De onderliggende stukken van de agendapunten zijn te vinden bij de VV agenda van 25 april 2007
3. Agendapunten VV 25 april 2007
3.1 (nr.7) Gebiedsstrategie Kaderrichtlijn Water
Apart agendapunt: Zaak H.J. de Boer en J.M. de Boer (peilbesluit Oosteinderpolder).
3.2 (nr. 4) Subsidieverordening Baggerkosten Rijnland: inspraakreacties en vaststelling
3.3 (nr. 8) Aanleg natuurvriendelijke oevers 2007
3.4 (nr. 10) Voorbereidingskrediet baggeren Leiderdorp
- Project leggeroppervlaktewateren: Noodprocedure invliegen Rijnlands gebied, kredietoverschrijding
- Peilbesluit Stadsboezem Gouda
5. Verslag 28 februari + actielijst
De voorzitter opent om 9.00 uur de vergadering.
Mw. Louwe Kooijmans-Bouhuijs en mw. Veninga hebben zich afgemeld. Voorts is afwezig de heer Laban..
Mike Dijkstra geeft een power-point presentatie aan de hand van het voorliggende V.V.voorstel.
Hij licht het proces, de betrokkenheid van de V.V., de verhouding Wbp3 en KRW, en het maatregelenpakket toe. Tevens geeft hij aan dat in het thans van kracht zijnde Wbp3 al geanticipeerd is op de KRW (inrichting/levend water). Hij vermeldt de strategische doelen (veiligheid, voldoende en gezond water) en geeft de prioriteiten aan. De doelstelling van het KRW is het bereiken van een goede toestand van het oppervlaktewater, waarbij de chemische en ecologische toestand voor alle boezemwateren hetzelfde is, maar dat de ecologische toestand niet geldt voor polderwateren.
Dat betekent dat de waterbeheerder (aanvullende) vrijheid van beleid heeft ten aanzien vanpoldvan polderwateren.
Over de invulling door de waterbeheerders van de waterlichamen moet aan de EG en het Rijk worden gerapporteerd.
Naar aanleiding van presentatie worden de volgende opmerkingen gemaakt.
De heer Van Dorp is bang dat Rijnland te strenge emissienormen hanteert. Voorts is hem het verloop van het gebiedsproces niet helder.
Mw. Van der Laan waarschuwt er voor om niet alleen via de pragmatische methode te kijken naar het vast te stellen maatregelenpakket, maar daarbij ook voordurend te bezien waar Rijnland dan staat qua te behalen doelen. Voorts heeft zij een vraag over de betrokkenheid van de V.V. in het proces, met name over het besluitvormingsproces inzake de rapportages over de doelen en maatregelen.
Tevens is zij van mening dat de strategie om, bij weerstand vanuit het gebied tegen voorgesteld maatregelenpakket, de aanpak op te schalen naar de provincie en/of het Rijk iets te gemakkelijk is.
Voorts vindt zij dat er ten aanzien van het gestelde over de afvalwaterketenaanpak een sterkere keuze gemaakt moet worden, waarin ook het GRP wordt meegnomen.
Daarnaast is haar niet duidelijk wat het doel is van het isoleren van plassen en meren. Zij vraagt meer aandacht voor het laten meewegen van de effecten hiervan om te bezien of de maatregelen werken.
Verder vindt zij het maatregelenpakket in het algemeen voldoende, maar ziet zij gaarne dat bij (lokaal) maatwerk verder ingezoomd wordt op eventuele aanvullende maatregelen, zoals bijvoorbeeld de aanleg van een kademuur.
De heer van der Smit wil het financiële aspect direct in het maatregelenpakket meenemen.
De heer Buijs geeft aan dat hij zich goed kan vinden in het V.V.-voorstel. Met betrekking tot de werklijst vraagt hij zich af wat hiervan de status is, met name in die gevallen als blijkt dat er geen maatwerk nodig is.
