Verslag Commissie Waterbeheer 5 september 2007

Logo van het hoogheemraadschap van Rijnland
 

Sidebar

Home > Bestuur > Agenda´s en verslagen > Commissie Waterbeheer > Verslag Commissie Waterbeheer 5 september 2007

Verslag Commissie Waterbeheer 5 september 2007

De onderliggende stukken van deze vergadering zijn te vinden bij VV agenda 19 september 2007

Verslag

1. Opening

2. Mededelingen

2.1 Goedkeuring peilbesluit Oosteinderpolder

3. Agendapunten VV 19 september 2007

3.1 Vaststellen Waterplan Leidschendam - Voorburg (presentatie Veronique Loeffen)

3.2 Peilbesluit stadsboezem Gouda

3.3 Peilbesluit Hekslootgebied

3.4 Waterakkoord Noordzeekanaal / Amsterdam-Rijnkanaal

3.5 KRW; strategienota en programmering

4. Overige punten

4.1 Ontwerp-Peilbesluit en Inrichtingsplan Hogeveensepolder

4.2 Ontwerp-Peilbesluit en toelichting polder Oudendijk, Vrouwgeestpolder en Bruinmadeschepolder.

4.3 Memo over nut en noodzaak vóórmalen

5. Verslag 4 juli 2007

6. Rondvraag

7. Sluiting

1. Opening

De voorzitter opent om 13.40 uur de vergadering. Hij stelt voor de mensen die van het spreekrecht gebruik willen maken daartoe aan het begin van de vergadering in de gelegenheid te stellen. Daarna kan direct de behandeling plaatsvinden van de peilbesluiten die hen aangaan.

Ook zal vandaag wethouder Houtzager van Leidschendam/Voorburg aanwezig zijn bij de behandeling van het waterplan van die gemeente.

2. Mededelingen
2.1. Goedkeuring peilbesluit Oosteinderpolder

Op voorstel van de voorzitter wordt kennisgenomen van de goedkeuring van dit peilbesluit.

Spreekrecht

De heer Van der Poel geeft aan dat voor een adequate bedrijfsvoering een voldoende drooglegging noodzakelijk is. Vooral met het oog op moderne zwaardere machines die over het land moeten kunnen rijden. Daarvoor is drainage en onderbemaling vaak onontbeerlijk. De LTO ziet daarom graag in peilbesluiten maatwerk om daaraan te kunnen voldoen.

Mevrouw Kroes spreekt niet alleen namens de familie Kroes maar namens meerdere belanghebbenden in de betreffende polders.

Het beleid van de waterbeheerder is de laatste jaren sterk gewijzigd in verband met de problemen met klink en de klimaatveranderingen. Om de inklinking te beperken is een specifiek peilbeheer noodzakelijk. Dat is begrijpelijk. En hoe meer veen, hoe sterker daarop gelet moet worden. In de polder Oudendijk is echter geen veen meer aanwezig.

Daarbij komt dat de klimaatverandering zorgt voor grotere fluctuaties in korte tijd. Daarvoor is extra berging nodig.

Ook de verstedelijking levert een probleem met versnelde afvoer. Zeker als daar niet of onvoldoende buffer aanwezig is. Het landelijk gebied wordt daardoor belast met een overschot aan (riool)water uit het stedelijk gebied.

Daarnaast heeft de waterbeheerder de wens te ontsnipperen en een groter gebied te kunnen bedienen met één gemaal.

Voor de bedrijven volstaat een korte termijnbeleid niet meer. Daarom is op het bedrijf van haar broer op advies van DLV en met toestemming van het waterschap landinrichting verricht, door het dempen van watergangen het bolhouden van het land en de aanleg van drainage en een onderbemaling. Dit omdat voor een optimale bedrijfsvoering de percelen breed en stevig genoeg moeten zijn.

De drainage is overigens, nadat bleek dat hij niet functioneerde, aangelegd onder een ondoorlaatbare kattenkleilaag.

Het bedrijf is al jaren bezig de bedrijfsvoering te optimaliseren met dergelijke maatregelen en het is een levenswerk. Het kan dan ook niet zo zijn dat na al die jaren het doek zou moeten vallen voor een bedrijf dat al zo lang bestaat.

Maar volgens haar hoeft de wens van het waterschap te ontsnipperen en de wens van de bedrijven elkaar niet in de weg te zitten.

Met een onderbemaling ontstaat immers een win-win situatie. Voor de agrarier levert deze voordeel op met het oog op de bedrijfsvoering en voor het waterschap kan de onderbemaling dienen als buffer bij hevige regenval. Enerzijds omdat het door het waterschap bemalen deel kleiner is geworden en het peil sneller wordt bereikt. Anderzijds omdat dit gebied ook nog over de stuwen water kwijt kan in de onderbemalingen.

Door het stellen van regels voor de hoogte van de stuw en de pompcapaciteit kan worden voorkomen dat problemen worden afgewenteld.

