Verslag commissie Waterbeheer 28 februari 2007

Logo van het hoogheemraadschap van Rijnland
 

Sidebar

Home > Bestuur > Agenda´s en verslagen > Commissie Waterbeheer > Verslag commissie Waterbeheer 28 februari 2007

Verslag commissie Waterbeheer 28 februari 2007

De onderliggende stukken van deze vergadering kunt u vinden op agenda VV vergadering 14 maart 2007

1. Opening

2. Mededelingen

5. Verslag 17 januari 2007 + Actielijst

3. Agendapunten VV 14 maart 2007

3.1 (nr. 5) Wijziging SBR ivm kopsloten Aalsmeer

3.2 (nr. 8) Handhaving oppervlaktecriterium voor beleidsregel peilafwijkingen

3.3 (nr. 9) Studie toekomstig waterbezwaar 2de fase

4. Overige punten

6. Rondvraag

7. Sluiting

Verslag

1. Opening


De voorzitter opent de vergadering.

2. Mededelingen


De heren Buijs, Van Dorp en Van der Hoeven hebben zich afgemeld. Verder is afwezig mevrouw Veninga.

De voorzitter stelt voor, in afwachting van de opstelling van een beamer, als eerste het verslag van de vergadering van 17 januari jl. te behandelen. Mevrouw Louwe Kooijmans zag graag het verslag altijd aan het begin van de vergadering geagendeerd. Dat voorkomt dat verslagen, zoals dat van 29 november jl., niet behandeld wordt omdat de vergadering uitloopt en er geen tijd meer is.
Met betrekking tot het verslag wordt afgesproken dat de commissieleden eventueel commentaar binnen een week aan de verslaglegger (vlist@rijnland.net) zullen doorgeven.

5. Verslag 17 januari 2007


Mevrouw Van Ruiten merkt op dat ten onrechte is aangegeven dat zij bij de vorige vergadering afwezig was zonder zich te hebben afgemeld. Zij heeft dit telefonisch gedaan.
Mevrouw Louwe-Kooijmans­ geeft aan de vergadering niet voor de sluiting te hebben verlaten. Zij heeft tijdens de rondvraag het Rapport Veenmond aan de voorzitter overhandigd. Deze zegde toe hiernaar te laten kijken. Zij verwacht daar ook nog een reactie op.
De heer Van der Smit stelt voor voortaan als er gasten bij de vergadering aanwezig zijn deze eerst desgewenst in de gelegenheid te stellen het woord te voeren, dan wel het agendapunt waarvoor zij gekomen zijn eerder te behandelen.
De voorzitter geeft aan dat dit inderdaad de voorkeur verdient.

Het verslag wordt met inachtneming van de gemaakte opmerkingen vastgesteld.

3. Agendapunten VV 14 maart 2007


nr 5 (3.1) Wijziging SBR ivm kopsloten Aalsmeer


De heer Straathof geeft aan dat deze wijziging nodig is om te voorkomen dat er zowel uit het Project Kopsloten Aalsmeer als uit de Subsidieregeling Baggeren Rijnland een vergoeding zou worden gegeven voor het baggeren.
De heer De Meijer leefde in de veronderstelling dat dit in de vergadering van 6 september al was besloten. De voorzitter geeft aan dat dit voorstel de formele uitwerking behelst van de mededeling in de vergadering van 6 september jl. dat in het kader van de voorbereiding van de Bestuursovereenkomst voor dit project is geconstateerd dat de SBR moet worden aangepast.