Met betrekking tot het gestelde onder Concept strategie deelgebied Haarlemmermeer (blz.16) merkt hij op dat uit bijeenkomsten met de agrarische sector is gebleken dat het realiseren van extra baten door het combineren van functies door die sector als niet wenselijk werd beoordeeld.
De heer van der Smit brengt naar voren dat het streven van Rijnland om met het bedrijfsleven samen te werken weliswaar zijn instemming heeft, maar dat daarbij voor wat betreft de kosten/batenanalyse iedere partij gelijkwaardig moet worden behandeld. Voorts vraagt hij aandacht voor die gevallen waarin Rijnland geen maatregelen neemt. Dat stuit op weerstand in de gebieden.
Tot slot is hij van mening dat de ambities voor het gebied Gouweland te ambitieus zijn. Dat legt een te grote druk op het bedrijfsleven.
De heer Sanders vond de KRW-presentatie (een moeilijk en complex onderwerp) duidelijk en prettig. Hij vraagt een zeker evenwicht aan te brengen tussen het maatregelenpakket en de kosten. Hij is van mening dat Rijnlands emissiebeleid voor de landbouw niet strenger behoeft te zijn dan het Rijksbeleid.
Voorts is hij van mening dat de meren en plassen ook een voorbeeldfunctie vervullen.
De heer Bus is van oordeel dat de ambitie om tot schoon water te komen te zeer is geformuleerd vanuit de gedachte om dat van boven af aan anderen op te leggen, nu ook functies in gebieden zullen veranderen, onder andere inkrimping van de bollenteelt. Hij ziet gaarne meer belicht dat in samenwerking met partijen tot overeenstemming wordt gekomen.
Mevrouw Van Ruiten vindt dat de bollenteelt te negatief wordt afgeschilderd. Zij brengt naar voren dat deze sector het nodige doet aan het terugdringen van emissies. Ook Zij is van mening dat Rijnland niet strenger behoeft te zijn dan het Rijk.
De heer Van Dorp deelt mede dat ook de weidebouw naar zijn mening onevenredig zwaar wordt belast met de voorgestelde maatregelen. Ook hij vindt Rijnland te streng.
De heer De Meijer brengt naar voren dat boezemwateren en polderwateren elkaar voor wat betreft de chemische en ecologische toestand beïnvloeden. Nu voor polderwateren geen ecologische richtlijn geldt, zouden de gevolgen van de beïnvloeding van beide systemen juist in het maatregelenpakket tot uiting moeten komen. In dat verband vraagt hij zich af waarom op blz. 6 staat opgenomen dat eerst aan polderwateren moet worden gewerkt.
Met betrekking tot afvallende maatregelen geeft hij aan dat hij van mening is dat Rijnlands deze op voorhand niet zomaar moet laten vallen, maar aan de hand van eventueel draagvlak en meerwaarde moet bezien of er ook combinaties van maatregelen mogelijk zijn. Dat geldt volgens hem ook voor het opschalen van maatregelen naar provincie en Rijk.
De heer Den Dekker geeft als laatste enige opmerkingen in de marge. Hij is van mening dat de inspanningen die van het bedrijfsleven worden gevraagd, wat meer gefaseerd mogen worden, zodat er een gunstiger kostenplaatje ontstaat. In dat kader pleit hij voor een langzamer tempo ten aanzien van de te nemen maatregelen. Voorts is hij bang dat door al die maatregelen het vervoer te water wel eens de dupe van alle maatregelen kan worden.
De voorzitter bijgestaan door mw. Van Duin beantwoordt de opmerkingen als volgt.
De voorzitter geeft voor wat betreft de opmerkingen van de commissieleden over de juistheid en betekenis van de disproportionele maatregelen aan dat Rijnland bestuurlijk heeft gekozen voor een forse insteek richting KRW, maar daarbij wel met beide benen op
de grond blijft staan. Dat betekent onder meer dat er voor met name lokale projecten nuanceringen (maatwerk) kunnen worden aangebracht.
