3. Agendapunten VV 18 juli 2007
3.1 Kostenverdeling baggeren kopsloten Aalsmeer
3.2 Handhaving oppervlaktecriterium voor beleidsregel peilafwijkingen
3.3 Voorbereidingskrediet sluis en gemaal Zuid- en Noordeinderpolder
3.5 Voortgang Waterbeheersplan (WBP3)
3.6 Waterakkoord Sluis Bodegraven 2007
4. Overige punten (mededelingen)
4.1 1e TUssentijdseRAPportage (periode jan - apr. 2007)
4.3 Notitie Uitvoering baggerwerken
4.4 Tervisielegging ontwerp peilbesluit Het Zaanse Rietveld Peilvak 22d Ten Heuvelhofweg
De voorzitter opent om 9.00 uur de vergadering. Op zijn verzoek stelt Els Veenhoven, de nieuwe Directeur Strategie en Regulering zich kort voor.
Mw. Veninga is afwezig.
Beantwoording vraag van de heer Kempenaar.
De heer Straathof geeft aan dat hij in het Portefeuillehoudersoverleg een vraag van de heer Kempenaar heeft besproken met betrekking tot voormalen in geval van dreigende hevige regenval. Besloten is deze vraag vanuit dat overleg als technische vraag te beantwoorden en aan de VV voor te leggen. Dat is er ook oorzaak van dat zijn naam als vraagsteller wordt genoemd. In principe ligt deze beantwoording niet ter discussie voor in deze commissie.
In de beantwoording wordt aangegeven dat de criteria voor voormalen gelegen zijn in het feitelijk peil en de weersverwachting. Verzadiging van de grond is geen extra criterium.
De heer Bus geeft aan dat er veel ongerustheid heerst bij de mensen met gewas op het land. Vooral omdat de grond sterk verzadigd is en elke hevige bui problemen kan veroorzaken. Hij deelt daarom de ongerustheid van de heer Kempenaar en vraagt toch te willen bezien of niet meer op de omstandigheden kan worden ingespeeld. Mevrouw Van Ruiten-Hogervorst en de heren Laban en Van Dorp steunen dit verzoek.
De heer De Meijer verbaast zich over het stellen van vragen door een hoogheemraad en vraagt zich nu af of de hoogheemraad en het college het beschreven beleid onderschrijft.
De heer Van der Hoeven zegt toe, dat er in algemene zin nog een reactie gegeven zal worden op de vraag van de heer Bus, waarmee ook de vraag van de heer De Meijer beantwoord wordt.
De heer Van der Hoeven licht in vervolg op zijn informatie aan de Gebiedscommissie Noord toe, dat naar aanleiding van de informatieavonden over dit project de noodzaak werd gevoeld een aantal uitgangspunten te herijken.
Vooral het gevoel van onrechtvaardigheid van de eigenaren van de kop van de sloot, die wel zouden moeten meebetalen, terwijl de eigenaren van het begin van de sloot (aan de kant van de Ringvaart) dat niet hoeven omdat daar geen bagger aanwezig is (is opgestuwd naar de kop) gaf daar aanleiding toe.
Daarnaast is bij het vorige project in 2001 gebleken dat het innen van de bijdragen van onderhoudsplichtigen een jarenlang administratie en misschien ook wel juridisch proces vergt.
Daarom wordt nu voorgesteld het deel van de eigenaren voor rekening van Rijnland te laten komen. Dit omdat Rijnland snel aan de slag wil. Daarbij wordt wel van de oevereigenaren verlangt dat zij de oevers op adequate wijze van beschoeiing voorzien.
De heer Van der Smit kan zich goed vinden in deze zienswijze. Hij verwijst daarbij terug naar de discussie over overname stedelijk water. Daarin werd geconstateerd dat het baggeronderhoud door particulieren veel te ingewikkeld is geworden. Krampachtig vasthouden aan deze verplichting leidt tot veel procedures, imago-verlies van Rijnland en veel administratieve lasten.
Hij hoopt ook dat van dit project een precedentwerking uitgaat.