Op de vraag van mevrouw Van der Laan of mensen die niet aan het project wensen deel te nemen door deze uitzondering achter het net vissen, wordt geantwoord dat dit niet het geval is. In die gevallen blijven betrokkenen zelf onderhoudsplichtig en als zodanig blijven zij in aanmerking komen voor subsidie. Gelet op het voordeel van het project dat Rijnland het onderhoud overneemt is de verwachting dat veel mensen daaraan deel zullen nemen.
Met haar wordt geconstateerd dat het belangrijk is dit project goed te communiceren zodat bereikt wordt dat zoveel mogelijk mensen daaraan deelnemen. Zij verwacht bij een mindere deelname dat het lastig te controleren wordt wie wel en wie niet alsnog voor subsidie in aanmerking komt.
De heer Straathof deelt nog mede, dat het project nog niet ver in de uitvoering is omdat de provincie Noord-Holland nog maar recent definitief heeft besloten tot deelname.
De stand van zaken, de mate van deelname uit het gebied en de wijze van communicatie zal in de vorm van beantwoording technische vraag aan de VV worden medegedeeld.

Nr. 8 (3.2) Handhaving oppervlaktecriterium voor beleidsregel peilafwijkingen


De heer Straathof deelt mede dat in overleg met de heer Van der Hoeven geoordeeld is dat de discussie over dit onderwerp in de Verenigde vergadering zou moeten plaatsvinden. In de commissievergadering van 6 september jl. is dit ook zo afgesproken na discussie over dit onderwerp.
De heer Sanders toont zich verbaasd. En de heer De Meijer vindt dit een merkwaardige benadering. Naar zijn inzicht zouden vanuit de commissie ook vragen gesteld moeten kunnen worden, zelfs al zou een onderwerp als mededeling op de VV-agenda prijken.


Hij merkt daarbij op dat hij het voorstel niet begrijpt, waar staat dat een peilafwijking toegestaan is als mede wordt voldaan aan het criterium dat deze groter is dan 20% van de oppervlakte van het betreffende peilvak. Hij is van mening dat dit “kleiner dan 20%” zou moeten zijn.
De heer Straathof blijft bij zijn opmerking dat hierover in een vorige commissievergadering discussie is geweest met verschillende meningen en dat er afspraken zijn gemaakt en dat nu bezien zou moeten worden hoe de VV in zijn geheel dit onderwerp beoordeelt. De heer Van der Hoeven is die mening heel sterk toegedaan. Maar wellicht dat het stellen van vragen ook kan dienen ter voorbereiding op de discussie in de VV.
De heer Van der Smit geeft aan vooral goed te kijken naar de wijze van met elkaar vergaderen om te voorkomen dat niet slagvaardig wordt besloten, gelet ook op de vorige VV-vergadering. Hij is van mening dat een werkwijze waarbij stukken niet bevraagd zouden kunnen worden dit in de hand werkt.

De voorzitter stelt voor toch een ronde te houden.
De heer Van der Smit begrijpt het besluitvoorstel niet waarin “wel/niet” is aangegeven.
De heer De Meijer zal zich tot de voorzitter van de VV wenden over de gang van zaken. Hij blijft bij zijn standpunt ook na het verzoek van de voorzitter toch zijn opmerkingen te maken, zodat deze kunnen worden meegenomen.

De heer Sanders begrijpt niet waarom in het voorstel wordt gesproken over “en/of” en niet alleen maar over “of”, wat het volgens hem zou moeten zijn.
Daarnaast blijft hij een probleem houden met de rechtsongelijkheid die dit criterium veroorzaakt, als in vergelijkbare situaties in het ene geval wel en in het andere geen vergunning wordt verleend louter op basis van de grootte van het peilvak. Naar zijn mening zijn peilafwijkingen maatwerk en mogen deze niet daarvan afhankelijk worden gesteld.
De zin dat 6 peilafwijkingen zijn vergund, waarvan er twee niet zouden zijn verleend is ook verwarrend.
Dat een beleidsregel opnieuw ter inzage gelegd zou moeten worden mag natuurlijk geen reden zijn de beleidsregel niet te wijzigen.
De heer Den Dekker vraagt zich af of een peilafwijkingsgebied die meer dan 20% beslaat van een peilvak niet tot een apart peilvak zou moeten worden ingericht.
De secretaris merkt hieromtrent op dat het niet altijd zo is dat een peilafwijkingsgebied van meer dan 20% van een peilvak ook als peilvak wordt ingericht. Hiervoor is ook weer maatwerk nodig.
Mevrouw Ruiten-Hogervorst is van mening dat de mogelijkheid onderbemalingen in te richten ontzettend belangrijk is, zeker met alle peilbesluiten die nog moeten worden vastgesteld. Daarom moet wel duidelijk zijn waar men aan toe is.
De heer Straathof geeft aan dat het in het beleid gaat om nieuwe peilafwijkingen, waarbij gedoeld is op peilafwijkingen die onder het vorig geldende peilbesluit nog niet bestonden.
De secretaris voegt hier aan toe dat nu in feite alleen het oppervlaktecriterium ter discussie staat.
De voorzitter zegt toe dat de portefeuillehouder gevraagd zal worden zich over de gemaakte opmerkingen te beraden.