Mw. Van Duin vult aan dat, mocht blijken dat bijvoorbeeld grootschalige projecten financieel onhaalbaar zijn, dit bij de EG kan worden gemeld.
De voorzitter merkt op dat het de intentie van Rijnland is om overheden te laten participeren in projecten. In dat verband zou Rijnland ook kunnen meeliften met provincie en het Rijk.
Met betrekking tot de afvalwaterketen deelt de voorzitter mede dat Rijnland zo veel mogelijk wil samenwerken met de gemeente in die keten.
In verband hiermede staat Rijnland positief tegenover overname van het beheer en onderhoud van de gemeentelijke riolering.
Mw. Van Duin deelt mede dat het doel van het isoleren van plassen en meren is om daarmede de chemische en ecologische toestand te verbeteren.
De voorzitter vult aan dat plassen en meren gemakkelijker kunnen worden aangepakt.
Voor wat betreft de relatie tussen het kostenaspect en het maatregelenpakket deelt hij mede dat er uiteraard een afweging tussen deze beide aspecten zal plaatsvinden, maar dat daarbij ook gekeken zal naar de maatschappelijke effecten.
Voorts geeft hij aan dat waar in de tekst wordt gesproken van “weerstanden”, dit anders zal worden geformuleerd.
Ten aanzien van de opmerkingen die gemaakt zijn over de strenge Rijnlandse emissiebeperkende maatregelen deelt hij mede dat Rijnland de ambitie en intentie heeft om samen met de verschillende sectoren tot afspraken hierover te komen.
Mw. Van Duin geeft in dat verband het voorbeeld van een aantal rioleringsplannen waarover Rijnland en de gemeente tot overeenstemming kwamen.
De voorzitter deelt niet het gevoel dat de landbouwsector in het maatregelenpakket onevenredig wordt benadeeld.
In dat kader doet de heer De Meijer de suggestie om meer naar voren te brengen dat het gaat om het totaalpakket voor zowel de landbouw, het stedelijk gebied, en de awzi’s.
Ten aanzien van de opmerking over de uitwisselingsrelatie tussen boezem- en polderwateren, deelt de voorzitter mede dat hiernaar naar gekeken zal worden om dat beter te formuleren.
Mocht er voor een maatregelenpakket geen draagvlak bestaan, dan zal Rijnland dat pakket niet direct laten vallen, maar zal er gezocht worden naar een mogelijke oplossing, bijvoorbeeld bezien of het hanteren van de hardheidsclausule mogelijk is.
Over de fasering merk hij op dat die discussie op een later moment zal worden gevoerd, namelijk bij het vaststellen van het maatregelenpakket.
De commissie gaat akkoord met het V.V.-voorstel.
De heer Groen geeft een korte inleiding over deze zaak. De Oude Rijnstromen hebben eind 2004 voor de Oosteinderpolder een peilbesluit vastgesteld. Gedeputeerde Staten hebben begin januari 2005 alleen peilvak 3 goedgekeurd.
Esther Riethoven en Saskia Lukacs geven aan de hand van een power-point presentatie uitgebreid uitleg over de huidige en nieuwe peilsituatie, de lopende juridische procedures, de mogelijkheden van het aanvragen nadeelcompensatie en de werking van de Rijnlandse voorschotregeling, die gebaseerd is op de Verordening schadevergoeding Rijnland.
Thans is er voor het gehele gebied op 31 januari 2007 een nieuw peilbesluit vastgesteld. H.J. de Boer is het niet eens met de voorgenomen peilwijzigingen. Sedert het verwijderen van de hoogwatervoorziening zegt hij schade te lijden bij de huidige peilen. Hij verwacht dat de schade bij de nieuwe peilen alleen maar groter zal worden.
Het nieuwe peilbesluit wacht nog op goedkeuring van Gedeputeerde Staten.
Het is de bedoeling dat in de nieuwe situatie de peilvakken 2 en 3 bij elkaar worden gevoegd.
