij is dus sprake van voldoende afwijking.

Niettemin is het voornemen om na het vaststellen van het peilbesluit toch met de betrokkenen in overleg te gaan om alsnog te komen tot opheffing van deze onderbemaling en mee te gaan met het in het peilbesluit gehanteerde peil.

In 2e termijn geeft de heer De Meijer met betrekking tot de te saneren onderbemaling aan dat het zijns inziens niet de bedoeling is het NUP (10 – 40 cm afwijking van de gemiddelde maaiveldligging) zo uit te leggen.

Gelet op de omstandigheden en het geldende beleid denkt hij voorts dat deze onderbemaling in principe opgeheven zou moeten worden.

De heer Van Dorp dringt erop aan de onbekende peilgegevens in die ene onderbemaling door middel van inmeten beschikbaar te krijgen.

De heer Straathof merkt naar aanleiding van het standpunt van de heer De Meijer op dat als het onderhavige gebied (20 cm hogere maaiveldligging) in de vaststelling van het algemene peil betrokken zou zijn er een ander peil zou zijn voorgesteld. Daarom wordt voorgesteld na vaststelling van het peil het bestaansrecht van deze onderbemaling definitief te beoordelen.

De heer De Meijer geeft naar aanleiding van deze beantwoording aan te overwegen daaromtrent een amendement in te dienen.

De voorzitter zegt in verband hiermede toe te zullen laten beoordelen of een en ander goed is geformuleerd in het voorstel, gelet op het NUP.

De heer Straathof vervolgt met nogmaals te stellen dat het bij de beoordeling van een onderbemaling niet nodig is het peil te kennen, omdat maaiveldligging en gebruik van de gronden daarin bepalend is. Wel vindt hij de kritiek op het ontbreken van deze gegevens terecht. Er zijn ook al activiteiten uitgezet (plaatsen peilschalen) om deze gegevens alsnog boven water te krijgen.

De voorzitter constateert afsluitend dat ook hier sprake is van een voorstel dat net niet als hamerstuk geagendeerd zal worden.

Nr. 3 (3.4) Peilbesluit Rode Polder

Presentatie team peilbesluiten

De heer Van der Smit schrikt van de weergegeven gemiddelde maaivelddaling, omdat sprake is van een kleipolder met een deel veen. Dit impliceert dat kennelijk in het veen sprake is van nog grotere maaivelddaling, met als gevolg sterke variatie in maaiveldhoogteligging naar de toekomst.

De heer Sanders is content met het uitgangspunt dat elke 3 jaar het peil aangepast wordt met 1 besluit. Hij is van mening dat dit dan wel in het peilbesluit tot uitdrukking gebracht moet worden.

De heren Laban en Van Dorp vragen naar  de bandbreedte bij het flexibele peilbeheer.

De heer De Meijer constateert in aansluiting op de opmerking van de heer Van der Smit dat hij zich afvraagt of de conclusie dat sprake is van een kleipolder wel juist is of dat deze had moeten worden genuanceerd in die zin dat gesproken zou worden van “kleiige elementen”. Hij merkt voorts op dat zijns inziens de norm van 60 cm drooglegging uit het NUP wordt overschreden.

Mevrouw Van Geffen geeft aan dat is uitgegaan van klei met veen waarbij bij het vaststellen van het peil is uitgegaan van het volgen van de maaivelddaling. Het dilemma daarbij was dat getracht wordt met het peil de functie goed te volgen, zonder dat dit sterke maaivelddaling tot gevolg heeft.

De overschrijding van de norm is voor het onderhavige deel een gevolg van de wens de functie goed te volgen. Overigens is voor het onderhavige deel van de polder de drooglegging 62 cm ten opzichte van een gemiddelde voor de hele polder van 67 cm.

De bandbreedte voor het flexibel peil is 10 cm (max. - 2,40 m NAP en min. -2,50 m NAP). Dit is opgenomen in het peilbesluit.

De heer De Meijer wijst er nogmaals op dat de maximale droogleggingsnorm van 60 cm bedoeld is om de functies te kunnen handhaven. Met het overschrijden van deze norm lijkt het erop dat dit zal leiden tot opheffing van de functies op termijn. Daarom vindt hij dat terug gegaan moet worden naar die 60 cm.