De heer Van Dorp is van mening dat er sprake zou zijn van rechtsongelijkheid als hiervoor gekozen zou worden. Want hoe verhoudt dit zich tot ingelanden die wel zelf voor de kosten van het baggeren van hun sloten opdraaien.
Mevrouw Van Ruiten-Hogervorst wijst nog eens op het feit dat hier de scheepvaart verantwoordelijk is voor de opstuwing.
De heer Buijs ziet in het voorstel geen nieuwe feiten. Hij is van mening dat er een goed convenant ligt na een eerdere discussie in de VV waarbij o.a. is uitgesproken dat de afkomst van de bagger niet relevant is. In dit convenant waren ook duidelijke afspraken over de kostenverdeling opgenomen. Van dit convenant kan Rijnland niet eenzijdig afwijken. Bovendien vindt hij het merkwaardig dat de bijdrage van de provincie Noord-Holland niet ook wordt verhoogd.
Daarnaast denkt hij dat Rijnland gebruik moet maken van zijn bevoegdheden en het nakomen van de onderhoudsplicht kan afdwingen, mèt kostenverhaalsmogelijkheden. Hij vindt het daarom een voorbarig D&H-voorstel en vindt dat Rijnland op de oorspronkelijk ingeslagen weg moet doorgaan.
De heer De Meijer vraagt zich af of het oorspronkelijke convenant nu ook wordt aangepast. Daarnaast vraagt ook hij zich af hoe we omgaan met de overige onderhoudsplichtigen.
Wel begrijpt hij dat hier sprake is van een uitzonderlijke situatie die een uitzondering op de regel, waarbij extra kosten voor rekening van de overheid komen, rechtvaardigt. Dat neemt niet weg dat de normale kosten van het eens in de 8 à 10 jaar moeten baggeren bij de onderhoudsplichtige thuishoren.
Daarnaast vindt hij dat toch zeker ook de provincie Noord-Holland om een extra bijdrage zou moeten worden gevraagd.
De heer Den Dekker begrijpt de problemen, maar vindt het principieel onjuist geen bijdrage van particulieren te vragen omdat dit tot rechtsongelijkheid leidt. Hij vindt overigens de tijd te kort om over de aangedragen oplossing te oordelen.
Mevrouw Van der Laan trekt de vergelijking met de overname van het stedelijk water waar ook een bijdrage van de gemeente wordt gevraagd voor het overnemen. Hier zou wellicht op dezelfde manier gewerkt kunnen worden, met bijvoorbeeld een soort gemiddelde afkoopsom per m’. Zij is het voorts eens met het stevig inzetten op de verplichting de oevers te beschoeien.
De heer Van der Hoeven geeft aan dat hier sprake is van het dilemma tussen rechts(on)gelijkheid en de voortgang van een project, waarbij bovendien sprake is van extreme omstandigheden. Het probleem bestaat reeds jaren, waarbij de Raad van State al geruime tijd geleden heeft uitgesproken dat de overheden voor een oplossing zouden moeten zorgdragen. Veel overleg heeft uiteindelijk geleid tot het convenant. Het lang uitblijven van het tot stand komen van dit convenant was ook de oorzaak van het uitblijven van de informatieavonden, waarvoor een aantal malen door mevr. Oosterloo aandacht was gevraagd.
Het opnieuw aangaan van overleg met de provincie voor een extra bijdrage zou leiden tot vertraging van het project. Hij zegt evenwel toe dat er nog wel overleg met de provincie gevoerd gaat worden over die extra bijdrage. Hij wil echter niet op de uitkomst daarvan wachten en het uitvoeren van het project daar ook niet van laten afhangen.
Een probleem met de voorgestelde oplossingsmogelijkheden is dat voor het kunnen vragen van een bijdrage er sprake moet zijn van een verplichting bij de betreffende ingeland. En deze is er alleen als er sprake is van verondieping ter plekke, waarvan geen sprake is bij de eigenaren van de percelen aan de ingang van de kopsloten. Voor het vragen van een bijdrage van deze eigenaren bestaat derhalve geen titel op grond van Rijnlands keur.