Hij heeft ondertussen een schadeclaim bij Rijnland ingediend. De schadeadviescommissie zal deze zaak op 29 mei 2007 behandelen.
Om voor nadeelcompensatie in aanmerking te komen, moet een peilbesluit onherroepelijk zijn geworden. Dat geldt thans alleen voor peilvak 3.
In de nieuwe situatie heeft H.J. de Boer recht op een hoogwatervoorziening. Rijnland is in afwachting van het goedkeuringsbesluit van Gedeputeerde Staten bereid hiervoor een gedoogbeschikking af te geven. Hiermede gaat H.J. de Boer niet akkoord. Voorts kan J.M. de Boer vergunning krijgen voor een laagwatervoorziening.
Om uit de ontstane impasse te komen en de beide broers behulpzaam te zijn bij het verkrijgen van de benodigde vergunningen heeft Rijnland een regiegroep in het leven geroepen, waarin de verschillende disciplines vertegenwoordigd zijn. Er zijn vele inspanningen verricht om tot een voor partijen aanvaardbare oplossing te komen, tot op heden helaas zonder resultaat.
Het conflict vindt zijn oorzaak in het feit dat beide broers zijn gebrouilleerd en met elkaar ruzie maken sedert de stuw op de grens van hun percelen is verwijderd.
Daarenboven heeft J.M. de Boer zijn land laten omspuiten en laten voorzien van onderbemaling. Er is een grote variatie in maaiveldhoogte.
Naar aanleiding van de presentatie worden de volgende opmerkingen gemaakt.
De heer Den Dekker vraagt aandacht voor het kostenaspect. Immers de oorzaak van de ontstane problemen ligt in het omspuiten van het laag gelegen land van J.M. de Boer. Daarvoor is Rijnland toch niet verantwoordelijk en aansprakelijk.
De heer De Meijer merkt op dat weliswaar zorgvuldig is omgegaan met de belangen van H.J. de Boer, maar vraagt hij zich af hoe ligt dat voor J.M. de Boer. Hoe is dat afgewogen.
Mevr. Van Ruiten vraagt of er aanwijsbare schade is, bijvoorbeeld aan de hand van foto’s.
De heer van der Smit merkt op dat infiltratiedrainage een oplossing zou kunnen zijn voor het land van H.J. de Boer. Voorts merkt hij op dat, nu zijn bedrijfsvoering in het geding is, ook het sociale aspect meegewogen zou moeten worden bij het vaststellen van nadeelcompensatie. Hij is niet bang voor een precedentwerking.
Mw. Van der Laan pleit voor een structurele oplossing, bijvoorbeeld door het terugbrengen van de verwijderde stuw.
De opmerkingen worden door de heer Groen met ondersteuning van Esther Riethoven en Saskia Lukacs als volgt beantwoord.
Zowel H.J. de Boer als J.M. de Boer hadden profijt van de aanwezigheid van de verwijderde stuw. De problemen zijn ontstaan door het omspuiten van het land van J.M. de Boer. De aanwezige drainage op het land van H.J. de Boer is een infiltratiedrainagesysteem.
Een oplossing zou kunnen zijn om de verwijderde stuw terug te brengen, maar dan moeten er wel omringende voorzieningen worden aangebracht (onder andere graven sloot, maken damwand) om schade te voorkomen.
Uit onderzoek blijkt dat de verwijderde stuw nooit vergund is. Waarschijnlijk is deze in de jaren zeventig aangebracht.
De voorzitter concludeert dat Rijnland in deze kwestie zeer zorgvuldig heeft gehandeld, en hierin inmiddels veel tijd heeft gestoken.. Regelmatig heeft Rijnland de beide broers de helpende hand toegestoken.
Deze zaak is op het bordje van Rijnland terecht gekomen omdat beide broers niet de intentie hebben om zelf de problematiek op te lossen.
Rijnland heeft gepoogd via generiek beleid deze zaak op te lossen en niet bij voorbaat te kiezen voor de juridische weg.