De heer Van Dorp stemt in met het voorstel, omdat hij van mening is dat geen sprake is van een veenachtige polder.

De heer Bus stemt ook in met het peilbesluit, maar vraagt nog aandacht voor het informeren van de twee insprekers over de handelwijze voor de tijd tussen oud en nieuw peilbesluit.

De heer Sanders stemt ermee in dit voorstel als hamerstuk te agenderen.

Mevrouw Louwe Kooijmans-Kooimans vraagt aandacht voor beantwoording van een stuk dat zij in december heeft opgestuurd, alsmede voor een nu door haar in te leveren aanvullend stuk.

Zij pleit ervoor bij de beoordeling van de grondslag van een polder ook een ecologische benadering te kiezen. Uit het feit dat er zeer veel weidevogels in deze polder voorkomen blijkt nl. dat er geen sprake is van een echte kleipolder. Deze polder heeft namelijk door afzetting e.d. een afwijkende kleistructuur en –samenstelling.

Zij is wel heel blij met het instellen van flexibel peil, alhoewel ze liever zag dat het hoge peil iets hoger zou worden vastgesteld, terwijl ze het niet eens is met het lage peil.

De heer Den Dekker is het 100% eens met het voorstel. Wel vraagt hij aandacht voor het up-to-date zijn van het kaartmateriaal.

De heer Straathof geeft aan dat uit het grondonderzoek voldoende duidelijk is dat er vooral sprake is van kleigrond. Op basis daarvan is met de richtlijnen uit het NUP voor kleigronden de situatie beoordeeld. Het voorstel moet ook gezien worden als een compromis, omdat lang niet toegegaan wordt naar een maximale drooglegging en bovendien gekozen is voor het toepassen van flexibel peilbeheer.

Omdat de brief aan de insprekers al verzonden is zal beoordeeld worden of deze nog aanvulling behoeft naar aanleiding van de eerdere afspraken gemaakt tijdens deze vergadering.

Belangrijk is daarbij ook aan te geven hoe de procedure is omdat één van de insprekers zijn zienswijze als bezwaar beschouwde.

Naar aanleiding van het commentaar van mevrouw Louwe Kooijmans-Kooimans geeft hij aan dat deze nevenfuncties wel zijn meegewogen. Anders zou voorstel tot grotere peilwijziging gedaan zijn.

Dat er in dit gebied veel weidevogels huizen is ook te danken aan de inbreng van de gebruikers van de gronden, die heel goed weten waar ze mee bezig zijn.

Met betrekking tot het indexeren van het peil geeft hij aan dat de vraag is of je wel zo vaak maaiveldmetingen zou moeten verrichten of toch zou moeten uitgaan van een langjarige extrapolatie van metingen met langere tussenpozen.

In 2e termijn vraagt de heer Van der Smit zich af of het wijzigen van de flexibele peilen zonder meer kan, omdat deze niet gestoeld is op een inspraakreactie. Hij vindt de suggestie op zich wel begrijpelijk, maar wil voorkomen dat procedureel een en ander mis gaat.

De heer Van Dorp ontkent dat er op kleigrond minder weidevogels zouden voorkomen, gelet op de hoeveelheid vogels op zijn kleigronden.

De heer De Meijer begrijpt dat het regelmatiger aanpassen van het peil via indexering beoogd een grote peilwijziging eenmaal in de 10 jaar te voorkomen, omdat dat laatste grotere effecten heeft op de maaiveldligging. Uit deze benadering leidt hij overigens af, omdat dit bij kleigrond geen probleem is, dat de grondslag in deze polder toch anders is dan uit het onderzoek naar voren is gekomen.

Daarnaast vindt hij dat goed moet worden beoordeeld of bij die forse maaivelddaling sprake is van een incidenteel gevolg van bijvoorbeeld HSL werken of dat sprake is van een structurele maaivelddaling. In het eerste geval zou het peilbesluit niet goed zijn.