Daar komt nog bij dat Rijnland op de laatste informatieavond werd geconfronteerd met de mening uit het gebied dat het vorige project (2001) mislukt was en dat men toen heeft bijgedragen in iets dat niet geleverd is. Dit omdat er geen structurele oplossing gevonden is en er opnieuw binnen korte tijd gebaggerd moet worden. Dit was mede reden om ervoor te kiezen het onderhoud door Rijnland te laten overnemen.
Hij is overigens van mening dat de voorgestelde oplossing geen strijd levert met het convenant. En de praktische benadering voorkomt in ieder geval veel procedures, imagoverlies Rijnland en administratieve lasten.
Voor precedentwerking vanuit dit project is hij niet bang omdat hier sprake is van een unieke situatie die elders in het gebied van Rijnland niet voorkomt.
Naar aanleiding van een opmerking van mevrouw Ruiten- Hogervorst merkt hij op dat in het convenant is opgenomen dat indien uit monitoring zou blijken dat er als gevolg van de scheepvaart opnieuw extreme aangroei van de bagger plaatsvindt de provincie opnieuw zal moeten bijdragen in het baggeren.
Spreker is van mening dat het convenant niet behoeft te worden aangepast. Toegezegd wordt dat wel overleg met de provincie zal volgen voor een verdere bijdrage van de provincie, indien gekozen wordt voor de thans voorgedragen oplossing. Deze bijdrage zal evenwel niet als voorwaarde gelden voor de uitvoering van het project.
Hij deelt de mening van mevrouw Van der Laan dat het aanbrengen van beschoeiing langs de oevers ter plaatse van groot belang is.
De heer Buijs kan de heer Van der Hoeven niet volgen. Hij is van mening dat de onderhoudsplichtigen de keus gegeven kan worden deel te nemen aan het project en dat anders een handhavingstraject ingezet zou moeten worden.
Daarnaast is hij van mening dat deze aanpak de deur voor andere ingelanden openzet om ook te stellen dat de in hun eigendom aanwezige bagger niet van hen is. Van deze aanpak gaat een verkeerd signaal uit.
De heer De Meijer begrijpt dat het afdwingen van een financiële bijdrage van alle betrokkenen een ondoenlijke zaak is. Hij is van mening dat juist ook het overnemen van het onderhoud de basis zou moeten zijn voor het vragen van een financiële bijdragen. Daarvoor zal echter ook met alle onderhoudsplichtigen overleg gepleegd moeten worden.
Hij pleit er ook voor in het stuk op te nemen dat in principe de bijdrage van de Provincie Noord-Holland ook gebaseerd moet worden op de nieuwe inzichten.
Hij is er wel van overtuigd dat Rijnland daar zal moeten baggeren.
De heer Den Dekker vindt het terugkomen op vastgesteld beleid niet sterk.
Mevrouw Van der Laan pleit ervoor inderdaad voor het overnemen van het onderhoud een bijdrage te vragen, vooral omdat dit de ingeland voordeel oplevert, omdat hij daarmee verlost wordt van zijn onderhoudsplicht.
De heer Van Dorp constateert dat in dit gebied al geruime tijd geen schouw is gedreven en er geen onderhoud (gekroosd) is gepleegd. Ook heeft er verlanding plaatsgevonden. Hij heeft begrip voor de administratieve rompslomp maar is van mening dat er wel degelijk een afkoopsom o.d. gevraagd moet worden.
De heer Van der Smit wijst er nog op, dat vanuit de gedachte van eenheid van water- en eco-systemen er in feite ook al een verantwoordelijkheid bij Rijnland ligt om te gaan baggeren, omdat steeds duidelijker wordt dat dit een gemeenschappelijk probleem is dat je niet bij individuele ingelanden mag neerlegeen.
Met betrekking tot het convenant stelt hij nog dat de juridische regels bepalend zijn voor het kunnen vragen van bijdragen en dat daarvan in een convenant niet afgeweken kan worden. Dat zou alleen kunnen als die spelregels (keur e.d.) gewijzigd zouden worden.
Overigens is hij van mening dat het terugkomen op eerder ingenomen standpunten ook blijk kan geven van durf.
De heer Sanders vraagt zich af of er wellicht ruimte zit in het feit dat de onderhoudsplichtigen geen partij zijn in het convenant, omdat dit een overeenkomst is tussen de drie betrokken overheidsinstanties.