Nr. 9 (3.3) Studie toekomstig waterbezwaar 2e fase


De heer Houwing geeft een presentatie.
Gedurende deze presentatie verlaat de heer Den Dekker om 10.00 uur de vergadering om de commissie Bestuur en Concernzaken bij te wonen.
De secretaris geeft aan dat de opzet van deze presentatie en het voorliggende stuk is de VV te vragen mee te denken en argumenten en aspecten mee te geven waarmee concrete voorstellen met betrekking tot de te hanteren uitgangspunten voor een volgende VV-vergadering voorbereid kunnen worden.
De heer Van der Smit komt het voor dat het stuk vooral uitgaat van afvoeren of bergen en dat we daarmee snel aan de grens zitten van de mogelijkheden. Dit terwijl er naar zijn mening nog veel meer opties zijn, via bijvoorbeeld waterberging in openbaar groen (Wadi’s) of via functiecombinaties van o.a. sportvelden en waterberging. Hij vraagt vooral dit soort (innovatieve) oplossingen ook te betrekken in de discussie.
Mevrouw Louwe Kooijmans mist een visie op de toekomst in de wetenschap dat de klimaatverandering doorgaat. In dat verband zouden ook andere instanties gevraagd moeten worden zich te bezinnen over maatregelen, bijvoorbeeld in de vorm van functiewijziging van gebieden.
Volgens haar moet vooral voorkomen worden dat Rijnland steeds meer genoodzaakt zal worden schade te vergoeden.
De heer Straathof zegt hierop dat het NBW voorafgegaan is door het ontwikkelen van een visie en dat daaruit met name het zgn. middenscenario ook is ontwikkeld.
In het kader van ontwikkelingen wordt bovendien door Rijnland al richting gemeenten verzocht functiewijzigingen te overwegen, omdat in bepaalde gebieden de grens van de mogelijkheden al bereikt is. Glastuinbouw in veenweidegebied is daar een voorbeeld van.
De secretaris voegt hier aan toe, dat Rijnland daarin alleen maar adviserend kan optreden omdat de functies door provincies en gemeenten worden bepaald.
Naar aanleiding van de opmerking van mevrouw Ruiten dat de NBW-normen leiden tot het ophogen van peilen zoals bij de Hogeveense polder het geval is, merkt de heer Straathof op, dat juist bij de Hogeveense polder is besloten de NBW-normen nog niet leidend te laten zijn voor het vast  te stellen peil. Pas later zal beoordeeld gaan worden welke maatregelen nodig zijn om de berging te vergroten. In de basis is het peil nog altijd afhankelijk van grondsoort en grondgebruik (functie).

De heer Sanders heeft geconstateerd dat weliswaar normen worden vastgesteld maar dat daarvan kennelijk naar believen kan worden afgeweken. In dit verband brengt hij naar voren dat z.i. vaker een overcapaciteit van een gemaal gerealiseerd zou moeten kunnen worden, die ingezet kan worden in calamiteuze omstandigheden.
Ook zou hij graag zien dat noodstroomvoorzieningen gerealiseerd worden, omdat hij voorziet dat bij een grote langdurige stroomstoring daaraan sterke behoefte zal ontstaan.
Het beheerdersoordeel vindt hij belangrijk maar weinig tastbaar en het bestuur heeft daar weinig invloed op.
Daarnaast spreekt hij uit dat het een goede zaak zou zijn in de Gouwepolder een tweede gemaal te plaatsen, om de effecten van de vele onderbemalingen (peilstijgingen van soms wel 11 cm) te kunnen wegnemen.
Tot slot geeft hij aan dat ook bij de eigen wateropvang van grote bedrijven een voorziening getroffen zou moeten worden om te voorkomen dat vanuit deze wateropvang bij hevige regen grote hoeveelheden water direct op het oppervlaktewater geloosd gaan worden.