Verder merkt zij op dat het vaststellen van het peil op basis van de gemiddelde maaiveldhoogte geen juist uitgangspunt is. Een perceel dat te laag ligt en te nat is blijft dat dan toch. En het doorploegen van de kleilaag biedt geen soulaas.

Ook is zij van mening dat het waterschap geen zwaardere eisen kan stellen dan door de provincie wordt voorgeschreven en dat ook gekeken moet worden naar de bijzondere grondslag van de polder Oudendijk bij het vaststellen van het peilbesluit.

Zij voegt daaraan toe dat men in de polder in de bestaande situatie geen problemen kent en dat men uitermate tevreden is.

Zij vraagt de commissie daarom nog geen advies uit te brengen en nodigt hen uit voor een werkbezoek.

De heer Van Harten geeft aan dat ook hij op zijn bedrijf op advies sloten heeft gedempt en grondverbetering heeft toegepast met het oog op de niet-doorlatende kattenkleilaag.

Door het dempen van sloten en de aanleg van drainage en onderbemaling heeft hij de percelen kunnen verbreden tot 300 meter, waardoor een betere bedrijfsvoering kan plaatsvinden.

Het zou voor de agrariërs een ramp zijn en desastreus voor de voortzetting van de bedrijven als deze onderbemalingen (in droogmakerijen zonder veen!) niet meer zouden mogen.

De heer Kroes wil aanvullend nog een keer onderstrepen dat er in de polders geen problemen zijn met het waterbeheer, omdat er maatwerk is geleverd met de onderbemalingen en begrijpt niet goed waarom dat nu anders zou moeten.

De voorzitter vindt het een goede zaak dat men de oproep heeft gevolgd gebruik te maken van dit spreekrecht.

Kort samengevat begrijpt hij dat men er voor pleit het waterbeheer te handhaven zoals het is en duidelijk(er) aan te geven waarom het anders zou moeten.

Hij stelt voor nu direct agendapunt 4.2 te behandelen.

Daarmee wordt ingestemd.

4.2. Ontwerp-peilbesluiten polder Oudendijk, Vrouwgeestpolder en Bruimadeschepolder.

De voorzitter legt uit dat door agendatechnische oorzaken de afgesproken volgorde in dit geval niet is gevolgd, waardoor nu eerst een informatieavond in de polder is gehouden en daarna pas behandeling in de commissie plaatsvindt.

Na behandeling in de commissie kan het, als de commissie daar achter staat, in de inspraak gebracht worden.

Ter toelichting geeft hij nog aan dat er in deze peilbesluiten voor is gekozen het al geruime tijd gehanteerde praktijkpeil als peil vast te stellen. Op basis van de criteria maaiveldhoogte en landgebruik is daarbij als uitkomst van een voorlopige toets naar voren gekomen dat een aantal onderbemalingen geen bestaansrecht meer hebben.

Terecht merkt de heer Postma op dat in de begeleidende memo zou moeten staan dat D&H de peilbesluiten in concept hebben vastgesteld.

Op zijn vraag of consultatie van de commissie tot aanpassing van het ontwerp aanleiding kan zijn geeft de voorzitter aan, dat het voornemen is de opmerkingen van de commissie in het traject van de zienswijzen mee te nemen en deze te bundelen. Met de behandeling van het commentaar van het college daarop komt het dan in de besluitvorming in de Verenigde vergadering.

Het naar aanleiding van het commentaar van de commissie eventueel moeten wijzigen van het ontwerp levert planningstechnisch problemen en leidt tot veel tijdsverlies. Met het oog op het halen van de WBP-doelen wil het college daar niet voor kiezen.

Uiteraard zal het college het ontwerp niet ter visie brengen als de commissie van mening is dat het daar niet rijp voor is, geeft hij aan naar aanleiding van een opmerking van de heer De Meijer.

De heer Sanders  doet in dit verband de suggestie met inlegnotities te werken.
Daarnaast merkt hij in zijn algemeenheid op, dat het gebied ook met dit nieuwe peilbesluit sterk versnipperd blijft. Hij vraagt zich verder af waarom de maaivelddaling niet is gevolgd, waarom flexibel peilbeheer niet mogelijk is en mist een afweging over toepassing van peil-indexatie.

Verder mist hij ook inzicht op de ophoging van percelen door de HSL is meegenomen in de berekeningen en welke consequenties dit heeft.

Ook had hij verwacht een inrichtingenplan met begroting aan te treffen.

Terecht is volgens hem gewerkt met gemiddelde maaiveldhoogten, maar gelet op de specifieke situatie, met bolle percelen, moet wellicht gedacht worden aan een naar beneden bijstellen van die gemiddelden.
Hij constateert dat het frustrerend is dat de procedure voor de peilafwijkingen (vergunningen) een andere is dan voor het peilbesluit.

Met het peilvoorstel op zich heeft hij geen probleem maar wel met het feit dat onderbemalingen opgeheven moeten worden. Zijns inziens zou een techniek moeten worden gehanteerd waarbij het peilverschil tussen de onderbemaling en het omliggende peilvak gelijk blijft, zodat er van afwenteling geen sprake kan zijn.