En zijn er ook technische oplossingen van bijvoorbeeld afdammingen onder de waterspiegel beoordeeld?
De heer Van der Hoeven stelt in zijn algemeenheid dat in het WBP ook is aangegeven dat gekeken zal worden naar de mogelijkheden om het onderhoud in het gehele gebied over te nemen. Daarbij dient natuurlijk wel de vraag naar de maatschappelijke kosten. Dit biedt uiteraard voor het voorliggende project niet de directe oplossing.
Dat in dit gebied, zoals de heer Van Dorp stelt, al jaren niet geschoond en geschouwd is is een gevolg van de langdurige overleggen en onderhandelingen die aan dit voorstel voorafgegaan zijn. Ook was de uitspraak van de Raad van State daaraan debet, doordat deze de verantwoordelijkheid voor een oplossing bij de overheden heeft neergelegd.
Het project leverde, zoals gezegd, de vraag wat de meest efficiënte wijze is om de bagger te verwijderen, zonder imago-schade, langdurige procedures en administratieve lasten. Dit lijkt alleen te kunnen als het deel van de kosten van de ingelanden wordt overgenomen. Duidelijk moge zijn dat het verplichten tot aanleg van een beschoeiing op zich ook lastig genoeg is.
Maar ook het overnemen van de onderhoudsverplichting levert dezelfde discussie ten aanzien van de eigenaren van de percelen aan het begin van de sloot, zoals hiervoor ook al aangegeven ten aanzien van de aanwezigheid of afwezigheid juist van bagger.
De heer Van der Hoeven constateert dat dit onderwerp al zo vaak in discussie is geweest in de commissie, dat alle inhoudelijke argumenten al de revue zijn gepasseerd. Hij wil voorkomen dat de discussie zich herhaalt. Hij stelt daarom de commissie zich te laten uitspreken of dit een zodanig voorstel is dat dit als hamerstuk kan worden behandeld. Indien de commissie die mening niet is toegedaan, dan zou de discussie daarover in de VV moeten plaatsvinden.
Hij geeft daarbij nog mee dat de discussie dan niet moet gaan over onderbemalingen, maar over de vraag of een oppervlaktecriterium wordt toegepast of niet.Dit stuk wordt als discussiestuk geagendeerd.
De heer Straathof geeft aan dat beoordeeld moet worden of Rijnland vanuit zijn taak gehouden is de sluis te vervangen. Het voorbereidingskrediet is daarom beperkt tot het vervangen van het gemaal omdat dat heel concreet Rijnlands taak is. Gelet op de onderhoudstoestand van het gemaal is vervanging een dringende noodzaak. Renoveren van het gemaal zou kostbaarder zijn en bovendien toch ook minder duurzaam.
Over het vervangen van de sluis zal nog overleg gepleegd worden met de gemeente Alphen aan den Rijn.
De heer Van der Smit erkent dat het beheren van een sluis op zich geen waterschapstaak is, maar hier is natuurlijk wel sprake van een cultureel erfgoed als onderdeel van het watersysteem. Hij is er nog niet uit of Rijnlands standpunt zou moeten zijn zich in het geheel niet met het behouden van cultureel erfgoed bezig te houden. Aan de andere kant wil hij ook niet zo ver gaan dat Rijnland koste wat het kost dergelijke kunstwerken zou moeten behouden. Hij zag daarin graag een bandbreedte vastgesteld waarbinnen die keuze gemaakt zou kunnen worden. Hij kan nog niet zeggen wat dit betekent voor zijn standpunt over dit voorstel.
Mevrouw Van der Laan is van mening dat Rijnland zich de principiële vraag moet stellen of wel een bijdrage geleverd moet worden aan het vervangen of herstellen van de sluis. En als Rijnland vindt dat dat nodig is, dan zou ook de gemeente een bijdrage moeten leveren.
Zij vraagt voorts of bij het gemaal gedacht wordt aan de aanleg van een vistrap.
De heer Den Dekker heeft bedenkingen bij herstel van de sluis. Hij is van mening dat als de sluis geen belangrijke functie heeft, deze gesloopt zou moeten worden en de waterkering hersteld zou moeten worden.