Desgevraagd geeft mevrouw Riethoven aan dat bij een wijziging van het peil in het peilbesluit in feite sprake is van een nieuw peilbesluit, waarvoor opnieuw de inspraakprocedure gevolgd zou moeten worden.

Mevrouw Louwe Kooijmans-Kooimans vraagt of dan wellicht via het beheerregiem een en ander kan worden opgevangen zodat niet het peilbesluit behoeft te worden gewijzigd en de belangen door haar genoemd ook profijt hebben.

De heer Straathof geeft voor de duidelijkheid aan dat het voorstel behelst dat het voorgestelde peil wordt ingesteld als de benodigde werken klaar zijn. Het is niet zo dat daar gefaseerd naar toegewerkt wordt.

Vervolgens wordt bekeken via monitoring hoe de maaivelddaling zich manifesteert. Op basis daarvan moet worden nagegaan of sprake is van een eenmalige forse daling of dat die daling een meer structureel karakter heeft.

Daarop zal eventuele peilwijziging op grond van dit peilbesluit vervolgens worden afgestemd. Als het structurele maaivelddaling betreft zal de indexering plaatsvinden. Als blijkt dat sprake is van een incidentele forse maaivelddaling zal het peilbesluit aangepast worden.

De vragen van mevrouw Louwe Kooijmans zullen via of bij het commissieverslag worden beantwoord.

Dit voorstel zal niet als hamerstuk worden behandeld.

Nr. 5 (3.6) Peilbesluit Hogeveense polder

De heer Van Haaster heeft gevraagd namens LTO-Noord gebruik te mogen maken van het spreekrecht voor dit peilbesluit. Zijn betoog is bij dit verslag gevoegd. (Bijlage 2)

Ook de heer Van Paridon krijgt spreekrecht.

Deze geeft aan dat hij na de VV van 13 december jl. contact heeft gezocht met de schrijvers van het PPO-rapport. Daarbij is hem te kennen gegeven dat dit rapport gebaseerd is op de waterbehoefte van de teelt en dat er daarom geen onderscheid wordt gemaakt tussen winter- en zomerpeil. En omdat er in de winter geen waterbehoefte is omdat er geen teelt is is er naar zijn mening ook geen behoefte aan een winterpeil.

Bedoelde schrijvers vinden de suggestie van een drooglegging van 80 cm een goed advies. Dit met het oog op klimaatwijziging en toenemende mechanisatie.

Hij constateert dan ook een onjuiste interpretatie van het PPO-rapport door Rijnland en verder dat er geen noodzaak is tot het instellen van een winterpeil en vraagt daarom het oude peil te handhaven.

Op de vraag van de heer Bus of het probleem alleen in het instellen van een winterpeil ligt wordt bevestigend geantwoord.

De vraag van de heer De Meijer of ’s-winters sprake is van een drooglegging van 90 cm wordt door de heer Van ParidonVan Paridon beantwoord met de opmerking dat het huidige peil voor hem goed is.

De voorzitter vraagt ter verduidelijking naar het verschil tussen slootpeil en maaiveld, omdat bij een peilbesluit uitgegaan wordt van de gemiddelde drooglegging en niet van het grondwaterpeil.

Presentatie team peilbesluiten

De heer Van Dorp geeft aan dat vanuit het categorie-overleg toch wel wordt geuit dat men moeite heeft met dit voorstel. Belanghebbenden uit het gebied zeggen dat het moet blijven zoals het is of dat het peil zelfs nog lager moet worden vastgesteld. Ook zijn er mensen die hun onderbemaling geheel kwijtraken en dat veel mensen ook het peil omhoog zien gaan. Daarmee kan men niet uit de voeten.

De heer Bus constateert dat de adviezen van PPO en DLV uiteenlopen. Hij kan zich niet verenigen met het voorstel.

De heer Laban complimenteert de presentator, maar vindt dat wel tegemoetgekomen moet worden aan de eisen/wensen van de telers.

De heer Sanders vond het ook een goede presentatie en realiseert zich dat het niet altijd iedereen naar de zin gemaakt kan worden.