Tot slot vraagt hij zich af waarom er nu zo rigoreus aan opheffing van onderbemalingen wordt gedacht als de ingelanden tevreden zijn.

Ook de heer Den Dekker pleit ervoor het opheffen van onderbemalingen zoveel mogelijk te beperken.

De heer Van Dorp is het met de heer Sanders eens. De bedrijfsvoering moet optimaal kunnen blijven. En natuurlijk is hij het ermee eens dat als het peil zodanig wordt ingesteld dat een onderbemaling niet nodig is, deze zou moeten verdwijnen. Maar hij vindt dat van de provincie uit wel veel beperkingen worden opgelegd.

Hij zou het ook buitengewoon betreuren als het waterschap de bedrijfsvoering van de ingezetenen onmogelijk maakt.

De heer Laban is van mening dat er bij opheffen van onderbemalingen sprake moet zijn van een peil waarmee de ingelanden uit de voeten kunnen.

De heer Bus vindt dat in het peilbesluit over het voortbestaan de onderbemalingen meer duidelijkheid gegeven zou moeten kunnen worden. Verder heeft hij vragen bij het afwentelen door nieuwbouw en op de ophogingen zijn meegenomen in de berekening van de gemiddelde maaiveldhoogte.

Volgens mevrouw Ruiten-Hogervorst moet er ook naar de grondsoort (klei) gekeken worden. Verder vraagt zij zich af hoe het mogelijk is dat de ingelanden last hebben van rioolwater.

De heer De Meijer stelt dat de vraag voorligt of de commissie van mening is dat het concept rijp is voor inspraak. Daarbij moet gekeken worden of daarin voldoende recht wordt gedaan aan hetgeen in het beleid ter zake is geformuleerd. Tijdens de inspraak kan dan gekeken worden of er redenen zijn daarvan af te wijken en te komen tot aanpassing van het peilbesluit.

In principe is hij van mening dat het peilbesluit daaraan voldoet en de inspraak in kan. Wel heeft hij nog vragen over de afwenteling van het stedelijk gebied en of terecht wordt aangegeven dat het gebied waterhuishoudkundig nu geen problemen kent. Voorts vraagt hij zich af of gekeken is naar samenvoeging van onderbemalingen.

De voorzitter geeft aan dat geen voorstel tot indexering is gedaan gelet op de relatief geringe maaivelddaling. Ook is ervoor gekozen het al in gebruik zijnde praktijkpeil, dat een goed peil is gebleken, als peil vast te stellen.

Bij het opnemen van het gebied is de actuele situatie van belang . Gebleken is dat de ophogingen, met een aanzienlijke oppervlakte, juist leiden tot de conclusie dat een aantal onderbemalingen niet kunnen blijven.

Ondanks dat er intensief (met een grote dichtheid) is gemeten om de gemiddelde maaiveldhoogte te bepalen begrijpt hij dat wordt opgeroepen toch vooral goed naar de profielen van de percelen (sterke bolling percelen) te kijken.

Dat de peilafwijkingen via een aparte procedure moeten worden beoordeeld is een gegeven. Maar – als opdracht uit het NUP – wordt in het ontwerp ook al op basis van die voorlopige toets een eerste oordeel gegeven over het voortbestaan van onderbemalingen. Dit geeft weliswaar geen 100% zekerheid, maar toch zeker een richting over hoe met de onderbemalingen zal worden omgegaan.

In dit geval is de maaivelddaling niet gevolgd, omdat er met het praktijkpeil ten opzichte van het oude peilbesluit al compensatie was doorgevoerd daarvoor.

De opmerking van de heer Sanders dat het peil in de onderbemaling zou moeten meestijgen met het peil in de rest van het peilvak zal worden beoordeeld.

Hij wijst, gelet op de discussie over de onderbemalingen, voor de goede orde nog wel op het door de provincie in het NUP voorgeschreven en in het WBP vastgestelde beleid ten aanzien van het opheffen van onderbemalingen en het tegengaan van versnippering.

Ook begrijpt hij dat de opdracht van de commissie is bij de definitieve toets van de onderbemalingen goed naar de belangen van de ingelanden te kijken, die zwaarwegende belangen aanvoeren als specifieke grondsoort, drainage en frustreren functioneren van het bedrijf.

De heer Van Dorp begrijpt dat er onderbemalingen zijn ten opzichte waarvan het peil met 20 tot 30 cm gaat stijgen. Daar zal goed naar gekeken moeten worden om te zien of er sprake kan zijn van optimalisatie van het peil.

Voor wat de afwenteling betreft tonen, zo stelt de voorzitter, berekeningen aan dat de afvoer binnen de normen van het NBW valt. De praktijk lijkt er op te wijzen dat er vaker wordt overgestort dan op basis van die berekeningen zou mogen. Daarom zal daar kritisch naar gekeken worden alsook naar mogelijkheden (beweegbare stuw) om die afwenteling te beperken, ook al is de marge gering.