De heer De Meijer leest in het stuk dat in het peilbesluit eisen gesteld zouden zijn aan de capaciteit van het gemaal. Hij heeft dit niet terug kunnen vinden. Een vergroting van de capaciteit van 95 m³ naar 120 m³ is overigens een flinke vergroting en hij vraagt zich af of dit gerelateerd is aan de grootte van het achterliggende peilvak. Ook hij is van mening dat de keuze van Rijnland voor wat betreft de sluis afhankelijk gesteld moet worden van het standpunt van de gemeente.
Alleen vindt hij dat Rijnland eerst zelf een standpunt moet innemen over vervanging van de sluis en aan de hand daarvan moet bepalen of het dan nog nodig is de gemeente er bij te betrekken.
De heer Straathof merkt op dat de door de heer Van der Smit gewenste bandbreedte (nog) niet beschikbaar is. Hij geeft aan dat het college van mening is dat de voorbereiding beperkt dient te worden tot datgene wat tot Rijnlands taak behoort. Hij zegt toe dat in een nota van wijziging dit duidelijker tot uitdrukking gebracht zal worden.
De capaciteit van het gemaal is afhankelijk van het karakter en het gebruik van het gebied, waarop ook het peilbesluit is gebaseerd.
Impliciet is dit peilbesluit dus ook basis voor de capaciteit.
Bij de bouw van een gemaal wordt voorts altijd beoordeeld of de aanleg van een vistrap mogelijk is. Indien dit niet mogelijk blijkt wordt ook aangegeven waarom niet. Maar dat zal in de voorbereiding duidelijk moeten worden.
Toegezegd wordt dat mèt de nota van wijziging ook een situatie-tekening meegezonden wordt, zodat duidelijk is over welke locatie het gaat. Daarbij zal ook aangegeven worden welke oppervlakte met het gemaal wordt bestreken.
Tot slot herhaalt spreker dat de onderhoudstoestand van het gemaal voortgang van het proces nodig maakt en dat daarbij niet gewacht kan worden op het overleg met de gemeente over vervanging van de sluis.
De commissie besluit dit punt als hamerstuk te agenderen.
De heer Van der Hoeven geeft aan dat het stuk redelijk abstract is. Reden voor het toevoegen van de brochure die goed laat zien hoe een en ander uitpakt in het gebied.
De heer De Meijer vindt dat de voorgestelde strategie voldoende duidelijkheid biedt over waar we nu staan. Ook voor wat betreft de keuzes die nog gemaakt moeten worden over maatregelen ten aanzien van de waterlichamen.
Hij kan ook uit de voeten met de uitgestippelde weg daar naar toe, waarbij ervoor wordt gekozen er in ieder geval voor te zorgen dat de watergangen in bijzondere gebieden (natura 2000 e.d.) in 2015 op orde zijn.
Hij krijgt uit de brochure ook de indruk dat we op de goede weg zijn, hetgeen als compliment beschouwd mag worden.
De heer Den Dekker benadrukt dat ook de provincie Zuid-Holland als betrokken partij genoemd moet worden. Daarnaast heeft hij een probleempje met het ontwerp van de brochure (nutteloos flapje).
Mevrouw Van der Laan kan zich vinden in de aanpak. Alleen is haar niet duidelijk waartoe zij besluit als onder 2 en 3 van het voorstel wordt gevraagd in te stemmen met het afwegingskader, dat zij niet terug kan vinden.
Daarnaast is één van de criteria volgens haar niet duidelijk, als wordt gesproken over het behalen van de grootste winst. Zij vraagt uitleg over dit begrip.
Mevrouw Ruijten-Hogervorst vraagt zich af of de gestelde doelen niet te ambitieus zijn en of de agrarische sector niet erg zwaar wordt belast. Ook vraagt zij zich af waarom het gebied van Schiphol niet genoemd wordt.
De heer Bus vraagt naar de impact van waartoe in dit kader wordt besloten.
De heer Straathof wijst erop dat ook het Regeringsstandpunt ten aanzien van de combinatie water/wonen/recreëren van invloed is op te treffen maatregelen. Dit heeft bijvoorbeeld als effect dat ook vanuit die hoek medefinanciering van maatregelen geleverd moet worden, omdat ook vanuit het kunnen wonen en creëren behoefte bestaat aan dergelijke maatregelen.