De heer Bus vindt het een goede zaak dat een en ander nu goed opgepakt wordt en dat de knelpunten nu goed in beeld gebracht worden. Bij het uitgangspunt over de schadevergoeding geeft hij de voorkeur aan het toepassen van de schaderegeling van de Gasunie.

De heer Straathof merkt op, dat behalve de door de heer Van der Smit bedoelde twee opties ook gekeken wordt naar de kosteneffectiviteit van het treffen van maatregelen om aan de normen te voldoen. En dat zou ertoe kunnen leiden, bijvoorbeeld omdat het bereiken van de normen in veenweidegebied een enorme opgaaf is, te opteren voor het vergoeden van schade omdat dit uiteindelijk goedkoper is dan het treffen van concrete maatregelen.
Daarnaast geeft hij aan dat bij onderbemalingen de handhaving geïntensiveerd wordt om te voorkomen dat de totale capaciteit van onderbemalingen in een gebied groter  is dan de capaciteit van het gemaal voor dat gebied.
De secretaris voegt hieraan toe dat nu getracht wordt de vaststelling van de uitgangspunten voor te bereiden en die dan via maatwerk ter vaststelling aan de VV voor te leggen. Daarna zullen in watergebiedsplannen de daaruit voortvloeiende maatregelen uitgewerkt worden. Ook daarbij zal de VV in een eerder stadium betrokken en bevraagd gaan worden.
Voor wat betreft de door de heer Sanders gewenste overcapaciteit geeft zij aan, dat bij een aantal gemalen daar al sprake van is. Daarnaast wil Rijnland een noodbemalingscapaciteit van 15m³/s hebben die dan voldoende moet zijn bij slim inzetten. Uiteraard zal bij de bouw van nieuwe gemalen bekeken worden, ook vanuit kosteneffectiviteit, of het zinvol is in zo’n geval een overcapaciteit in te bouwen.

Op verzoek van de heer Sanders wordt in het verslag opgenomen dat de VV regelmatig wordt geïnformeerd over het proces en ook gevraagd zal worden keuzes te maken.
Naar aanleiding van opmerkingen van de heer Warmerdam geeft de secretaris aan dat het effect van onderbemalingen c.a. wel (bij benadering) is meegenomen. In het kader van de watergebiedsplannen zullen ook de nog niet bekende onderbemalingen e.d. in beeld gebracht worden.
Met betrekking tot de kosten om te voldoen aan de normen, wordt door Rijnland op dit moment op basis van een pragmatische benadering een schatting gemaakt van ca. € 60 milj. Dit ten opzichte van schattingen in de orde van grootte van € 100 milj.

Mevrouw Louwe Kooimans vraagt zich af of het laten onderlopen van graslanden en het daarvoor betalen van een schadevergoeding ook geregeld kan worden via de zgn. Blauwe diensten, zodat dit wellicht uit een andere pot  betaald kan worden.
De heer Van der Vlist geeft aan dat vanuit Brussel heel scherp erop wordt gelet dat te verwachten schade niet bij voorbaat wordt vergoed via een jaarlijkse vergoeding. Het risico is aannemelijk dat dat beschouwd zal worden als ongeoorloofde staatssubsidie.