Hij merkt in dit verband nog op, dat met dit peilbesluit het gebied niet NBW-proof is. Dat zal pas in het watergebiedsplan aan de orde komen. Tot die tijd zullen we moeten prioriteren bij het nemen van NBW-maatregelen.

Overigens zal ook gekeken worden naar de riooloverstorten die nog maar recent zijn aangelegd en of daar een goed beheer plaatsvindt, waarbij de buffers na hevige regenval wel weer worden leeggepompt om nieuwe regenval het hoofd te kunnen bieden.

Duidelijk is dat het gebied inderdaad niet frequent wateroverlast kent.

Samenvoeging van onderbemalingen was in deze polders geen optie, omdat de onderbemalingen te ver uiteen liggen.

Spreker stelt zich voor het commentaar van de commissie parallel met de inspraakreacties aan het college voor te leggen.

Natuurlijk zijn er kanttekeningen te plaatsen maar hij denkt dat het peilbesluit rijp is voor de inspraak.

De heer Van Dorp vindt dat er beter eerst gekeken kan worden wat er op basis van het commentaar van de commissie veranderd zou kunnen of moeten worden om daarna pas de inspraak in te gaan.

De voorzitter is van mening dat de meeste zorgen betrekking hebben op het opheffen van de onderbemalingen, waarvan pas na de vaststelling van het peilbesluit in een aparte procedure definitief beoordeeld wordt of de voorlopige toets een juiste was. Van deze zorgen is goede nota genomen en de opmerkingen zullen bij die beoordeling ook meegenomen worden. Overigens is het zo dat slechts een beperkt aantal onderbemalingen op basis van de voorlopige toets zouden komen te vervallen en dat het merendeel kan blijven bestaan.

En als de Verenigde vergadering van mening is dat die besluiten op basis van het beleid aangepast zouden moeten worden, dan gebeurt dat op dat moment.

De heer De Meijer is van mening dat als de stukken voldoende uitgewerkt zijn het peilbesluit ter inspraak kan. Via de zienswijzen kan dan duidelijk worden of wellicht toch anders tegen aan gekeken moet worden. Hij heeft zelf de indruk dat het peilbesluit rijp is voor de inspraak.

De heer Den Dekker is van mening dat er over het algemeen tevredenheid heerst met een aantal commentaarpunten van ondergeschikt belang. Wel heeft hij een minder gevoel bij het vaststellen van de gemiddelde maaiveldhoogte met het oog op de ophogingen. Dit mag niet leiden tot afwenteling door die hoger gelegen percelen op de lager gelegen percelen.

De voorzitter merkt op dat er met grote dichtheid gemeten is, maar begrijpt dat er specifieke omstandigheden zijn (bolle percelen) waar rekening mee gehouden moet worden bij het beoordelen van onderbemalingen.

De heer Sanders vraagt in dit proces wat meer ruimte te reserveren tussen de commissiebehandeling en de inspraakprocedure, zodat de opmerkingen van de commissie beter meegenomen kunnen worden. Wellicht dat dan toch met een inlegnotitie gewerkt zou kunnen worden. Hij zou het op prijs stellen als het college-standpunt daarop dan ook in de inspraakstukken al meegegeven zou worden.

Hij constateert dat er in de Bruimadesche polder geen peilverlaging wordt voorgesteld in verband met een geringe maaivelddaling. Juist die geringe maaivelddaling pleit voor een indexering van het peil.

De voorzitter geeft aan dat het vast te stellen peil lager is dan het vorige vastgestelde peil en is gebaseerd op het praktijkpeil. Dit is in het gebied goed bevallen. Naar de indexering zal nog gekeken worden.

De heer Laban herhaalt dat er aandacht moet zijn voor de grondsoort en dat we niet terug moeten naar een situatie van 40 jaar geleden.

De voorzitter benadrukt dat er een intensieve beoordeling van het gebied heeft plaatsgevonden en dat bij de definitieve beoordeling van de onderbemalingen de grondsoort e.d. een belangrijke rol zullen spelen.

Mevrouw Van der Laan constateert dat de discussie bij herhaling gaat over de individuele belangen en niet over het peilbesluit. Zij is van mening dat het peilbesluit nu in de inspraak kan worden gebracht en dat pas als alle reacties bekend zijn het opnieuw met het commentaar van het college in de commissie en de Verenigde vergadering aan de orde moet komen.

De heer Bus sluit zich hier bij aan.

De voorzitter gaat ervan uit dat de ingelanden gebruik zullen maken van hun recht zienswijzen in te dienen. Hij stelt vast dat de commissie instemt met het ter inspraak brengen van dit peilbesluit.