De heer Den Dekker vraagt zich af wat het bezwaar is tegen peilverlaging waar toch om wordt gevraagd.

De heer Straathof geeft aan dat in de praktijk het bij de heer Paridon gehanteerde peil volgens de gegevens 6 cm lag boven het formeel in het peilbesluit vastgestelde peil. Met een formele verhoging van 8 cm in het nieuwe peilbesluit wordt feitelijk derhalve slechts een verschil van 2 cm bewerkstelligd t.o.v. het gehanteerde praktijkpeil.

Daarmee wordt duidelijk dat de effecten van dit peilbesluit minder groot zijn dan gedacht.

De voorzitter geeft aan dat, mede naar aanleiding van kritiek uit de VV, nog eens heel gemotiveerd en gedetailleerd gekeken is naar de uitgangspunten en de noodzaak van de peilwijziging.

Gesproken kan dan ook worden van een gedegen voorstel. Het is nu aan de VV te bepalen of ingestemd kan worden met het voorstel of dat via amendementen wijziging daarvan wordt voorgestaan.

In 2e termijn geeft de heer Den Dekker aan dat de presentatie een deel van zijn vragen heeft beantwoord en dat hij begrijpt dat de effecten veel kleiner zijn dan lijkt.

De heer De Meijer begrijpt dat er nog overleg zal plaatsvinden en maakt daaruit op dat kennelijk nog niet duidelijk is welk peil gehanteerd moet worden. Hij heeft ook nog geen antwoord gehoord op de vraag waarom in een situatie met slechts 1 functie in het peilgebied niet ingegaan kan worden op het verzoek het peil lager vast te stellen.

Mevrouw Van der Laan meent dat er nog geen besluit mogelijk is, omdat er deels verwarrende informatie beschikbaar is en ook niet duidelijk is waarom voor dit peil is gekozen.

De heer Van Dorp sluit zich aan bij de vorige sprekers. Ook vraagt hij nog aandacht voor de onderbemalingen in dit gebied omdat hem bekend is dat een aantal ingelanden door het vervallen van hun onderbemaling echt in de problemen komen.

De heer Bus kan niet instemmen met het voorstel omdat hij het niet kan uitleggen waarom tot dit peilbesluit is gekomen.

Ook de heer Laban vindt de situatie onduidelijk.

De heer Sanders spreekt de hoop uit dat het punt wel op de VV-agenda blijft staan, omdat het onverkoopbaar is het nu weer daarvan af te halen.

De heer Straathof verklaart dat met KABV in overleg gegaan wordt om te komen tot inzicht voor de toekomst.

De DLV-rapport benadert de situatie vanuit de klimaatverandering. Op basis daarvan wordt ook geconcludeerd dat in de Hogeveense polder moet worden gekomen tot NBW-maatregelen in de vorm van extra berging en niet door te kiezen voor grotere drooglegging.

Inderdaad betreft het peilbesluit een belanghebbenden wat de afweging op zich eenvoudiger maakt.

Spreker hoopt voorts dat duidelijk is geworden dat niet zo gevreesd behoeft te worden voor de effecten van de opheffing van de onderbemalingen, omdat de effecten van het peilbesluit slechts gering zijn.

Voorts is getracht een verduidelijking te geven van de onderbouwing via de PPO-benadering. Hij merkt daarbij op dat er natuurlijk wel een keer een eind komt aan de bereidheid om een voorstel nader te onderbouwen.

En met betrekking tot de wens van de gebruiker van dit peilgebied constateert spreker dat de gekozen uitgangspunten het grondgebruik faciliteren.

De voorzitter constateert dat om tot een besluit te komen duidelijk moet zijn wat de werkelijk effecten zijn van het peilbesluit, afhankelijk als dat is van het gehanteerde (praktijk)peil. Hij geeft aan dat dit nader in beeld gebracht moet worden.

Als blijkt dat de effecten toch groter zijn dan de veronderstelde 2 cm dan zal heroverweging van het voorstel via het college lopen.

Mevrouw Van Duin zegt beantwoording van deze vraag toe via een nota van wijziging.

Voorts geeft de voorzitter nog aan dat het gememoreerde overleg gericht is op het verdiepen van kennis en niet om te komen tot wijziging van het voorstel.