De heer Straathof gaat ervan uit dat deze mogelijkheden onderdeel vormen van de verkenning en weet dat in het oosten van het land regeling bestaan voor het laten onderlopen van land.
De heer Van der Smit is huiverig voor het ontstaan van heel veel conflicten als gewerkt zou moeten gaan worden met schadevergoedingen. Hij ziet nog heel veel mogelijkheden om bijvoorbeeld via rolcontainers of een soort ondergronds honingraatsysteem bergingsmogelijkheden te creëren.
Ook mevrouw Ruiten is tegen het verstrekken van schadevergoedingen en zag liever via goede afspraken zaken geregeld.
De heer Straathof merkt hieromtrent nog op dat uiteraard niet Rijnland breed naar het schadevergoedingsmiddel zal worden overgegaan. Dit is afhankelijk van de situatie. In het bollenareaal zal de schade-exponent heel anders liggen dan in andere gebieden.
Ook de 0%-norm moet genuanceerd bekeken worden. Dit betekent niet dat er in stedelijk gebied nooit meer een calamiteit kan optreden.

Tot slot merkt hij op dat bij de keuzes over het inzetten van noodbemalingen - bij locale buien maar ook gebiedsbrede situaties - de VV veel meer betrokken zal gaan worden bij het vaststellen van uitgangspunten daarvoor.

De secretaris schetst tot slot nogmaals dat de VV nu kennis neemt van het rapport en dat het belangrijk is dat vanuit de commissie suggesties e.d. worden meegegeven. Voorbeelden als Kampen met de wadi’s e.d. zullen dan meegenomen worden in de uitwerking van het voorstel over de uitgangspunten dat aan een volgende VV aan zal worden voorgelegd.
Gelet op het Rijnland brede belang is geoordeeld dat het rapport toch ook aan de andere VV-leden ter kennis moet worden gebracht, zodat ook zij hun inbreng kunnen hebben.

Voor de VV zullen kaarten behorende bij dit rapport ter informatie ter inzage worden gelegd.

4. Overige punten


Geen.

6. Rondvraag


Op de vraag van De heer Warmerdam over het Uitwerkingsplan Haarlemmermeer deelt de heer Straathof mede, dat nu een bestuursovereenkomst is getekend om in het kader van de wateropgaaf, maar ook de groen- en de woningopgaaf, overeind te houden dat Rijnland onderbouwd de piekberging in het gebied kan realiseren. Daarnaast is er ruimte geclaimd voor ca. 700 ha functiecombinatie omdat een claim om een dergelijke oppervlakte louter als waterberging in te richten niet realistisch is. Vanuit een pilot Bouwen met water zal vervolgens bezien gaan worden of die claim uitvoerbaar is. Zodra daarover meer duidelijk is zal dit ook aan de VV worden voorgelegd.
Rijnland heeft zich in deze bestuursovereenkomst overigens niet gecommitteerd voor een bepaald bedrag, maar staat in feite voor de waterstaatkundige ingrepen aan de lat.

Desgevraagd door de heer Laban geeft de secretaris nog aan dat recent bij het OM aangifte is gedaan van een overtreding van Schiphol, wederom met glycol, en dat het nu aan de officier is om de eventuele strafmaat te bepalen. Vorig jaar is aan Schiphol, met het oogmerk een ongewenste situatie ongedaan gemaakt te krijgen, tot tweemaal toe een dwangsom opgelegd. Daarover loopt op dit moment nog een beroepszaak. De dwangsommen zijn al wel geïnd. Afhankelijk van de uitkomst van de beroepszaak zal dit mogelijk terugbetaald moeten worden.

Mevrouw Louwe Kooimans merkt op dat zij – gelet op de onderwerpen en de gevoerde discussie – het gevoel heeft dat dit de wijze is waarop deze commissie zou moeten functioneren.
De voorzitter wijst er in dit verband op dat de enquête hierover in de commissie bestuur en concernzaken aan de orde komt en dat dit in de VV van april een vervolg krijgt. Hij vindt met mevrouw Louwe Kooimans dat gezocht moet blijven worden naar goede samenwerking tussen VV en het college.

7. Sluiting

De Voorzitter sluit de vergadering om ca. 10.30 uur.

Volgende vergadering: 11 april 2007

 

Naar boven