Omdat de brochures niet uitputtend de te treffen maatregelen kunnen noemen is Schiphol niet genoemd. In een volgende nieuwsbrief kan wel iets over Schiphol opgenomen worden. Dit zal aan de betreffende gebiedscoördinator worden meegegeven.
De heer Van der Hoeven merkt ten aanzien van het voorstel nog op, dat maatregelen waarvan niet is voorzien dat ze in 2015 gereed moeten zijn, wel op dat moment naar voren schuiven en dan de hoogste prioriteit krijgen.
Hij erkent dat vergeten is de provincie Zuid-Holland als deelnemende partij te vernoemen.
Op de vraag van mevr. Van der Laan geeft hij aan dat met de voorgestelde besluitvorming juist het afwegingskader wordt geformuleerd en vastgesteld.
De heer Van der Hoeven vindt het aan de ene kant een goed stuk, maar aan de andere kant niet zo’n fijn stuk. Dat laatste vooral omdat het stuk duidelijk maakt dat we ambtelijk en bestuurlijk zijn achtergebleven bij de ambities. Ook is duidelijk geworden dat sprake is van een aansturingsprobleem. Goed is dat dit rapport dit transparant maakt en dat zaken beter moeten. Hij vindt aan de andere kant ook een compliment op zijn plaats voor datgene wat wel bereikt is.
Gelet op de gestelde problematiek is het voornemen de aansturing van de WBP-projecten voortaan vanuit 1 punt te laten geschieden. Daarnaast wordt er extra geld beschikbaar gesteld voor een task-force om de doelen van het WBP te kunnen realiseren. Dit vooral omdat het bestuur heeft aangegeven dat zij groen licht gaven voor de reorganisatie onder voorwaarde dat de targets van het WBP wel gehaald moesten worden.De heer Van der Smit is blij dat er nu een akkoord is, omdat zijns inziens zonder akkoord Rijnland met hogere kosten geconfronteerd zou worden. Bedacht moet nl. worden dat Stichtse Rijnlanden alternatieven heeft voor de afvoer van water. In financiële zin zal Rijnland inboeten hetgeen een aanslag is op de begroting.
De heer De Meijer constateert, zich beperkend tot het waterdeel, dat blijkt dat Rijnland met de investeringen bijna 50% achterloopt op de ramingen. In het overzicht op blz. 106 komt dit goed in beeld, vooral dat de investeringen op de Zuiveringsinstallaties ver achterlopen op de ramingen.
De heer De Meijer heeft moeite met deze nota. Niet duidelijk is wat nieuw is en wat bestaand. Ook heeft hij moeite met het nu al vaststellen van voorlopige tarieven, terwijl er over bepaalde zaken nog discussie moet volgen.
Verder constateert hij dat de voorgestelde wijzigingen in B en C-niveau zouden moeten leiden in het doorvoeren van de effecten daarvan in de meerjarenraming. Daarnaast ziet hij dat er twee meevallers zijn in de vorm van de jaarrekening en van het superdividend
Deze meevallers zouden ingezet moeten worden voor grote uitgaven in het kader van NBW en KRW. Hij vraagt zich af of dit in de voorstellen verwerkt is of dat we die meevallers (€ 18 milj) reserveren.
De heer Den Dekker vraagt zich af of een egalisatiefonds is in te zetten om de verschuivingen in de kostentoedeling te nivelleren?
De heer Van Dorp vraagt uitleg bij de tabel op bijl. 3, blz. 3.
De heer Bus merkt op dat hij altijd begrepen heeft dat voor wat betreft bergingscapaciteit Rijnland de bedoeling had daar waar nodig en mogelijk de bergingscapaciteit te vergroten. Dit terwijl op blz. 7 wordt aangegeven dat de bemalings- en bergingscapaciteit in boezem en polderwater in stand moet worden gehouden.
Voor wat betreft de tariefstelling gaat zijn voorkeur uit naar variant A.
De heer Sanders kiest ook voor variant A, omdat hij constateert dat Rijnland elk jaar geld over houdt.