3. Agendapunten V.V. 19 september 2007                                  

3.1 Vaststellen Waterplan Leidschendam/Voorburg

Mevrouw Rosendal heet wethouder Houtzager welkom en geeft aan dat dit het eerste waterplan is in deze vorm. Het is een goed plan dat in samenwerking tussen gemeente, Rijnland en Delfland tot stand is gekomen. Ook de bewoners zijn erbij betrokken, hetgeen op onderdelen heeft geleid tot wijzigingen van het plan. Voor het watersysteem levert uitvoering van het plan een verbetering van de waterkwantiteit, de waterkwaliteit en bovendien wordt hiermee voorgesorteerd op de KRW.
Ook de gemeente heeft het onderwerp water aangegrepen om zichzelf te profileren als recreatieve stad, waar het goed toeven is. Daarin is water belangrijk.

Vervolgens geeft Veronique Loeffen een presentatie over het plan.

Daarna geeft de voorzitter het voorstel vrij voor discussie. 
De commissie is in zijn algemeenheid vol lof over het plan.

De heer Sanders voegt hier aan toe dat dit een mooi voorbeeld is hoe samenwerken met partners kan leiden tot goede resultaten. Hij hoopt dat dit in het kader van de KRW navolging zal krijgen.
Op de vraag van de heer Den Dekker of de kade langs de Stompwijkse vaart ook in de plannen is opgenomen wordt aangegeven dat dit niet het geval is. Reden hiervoor is dat dit wordt meegenomen in het watergebiedsplan Zuidgeest.

De heer Laban vindt de bijdrage van de gemeente laag.
Mevrouw Van der Laan vindt dat er met dit goede plan wel voor gezorgd moet worden dat de plannen ook uitgevoerd worden en dat termijnen gehaald worden. Ook monitoring van de effecten is heel belangrijk.
De heer Bus uit zijn zorgen over het kostenniveau, ook al realiseert hij zich dat de maatregelen nodig zijn.
Mevrouw Ruiten-Hogervorst vindt de aanleg van het waterspoorpark erg duur.
De heer De Meijer vraagt zich af hoe de matige waterkwaliteit zal verbeteren door de aanleg van duikers en het doorspoelen. Is het daarbij niet belangrijk te weten waardoor de waterkwaliteit matig is?

Bovendien dient men zich te realiseren dat na dit plan ook de KRW-maatregelen nog moeten volgen, zodat nog meer kosten zullen volgen.
En hij vraagt aan te geven of bij dit plan ook aandacht is geweest voor de overname van het onderhoud van het stedelijk water.
Mevrouw Rosendal dankt de leden voor hun positieve commentaar, vooral voor wat betreft de samenwerking.

Uitvoering van het plan is uiteraard erg belangrijk. Omdat in het verleden wel gebleken is dat dat soms lastiger is dan het ontwikkelen van het plan zelf is er iemand benoemd die de uitvoering ook moet coördineren. Bovendien komt er nog een uitvoeringscontract tussen de partners, waarin de inzet van personeel en hogere kosten geregeld zullen worden.
Aan de aanleg van het waterspoorpark betaalt Rijnland zijn deel door het graven van water en de aanleg van oevers. De grond is eigendom van de gemeente. Bovendien past dit binnen de afspraken op grond van artikel 10 van het NBW.
Riooloverstorten en te kleine duikers met als gevolg stagnant water zijn de oorzaak van de slechte waterkwaliteit. Verruiming van de duikers zal voor verbetering zorgen. De overstorten zullen in het kader van het Gemeentelijk Rioleringsplan worden aangepakt en zijn daarom buiten dit plan gehouden.
Het stedelijk gebied voldoet met dit plan al aan de eisen van de KRW. De Vliet en de Vlietlanden zijn waterlichamen, waarvoor in dat verband nog wel maatregelen uitgevoerd zullen moeten gaan worden.
Met de gemeente zijn – indachtig de afspraken in de VV over gemeenten met weinig particulier onderhoud – nog geen afspraken gemaakt over overname onderhoud stedelijk water. Op basis van die VV-afspraken is de gemeente nl. niet als prioritair opgenomen.
De voorzitter constateert dat de commissie positief adviseert over het plan en lof heeft voor de samenwerking.
Dit stuk zal als hamerstuk worden behandeld.
De wethouders wordt succes gewenst bij de besluitvorming in de gemeente.

3.2. Peilbesluit stadsboezem Gouda.

De heer Van der Hoeven schetst dat de commissie het besluit voor inspraak heeft vrijgegeven. In de inspraakprocedure zijn geen reacties ontvangen, zodat het peilbesluit nu definitief vastgesteld kan worden.
Mevrouw Van der Laan geeft aan dat in het besluit de zin over het inwerkingtreden kan worden gewijzigd, omdat er geen werken nodig zijn om het peilbesluit te kunnen effectueren. Dit zal in een nota van wijziging worden opgenomen.
Het voorstel zal als hamerstuk worden geagendeerd.