En tot slot merkt hij op dat de afweging van een peilbesluit geschiedt op basis van vastgestelde normen en functie en maaiveldhoogteligging en niet op basis van de wensen van de gebruiker, ook al is er sprake van monofunctioneel gebied.

Met deze constatering stelt de voorzitter vast dat dit voorstel niet als hamerstuk in de VV behandeld zal worden.

Nr. 8 (3.5) Peilbesluit Oosteinderpolder

De heer De Boer wordt in de gelegenheid gesteld gebruik te maken van het spreekrecht.

Deze geeft aan dat het om vertrouwen te kunnen hebben in Rijnland nodig is dat de kweker zekerheid krijgt. Uit het verhandelde begrijpt hij dat er juridisch eerst een peilbesluit moet zijn voordat zijn wens om een hoogwatervoorziening aan te leggen kan worden beoordeeld. Dit begrijpt hij niet.

Ook de wijze waarop de in het overleg met hem aangevoerde 3 varianten in zijn ogen plotseling vervangen waren door een 4e variant boezemt hem geen vertrouwen in.

Hij geeft vervolgens aan dat hij met het voorjaar in aantocht binnenkort moet gaan planten. Zolang er niets geregeld is wordt dit gefrustreerd. Hij heeft Rijnland al op 27 november jl. op de hoogte gesteld dat de peilverschillen groter zijn dan gedacht. Sinds de stuw verwijderd is zijn zijn problemen al groot, en die worden alleen maar groter als ook het peil nog eens omlaag wordt bijgesteld en hij geen toestemming krijgt de hoogwatervoorziening door middel van een stuw in te richten. Deze zou overigens geen nadelige gevolgen voor zijn buurman (broer) hebben.

Uit een gesprek dat hij had met de heer Groen (hoogheemraad) begrijpt hij overigens dat er enig licht zou zijn.

De heer Bus constateert een vervelend pijngeval. Hij vraagt of bekend is wat het gesprek met de heer Groen heeft opgeleverd.

De heer De Meijer vraagt naar de drooglegging in dit gebied (90 – 100 cm de heer De Boer).

Presentatie team peilbesluiten

De voorzitter geeft aan dat de zaak van de heer De Boer onder de rechter is en dat er in verband daarmede geen uitspraken gedaan kunnen worden in deze kwestie. Het voorliggende voorstel betreft de algemene belangenafweging. Het individuele belang van de heer De Boer moet nog nader uitgewerkt worden.

De heer De Meijer vraagt zich af waarom dezelfde drooglegging in het ene peilbesluit een te grote drooglegging genoemd wordt en in een ander peilbesluit een te geringe drooglegging en hoe dit zich verhoudt tot het PPO-rapport.

Mevrouw Desmense geeft aan dat hier sprake is van een uitzonderlijke situatie met een smalle hoge strook bollenteelt in een voor het overige kleine graslandpolder met daardoor een grote variatie in maaiveldligging. De drooglegging in de bollenpercelen is 1 m of meer. Als Rijnland hierin zou moeten faciliteren zou het waterstaatkundig systeem grondig moeten worden aangepast.

Daarom is niet getracht naar een zinvolle benadering van de PPO-norm te komen, omdat dan tot versnippering van het gebied in wel 6 peilvakken zou moeten zijn gekomen.

De heer Sanders vraagt of voor de heer De Boer sprake is van een verloren seizoen? Hij vindt het overigens moeilijk te aanvaarden dat iemand kans loopt op een misoogst omdat er eerst procedures moeten worden doorlopen.

De heren Laban en Van Dorp zijn het hierin met de heer Sanders eens.

De heer Van der Smit begrijpt de zorg van de heer De Boer. Hij meent dat als de VV nu een besluit neemt waarin de toezegging is opgenomen dat de heer De Boer zijn hoogwatervoorziening kan aanleggen, dat hij daar misschien iets mee kan.

Mevrouw Louwe Kooijmans-Kooimans vraagt zich af waarom een perceel dat van nature hoog ligt de dupe wordt van omspuiting (en daardoor maaivelddaling) van een naastgelegen perceel.