De heer Van der Hoeven geeft aan dat het college geworsteld heeft met hoe om te gaan met het rekeningsresultaat 2006 in relatie tot de grote investeringen voor de gemalen, het gegeven van het superdividend van de Nederlandse Bank en de frictiekosten.
Het college wil voorkomen dat de tarieven nu sterk dalen, om daarna weer snel te stijgen. Daarom zijn de varianten bedacht waarin op verschillende wijzen met die posten wordt omgegaan.
Daarbij is ook het beeld van het WBP en het achterblijven van de investeringen meegenomen, alsook een vrijval van 10% van de investeringen.
Uiteindelijk heeft het college gekozen voor variant C, omdat daarmee de tarieven vrijwel ongewijzigd blijven en het superdividend apart gehouden kan worden als appel voor de dorst voor KRW-investeringen die er aan komen.
Het college realiseert zich dat aan een dergelijk bedrag een bestemming zou moeten worden gegeven. Maar met KRW en een project waterberging Driemanspolder, dat veel meer gaat kosten dan oorspronkelijk geraamd, kan het geen kwaad een reserve achter de hand te houden.
De heer De Meijer heeft wel begrip voor dit standpunt, maar denkt dat de comptabiliteitsvoorschriften voorschrijven dat aan dit geld een bestemming moet worden gegeven.
Ook de heer Van Dorp is voor variant A, omdat hij het niet nodig vindt dit dividend nu ook weer aan de al grote reserve toe te voegen.
Deze discussie komt terug in de Verenigde vergadering.
De heer De Meijer constateert dat hiervoor hetzelfde geldt als voor de jaarrekening 2006, waarin de vertragingen in de investeringen de zorgpunten zijn. Hier zal in de sfeer als door de heer Van der Smit voorgesteld voor de voortgangsrapportage WBP een discussie met de Verenigde vergadering nodig zijn.
Mevrouw Van Ruijten-Hogervorst heeft er – gelet op de gevolgen voor verzilting - moeite mee dat op blz. 3-4 wordt gesproken over het verminderen van het doorspoelen van polder en boezem.
De heer Van der Smit denkt dat het niet kunnen inzetten van de Tolhuissluisroute beter onderbouwd moet worden uitgeschreven, omdat in het gebied het beeld bestaat dat deze route goed bruikbaar is.
Ook wil hij graag meer duidelijkheid over de bruikbaarheid van de Gekanaliseerde Hollandsche IJssel als extra aanvoerroute, zoals in de evaluatie droogte 2003 was aangegeven. Vooral als bedacht wordt dat de KWA op momenten onvoldoende zoet water kan leveren.
En tot slot verbaasd hij zich over de norm van brak water die tussen de 200 en 1000 mg ligt, terwijl naar zijn weten Rijnland van 200 of 300 mg uitgaat als grens voor in te laten water.
De heer Den Dekker beklaagt zich over de kwaliteit van het aangeleverde stuk dat niet te lezen is. Hij vindt dit beledigend.
Met betrekking tot de verdringingsreeks merkt hij op het merkwaardig te vinden dat de stabiliteit van de keringen voorgaat op de mogelijkheid in drinkwater te voorzien. Zonder drinkwater zijn we immers nergens meer.
De heer Straathof merkt op dat het inlaten van verzilt water een gevolg is van verminderde wateraanvoer en droogte en dat dit dan een noodmaatregel is. Uiteraard wordt bij een dergelijk besluit tot vermindering van de doorspoeling ook aandacht gegeven aan het grondgebruik.
De heer Van der Hoeven merkt op dat de inlaat bij Gouda wordt gestaakt bij een chloridegehalte van het in te laten water van 300 mg/l.
Hij geeft voorts aan dat duidelijker zal worden aangegeven dat de Tolhuissluisroute te weinig rendement levert en slechts kort in gebruik kan zijn om inzetbaar te zijn.
De heer Laban juicht het toe dat het nu zo ver is.
De heer Sanders geeft zijn complimenten (tot nu toe). Op zijn vraag wordt bevestigd dat er aandacht is voor de aanleg van natuurvriendelijke oevers op kaden.