3.5 KRW: strategienota en programmering

De heer Doornbos is voor de behandeling van dit stuk aanwezig.
Hij geeft aan dat we nu voor een belangrijk moment nu instemming wordt gevraagd de gesprekken aan te gaan met o.a. gemeenten en te zien of deze zich willen committeren aan de plannen. Daarmee wordt geen finaal besluit genomen waaraan Rijnland al gebonden kan worden. Wel wordt de VV gevraagd, bij het vrijgeven ter bespreking, ook een richting aan te geven. Daarbij is vooral de strategienota van belang en in mindere mate de deelplannen.
De heer Postma vraagt zich af of met de instemming Rijnland zich in december geconfronteerd zou kunnen zien met de noodzaak het worst-case scenario uit te voeren ad.  € 72.000.000,--.
Daarnaast heeft hij een mogelijke tegenstrijdigheid ontdekt waar op blz. 5 van het voorstel boven tabel I wordt aangegeven dat een aantal maatregelen als KRW-maatregel worden aangemeld en dat de rest autonoom beleid is, terwijl in de strategienota wordt aangegeven dat alleen nieuwe maatregelen bij Europa wordeningediend.
Voorts merkt hij op dat de schrijfwijze van de kaderrichtlijn zou moeten zijn dat “kader” en “richtlijn” aan elkaar geschreven worden. Het is immers niet het kader voor de Richtlijn Water, maar de Kaderrichtlijn water.

De heer Laban heeft het gevoel dat van de landbouw, die al zoveel heeft gedaan om de emissie te verminderen, nog weer extra maatregelen gevraag wordt. Dit terwijl er op de emissies uit de landbouw weinig grip is.
De heer Sanders vindt dit een heel lastig besluitvormingstraject, ondanks dat de VV perfect wordt geïnformeerd. Hij heeft ook niet het gevoel als VV een wezenlijke invloed te hebben op de inhoud.
Voorts staan er voor hem een aantal onduidelijkheden in zoals de Gouwepolder die op de schop gaat en de plannen om de Reeuwijkse plassen te baggeren. Dit laatste terwijl deze plassen voor het grootste deel particulier eigendom zijn. Bovendien is hem niet bekend dat daarvoor al een keuze is gemaakt.
En hij vraagt zich af of aanleg natuurvriendelijke oevers het meeste effect hebben als deze in de boezem worden aangelegd, of juist in de polder. Als de kwaliteit in de polder daardoor verbeterd komt dit betere water via uitmalen toch ook op de boezem.

De heer Den Dekker vindt dit een erg groot en daardoor onoverzichtelijk stuk. Hij heeft ook alle deelplannen doorgenomen. En hij krijgt een beetje de indruk dat de aanleg van natuurvriendelijke oevers voor alles een oplossing biedt, terwijl ook andere maatregelen van belang zijn.
Mevrouw Van der Laan heeft de indruk dat eerst de maatregelen worden uitgedacht om daarna pas de daarbij passende ecologische doelstellingen vast te stellen, hetgeen een verkeerde volgorde lijkt te zijn. Want is Rijnland dan wel verplicht die maatregelen uit te voeren als blijkt dat deze uiteindelijk niet stroken met die doelstellingen?
Voort is zij van mening dat voor de “eigen” niet-krw-wateren de ecologische doelstellingen ook niet uit het oog verloren moeten worden en in het WBP moeten terugkomen.
Zij begrijpt dat er gezocht wordt naar synergie met de zaken die partners aan het uitzoeken zijn maar vindt het lastig nu ja te zeggen op een stuk dat spreekt over “het zoveel mogelijk aansluiten bij…”. Want wanneer is dat voldoende?
Onduidelijk vindt ze de verschillen in kosten voor de beide varianten, terwijl uiteindelijk op hetzelfde moment hetzelfde doel wordt bereikt. Dan zou toch beter voor variant 1 gekozen kunnen worden die goedkoper is.
Voor wat betreft het voorstel om nu al € 25 milj te reserveren is zij van mening dat daarmee beter gewacht kan worden tot bekend is welke maatregelen getroffen gaan worden en welke normering daaraan gekoppeld wordt.
De heer Bus begrijpt dat nu gevraagd wordt in te stemmen met het in behandeling geven van het maatregelenpakket.
Hij vindt het onduidelijk dat een bedrag van € 25 miljoen wordt gevraagd voor het verbeteren van het zuiveringsresultaat (10% van de belasting) terwijl overstorten een veel groter aandeel in die verontreiniging hebben.
Voorts merkt hij op dat wordt gesteld dat bij de gemalen van de Haarlemmermeerpolder vismigratie mogelijk moet zijn. Voor wat betreft de Leeghwater is dat geen probleem omdat daar sprake is van inlaten van water.

Bij gemaal De Lijnden zal wel een voorziening aangebracht moeten worden.