De heer De Meijer geeft aan dat uit het peilbesluit duidelijk moet zijn, waarom één jaar na goedkeuring van het peilbesluit voor één peilvak al weer – ook voor dat peilvak een nieuw peilbesluit wordt vastgesteld waarin het peil naar beneden wordt bijgesteld.

Hij merkt voorts op dat voor de aanleg van een hoogwatervoorziening beoordeeld moet worden of de buurpercelen daarvan hinder ondervinden. Zoals ook geldt voor onderbemalingen.

De heer Straathof geeft aan dat de heer De Boer er zeer mee gebaat zou zijn geweest als dit peilbesluit op 13 december jl. zou zijn vastgesteld. Vóór die Verenigde vergadering uit was er al duidelijkheid en toegezegd was ook dat getracht zou worden het goedkeuringsproces bij de provincie te bespoedigen, zodat de heer De Boer snel tot aanleg van zijn hoogwatervoorziening zou kunnen komen.

Aan het eerdere peilbesluit was voor een belangrijk deel van de polder goedkeuring onthouden. Besloten is om opnieuw een integraal peilbesluit voor te bereiden, waarbij de situatie bij De Boer tot een andere peilvakindeling heeft geleid.

Dit maakt het nu juist mogelijk in te stemmen met de hoogwatervoorziening.

De voorzitter geeft aan dat het nieuwe peilbesluit de condities om tot een oplossing te komen heeft geoptimaliseerd en dat dit ook een titel geeft voor zo’n oplossing.

In 2e termijn geeft de heer Sanders aan kennis van te nemen van het oordeel dat de vertraging is veroorzaakt door het handelen van de VV. Hij vraagt ook te beoordelen of het mogelijk is vooruitlopend op de te volgen procedures in te stemmen met de aanleg van de hoogwatervoorziening zodat de heer De Boer niet gedupeerd wordt.

De voorzitter concludeert dat dit voorstel niet als hamerstuk zal worden geagendeerd voor de VV.

Mevrouw Van der Laan, mevrouw Louwe Kooijmans Kooimans en de heren Laban, Van Dorp, Bus en Van der Smit verlaten de vergadering.

De voorzitter constateert dat geen vergaderquorum meer aanwezig is. Voor het sluiten van de vergadering geeft hij nog wel de ook aanwezig heer Kranenburg de gelegenheid gebruik te maken van het spreekrecht voor wat betreft de agendapunten

Nr. 15 (3.7) Subsidieregeling Natuurvriendelijke oevers

Nr. 18 (3.8) Reeuwijkse Plassen

Reeuwijkse Plassen

Desgevraagd door de heer De Meijer geeft de heer Kranenburg aan dat de resultaten van een onderzoek in de Sloene niet implementeerbaar zijn in het gehele plassengebied.

De heer De Meijer vraagt zich voorts af waarom, nadat in 2000 afkoppelen als maatregel was geaccepteerd, dit nu opnieuw onderzocht moet worden.

De voorzitter voelt zich verantwoordelijk dat een aantal principiële vragen uit de betogen beantwoord moeten worden. Zo is hij van mening dat er zekerheid moet zijn over de keuze voor de Sloene. Indien deze niet op korte termijn gegeven kan worden zal hij voorstellen het punt van de agenda te halen.

De heer Kranenburg zal hiervan dan op de hoogte worden gesteld.

4. Overige punten


Geen.

5. Verslag 29 november 2006


Aan de behandeling van dit verslag is de commissie door het ontbreken van het vergaderquorum niet toegekomen.

6. Rondvraag


De heer Den Dekker vraagt de peilbesluiten beter over de vergaderingen te verdelen en vraagt tevens erop toe te zien dat de stukken leesbaar worden aangeleverd (niet teveel verkleinen). Dit was ook zijn opmerking in de vorige vergadering en niet dat er een te klein lettertype zou zijn gebruikt.

7. Sluiting

De Voorzitter sluit de vergadering om 13:40 uur.

Volgende vergadering: 28 februari 2007

 

Naar boven