De heer Den Dekker wijst erop dat een naam drie keer op verschillende wijze wordt geschreven (Burg…..).
De heer Van der Smit verlaat de vergadering.
Mevrouw Van der Laan vraagt zich af of hier nog sprake is van robuuste eenheden als hier voor een klein deel van de polder een peilbesluit wordt vastgesteld.
De heer Van der Hoeven legt uit dat hier sprake is van een zeer complexe situatie. Zo is er bijvoorbeeld niet de mogelijkheid dit gebied te koppelen met het naastgelegen peilgebied, in verband met te grote peilverschillen. Maar ook koppeling binnen het Zaanse Rietveld stuitte op bezwaren. Daarom is besloten voor dit deel een eigen peilbesluit vast te stellen.
Bovendien kon Rijnland nauwelijks anders, omdat de Rechtbank beroepen tegen de goedkeuring ongegrond heeft verklaard, vooral omdat Rijnland had aangegeven dat er een oplossing zou komen.
En het peilbesluit is basis om eigenaren te laten gedogen dat er werkzaamheden worden uitgevoerd op hun percelen.
Het verslag wordt zonder opmerkingen vastgesteld.
De heer Van Dorp vraagt zich af, zonder iemand iets kwalijk te nemen, waarom het peilbesluit Groenendijk nog niet van kracht is en vraagt naar de laatste stand van zaken.
De heer Straathof zegt toe dat de beantwoording van deze vraag bij het verslag aan de VV zal worden meegezonden.
Mevrouw Ruiten-Hogervorst vraagt aandacht voor het kroosprobleem in de Noordzijder polder-Zuid.
De heer Straathof constateert dat dit probleem zich door de weersomstandigheden explosief voordoet en geeft aan dat daar stevig op wordt ingezet. Overigens doet hij mevrouw Ruiten de suggestie die – als elke andere ingeland – te melden bij het Rijnlandse meldpunt.
De heer Bus merkt op dat hij uit het gebied al geluiden krijgt dat Rijnland met die grote financiële overschotten best wat vaker zou mogen krozen.
Daarnaast heeft hij te horen gekregen dat vliegtuigen op de Polderbaan voor het opstijgen kerosine “lekken”. Andere commissieleden kunnen zich dit niet voorstellen.
De heer Sanders vraagt de mail van de heer Ossewaarde met de grootst mogelijke zorg te behandelen.
Voorts vraagt hij – zoals hij al eerder gedaan heeft – in de vergaderruimten een kaart van Rijnland op te hangen. Dit wordt toegezegd.
De heer Den Dekker verlaat de vergadering.
De heer De Meijer had in de gebiedscommissie Zuid begrepen dat het kroosprobleem onder controle was. Hij krijgt nu een iets andere indruk en vraagt zich af wat eraan gedaan kan worden. Zijns inziens zou in een vroeg stadium gehandeld moeten worden, omdat langer wachten alleen maar grotere problemen geeft.
De heer Sanders heeft zelf geconstateerd dat er volop gekroosd wordt.
De heer Straathof geeft aan dat het kroos door de weersomstandigheden in recordtijd grote omvang heeft gekregen.
Verder heeft de heer De Meijer uit de krant vernomen dat het peilbesluit Reeuwijkse plassen is geschorst. Hij had daarvan mededeling in de commissie verwacht. Hij begreep ook uit het krantenartikel dat Rijnland niet op de zitting was verschenen.
De heer Van der Hoeven kent de uitspraak nog niet maar zegt toe dat de VV schriftelijk op de hoogte gebracht zal worden.
Tot slot vraagt de heer De Meijer hoe het staat met de voor de zomervakantie toegezegde notitie over het afkoppelen van plassen in de Reeuwijkse plassen.
De heer Van der Hoeven meldt dat het onderzoek in een ver stadium is. In augustus/september zal het rapport klaar zijn, zodat in september/oktober de VV daarover geïnformeerd kan worden.
Hierbij heeft overigens gespeeld dat de projectleider Rijnland verliet en er een nieuwe projectleider voor dit project gezocht moest worden.
Niets meer aan de orde zijnde sluit de voorzitter de vergadering.