De bestuurlijke afweging die Rijnland heeft gemaakt, ligt nu ter beoordeling bij de schadeadviescommissie.
De commissieleden kunnen zich unaniem verenigen met deze gang van zaken.
Hoewel de heer Straathof opmerkt op dat de Subsidieregeling baggerkosten Rijnland als hamerstuk kan worden beschouwd, zijn er nog een aantal opmerkingen.
Mw. Van Ruiten merkt op dat de spoorsloten uit de nieuwe regeling zijn gehaald.
De heer De Meijer vraagt aandacht voor de begripsbepaling “overheid”. In de regeling zelf wordt alleen gesproken van “gemeente”. Dat spoort niet helemaal met elkaar.
De heer Buijs is er voorstander van om bij de aanvraag voor subsidie ook verschillende offertes te vragen en die te toetsen.
De voorzitter memoreert dat de Subsidieverordening Rijnland al is vrijgegeven voor inspraak, maar dat is afgesproken dat verordeningen eerst ter kennisneming naar de commissies en V.V. zal worden gezonden.
De commissie neemt positief kennis van de subsidieverordening.
Met betrekking tot het V.V.-voorstel worden de volgende opmerkingen gemaakt.
Mw. Van der Laan pleit er voor om concreet aan te geven welke watergangen zullen worden voorzien van een natuurvriendelijke oever. In het voorstel wordt gesproken van drie tot vijf kilometer aanleg natuurvriendelijke oever. Zij vreest dat dit een voorschot is om de vijf kilometer niet te halen.
De voorzitter antwoordt hierop dat waarschijnlijk meer dan vijf kilometer natuurvriendelijke oever zal worden aangelegd. Overigens zal een en ander worden bijgehouden in een voor een ieder toegankelijk logboek.
De heer Van Dorp vraagt aandacht voor eventuele gevolgen van de aanleg van natuurvriendelijke oevers op de populatie van de muskusratten.
De heer Den Dekker pleit voor terughoudendheid bij aankoop van gronden, die benodigd zijn voor de aanleg van natuurvriendelijke oevers.
De commissie gaat akkoord met het voorstel.
De commissie gaat unaniem akkoord met het V.V.-voorstel.
De heer Den Dekker vraagt tot hoever de Does gebaggerd gaat worden. Het plaatje laat zien dat er ook gebaggerd gaat worden in Hoogmade.
De voorzitter laat dit nagaan.
Noot notulist: De Does zal in zijn geheel worden gebaggerd, dus ook in het Hoogmadense deel. De subsidie beperkt zich echter tot het in de gemeente Leiderdorp gelegen deel.
Dit agendapunt wordt in aanwezigheid van Erwin de Groot behandeld.
De voorzitter geeft de stand van zaken weer. Rijnland heeft uit veiligheidsoverwegingen geen ontheffing van de Verkeersleiding van Schiphol gekregen voor het op bestekhoogte vliegen om foto’s te maken van de Rijnlandse oppervlaktewateren. Die foto’s zijn nodig voor het opstellen van de legger. Daarom is noodgedwongen gekozen voor laag vliegen. Omdat alleen in de lenteperiode zichtbare foto’s kunnen worden gemaakt, heeft er geen nieuwe openbare aanbesteding plaatsgevonden, maar is spoedheidshalve reeds mondeling opdracht gegeven aan Fugro. Een negatief aspect hierbij is dat de oorspronkelijke kosten aanzienlijk worden overschreden.
De heer De Meijer vraagt zich welke afweging er is gemaakt om tot deze keuze te komen. Is er bijvoorbeeld ook gedacht om foto’s in het veld met de hand te maken.
De heer Buijs vraagt hoe de procedure is verlopen. Is er opnieuw een openbare aanbesteding geweest. Hoe is de offerte getoetst en waaraan.
Erwin de Groot geeft een toelichting. Met de hand foto’s maken zou betekenen dat 10.000 km watergang in beeld zou moeten worden gebracht. Daarmede zouden onevenredig hoge kosten gemoeid zijn.