Mevrouw Ruiten leest op blz. 9 een terughoudendheid ten aanzien van de investeringen op de awzi’s, gelet op de emissie uit de landbouw. Zijn vindt het onjuist dat de landbouw op deze wijze de schuld toegeschoven wordt.
Verder vraagt zij in hoeverre de pilot in de binnenduinen al in uitvoering is.
De heer De Meijer complimenteert de opstellers met dit stuk. Hij heeft het gevoel dat het een lastig proces is en dat er nu ook een proces-vraag voorligt en geen inhoudelijk voorstel.
Hij is het met mevrouw Van der Laan eens dat je pas geld moet reserveren als de plannen concreet zijn. Daarnaast vindt hij de doelen niet altijd duidelijk geformuleerd. Zo vindt hij een terughoudend scenario niet passen bij een vooruitstrevend waterschap. We willen vooruit, wat in de tekst terug te vinden zou moeten zijn.
Het vaststellen van de doelstelling zou ook naar voren gehaald moeten worden, omdat we met bekende doelstellingen beter kunnen inspelen op projecten van anderen en de synergie wordt vergroot.
Het proces van overleg met de gemeenten wordt in dit verband heel belangrijk volgens spreker.

De heer Doornbos geeft aan dat met dit besluit het pakket vrijgegeven wordt voor overleg en onderhandelen met anderen, die daarin mee zouden kunnen doen (ook financieel). Als anderen niet meedoen is dit het maximum bedrag. Wellicht dat dit duidelijker geformuleerd zou moeten worden.
In de finale besluitvorming over de maatregelen zal dan bepaald moeten worden hoe daar verder mee om te gaan.
De maatregelen die op blz. 5 bedoeld worden zijn allebei nodig: enerzijds om te voldoen aan de KRW-eisen en aan de andere kant gaat het daarbij om maatregelen die we zelf al zouden doen.
En hij denkt dat de heer Postma gelijk heeft over de schrijfwijze van de Kaderrichtlijn. Hij hoopt wel dat men het ermee eens is dat niet nu alle stukken daarop aangepast worden.
Met de passage over de emissie uit de Landbouw wordt bedoeld te zeggen, dat het generieke beleid een zaak van het Rijk is. Als we constateren dat we met die Rijksmaatregelen het KRW-niveau niet halen dan zal in aanvullende projecten bekeken worden hoe we samen met de bedrijfstakken die doelen alsnog kunnen bereiken. Daar is ook geld voor beschikbaar. Het is geenszins de bedoeling met de vinger naar de landbouw te wijzen. We willen ook in overleg met de belangenorganisaties plannen bedenken.
Hij denkt dat de inbreng van de VV niet altijd opvallend is, omdat deze nota in een heel democratisch proces in vele gremia (zoals het Waterberaad) tot stand is gekomen. En de maatregelen sloten goed aan bij de Rijnlandse ideeën. Er bestaat dan ook een groot draagvlak voor de plannen.

Naar de inrichting van het systeem met natuurvriendelijke oevers zal kritisch gekeken worden omdat dit inderdaad niet de oplossing voor alle problemen biedt.
Het is overigens niet de bedoeling pas later de doelstellingen te formuleren, dat is bij voortduring gebeurd. Daarbij geldt dat er ook ambities zijn buiten de KRW-doelstellingen. We moeten namelijk bedenken dat als het in de haarvaten van het systeem niet op orde is dit van invloed is op het hoofdsysteem. Welke maatregelen daar ook genomen worden. Dus er moet goed naar de samenhang tussen KRW-doelen en eigen doelen gekeken worden.
Het verschil tussen de twee varianten is dat in variant 1 niet meer gedaan wordt dan is voorgesteld. Ook niet als er zich een gelegenheid voordoet. Bij optie 2 wordt naast het bedachte pakket aan maatregelen ook goed gekeken naar waar kan worden aangehaakt bij andere plannen.
Ook kan in die variant waar nodig zaken naar voren gehaald worden als dat sneller tot een beoogd resultaat kan leiden.
Uiteraard moeten we ook voorkomen dat we nu maatregelen uitvoeren en het gebied later nog een keer op de schop moet (de geen-spijt maatregelen). Aan de andere kant kunnen we nu al wel KRW-aspecten mee laten lopen als we met een geringe extra investering het KRW-doel nu al kunnen bereiken. Dit is moeilijk te kwantificeren en zal voortdurende afweging vragen in het hele traject.
Wat wel moet gebeuren is dat randvoorwaarden worden vastgesteld waar aan moet worden voldaan om in synergie zaken op te pakken.

De heer De Meijer vraagt daarbij dan ook aan te geven of verwacht wordt dat dan voor 2015 meer wordt bereikt dan met de oorspronkelijke plannen.
Dit zal aan de medewerkers worden meegegeven.
Waarom de €25 miljoen nu al gereserveerd wordt zal nog met de portefeuillehouder Financiën worden nagegaan. Waarschijnlijk is dit een begrotingstechnische maatregel.
Overigens zal wel goed bekeken moeten worden waar dit bedrag het grootste effect zal hebben.
Overstorten zijn overigens geen KRW-maatregel omdat dit onderdeel uitmaakt van het staand beleid om te komen tot sanering daarvan.