Het bedrag dat Rijnland nu moet betalen is aan de hand van een verstrekte specificatie nauwkeurig getoetst door een adviseur. Zijn conclusie is dat het te betalen bedrag marktconform is.
De voorzitter memoreert nogmaals dat de opdracht weliswaar opnieuw openbaar had moeten worden aanbesteed, maar dat omwille van de tijdsdruk gekozen is voor deze aanpak. De behandeling van een nieuwe procedure voor openbaar aanbesteden zou ongeveer een jaar in beslag hebben genomen. Dat is niet acceptabel, omdat het opstellen van de legger hoge prioriteit heeft.
De heer Buijs merkt in dat verband op dat het college dan de rechtvaardigingsgrond had moeten aangeven waarom het tot deze keuze is gekomen. Hij zou graag nog van het college een nadere toelichting hebben.
De heer De Meijer zou dan gaarne zien dat de V.V. op een of andere wijze alsnog zijn goedkeuring geeft aan de keuze voor deze noodprocedure.
De commissie neemt overigens positief kennis van de noodprocedure.
Dit agendapunt wordt in aanwezigheid van Marieke Desmense behandeld.
De heer Straathof geeft een korte inleiding.
Het peilbesluit is een continuering van de bestaande feitelijke situatie. Er zijn veel onderbemalingen in het gebied. Hij vraagt zich af of het slim is om tot samenvoeging van gebieden te komen.
De heer De Meijer merkt op dat er van verandering geen sprake is, en dat het peilbesluit dienaangaande geen nieuws onder de zon bevat.
Wel vraagt hij zich af of er wel toetsingsgronden zijn om de hoogte van droogleggingen en maaivelden te bepalen, nu er zo veel onderbemalingen zijn.
Voorts merkt hij op dat in het peilgebied ook een begraafplaats is gelegen. Hij vraagt welk peil daar wordt aangehouden.
Marieke Desemende deelt mede dat er zes onderbemalingen zijn geïnventariseerd, en dat er gekeken is in hoeverre het maaiveld afwijkt van het omringende gebied.
Zij geeft de totstandkoming van het peilbesluit weer.
De heer Straathof vult hierop aan dat er ook gekeken is om de onderbemalingen te clusteren. Hiervan is om praktische redenen afgezien.
De commissie neemt positief kennis van het peilbesluit Heksloot gebied.
De commissie neemt positief kennis van het peilbesluit Stadsboezem Gouda.
De commissie gaat zonder enige opmerking tekstueel en inhoudelijk akkoord met het verslag van het overleg op 28 februari 2007.
Met betrekking tot de actielijst merkt de voorzitter op dat er een foutieve lijst is meegezonden, zodat de goede lijst eerst in het volgende overleg aan de orde zal komen.
De heer De Meijer deelt mede dat enige tijd terug is besloten dat er een notitie opgesteld zou worden waarin staat aangegeven hoe peilgebieden ingericht worden. Hij vraagt wanneer die notitie gereed is.
De voorzitter antwoordt hierop dat nog niet een datum kan worden aangegeven.
De heer Van Dorp memoreert dat voor de Groenendijkse polder ongeveer drie jaar gelegen een peilbesluit is genomen. Volgens hem loopt er nu in het kader van de Flora- en Faunawet een onderzoek in dat gebied. Het staat hem bij dat er nog een procedure voor de behandeling van een bezwaarschrift of beroep loopt. Hij vraagt of Rijnland hierbij is betrokken.
De voorzitter antwoordt hierop dat een ander zal worden uitgezocht.
Noot notulist: Tegen het goedkeuringsbesluit van Gedeputeerde Staten is beroep ingesteld. Dat beroep is afgewezen. Hiertegen is hoger beroep in gesteld. Dat beroep zal op 8 mei 2007 worden behandeld.
De voorzitter sluit de vergadering om 12.40 uur