Met het instemmen met dit voorstel wordt de deur geopend voor overleg met de partners. Niet uitgesloten wordt dat dit leidt tot aanpassingen, waarover dan in december finaal een besluit genomen kan worden.

Aan de medewerkers zal gevraagd worden nog eens goed naar de formulering van de doelstellingen te kijken.

De heer Van Dorp komt nog even terug op de emissie uit de landbouw. De KRW-uitgangspunten geeft onrust in de sector omdat dit de indruk geeft dat de landbouw toch weer enigszins de zwarte piet toegeschoven krijgt. En hij vraagt zich af hoe de kwaliteit in de polders zich verhoudt tot de kwaliteit in bijvoorbeeld de stadsgrachten van Leiden.

De heer Doornbos geeft aan dat met stikstof en fosfaat als parameter de meetgegevens laten zien dat in intensieve landbouwgebieden de concentraties veel te hoog zijn. Daar zal gekeken worden hoe we daar gezamenlijk aanvullend iets kunnen doen als blijkt dat het generieke beleid onvoldoende resultaat laat zien.

De heer Van der Hoeven geeft op de vraag van de heer Sanders nog aan dat er geenszins sprake is van plannen om de Reeuwijkse plassen te baggeren omdat daardoor een grote interne eutrofiëring ontstaat. Als afgeleide van de discussie over de reconstructie van de boomteelt in Boskoop is gekeken of meegelift kan worden met de aanpak van het watersysteem in de polder.

Op een vraag van mevrouw Van der Laan antwoord de heer Gerrits (medewerker) dat er twee doelafleidingen bestaan. De formele, maar die is heel erg ingewikkeld. En de pragmatische waaraan Europa zijn goedkeuring heeft verbonden. Daarbij is bedacht wat er in het systeem moet gebeuren om een  zo natuurlijk mogelijk systeem te creëren, zoals het amoveren van sluizen. Daarbij is geconstateerd dat alles uitvoeren niet mogelijk is. Daarom worden nu de doelen nader uitgeschreven. En het maatregelenpakket leidt tot bepaalde redelijkerwijs maximaal te behalen resultaten. Daarover moet men zich in 2015 verantwoorden.

In verband met andere verplichtingen verlaat de heer Doornbos de vergadering.

De voorzitter vraagt instemming van de commissie de behandeling van dit voorstel in de VV doorgang te laten vinden, waarmee wordt ingestemd.

3.3 Peilbesluit Hekslootgebied

De voorzitter meldt dat er bij de inspraak geen zienswijzen zijn ingediend.
De commissie besluit dit stuk als hamerstuk te agenderen.

3.4 Waterakkoord Noordzeekanaal / Amsterdam-Rijnkanaal

De heer Sanders vraagt waarom de Sluis Bodegraven in dit akkoord wordt genoemd.
De heer Van der Vlist geeft aan dat dit te maken heeft met de link met het waterakkoord Kleinschalige Wateraanvoervoorzieningen, omdat daarbij water uit het Amsterdam-Rijnkanaal wordt onttrokken en via die sluis naar Rijnland wordt gevoerd.
Mevrouw Ruiten-Hogervorst is geschrokken van het feit dat er in de noorder-ringvaart brakwater aanwezig is.
De heer Van der Hoeven geeft aan dat dit een gevolg is van de aanwezigheid van de sluis in Spaarndam.
Op voorstel van de heer De Meijer zal het besluit worden aangepast in die zin dat alleen wordt besloten tot het vaststellen van dit akkoord (2).
De commissie besluit het stuk als hamerstuk te agenderen

4.  Overige punten

4.1. Ontwerp-peilbesluit Hogeveense polder

De heer Straathof geeft aan dat het nieuwe ontwerp is aangepast nadat het de vorige ronde door het college is teruggenomen en er overleg is geweest met het gebied. Daarbij is o,a. gebleken dat de peilschaal niet goed hing. Daarom wordt nu voorgesteld bij het vaststellen van het winterpeil uit te gaan van 95 cm onder N.A.P.
Het overleg met o.a. de LTO heeft ook niet tot de overtuiging geleid dat een 80cm drooglegging overal goed is. Om dit te bereiken zouden bovendien hoge kosten gemaakt moeten worden voor een verdiepingsslag, aanleg beschoeiing en overlast voor de omgeving. Daarom is de bandbreedte voor de drooglegging nu gelegd op 60 – 80 cm.
Het verslag van het werkbezoek zal nog aan de VV worden toegezonden.
Op dit moment wil hij benadrukken dat het WBP-doel voor dit peilbesluit losgelaten moet worden. In die planning is nl. niet voorzien in het extra inspraaktraject dat nog moet volgen. Daarin is ook voorzien in een extra informatie-avond waardoor het definitieve voorstel niet in de vergadering van 12 december behandeld kan worden.
Hij vraagt de commissie ermee in te stemmen het plan nu in de inspraak te brengen.
Mevrouw Ruiten-Hoervorst vraagt waarom het peil, dat in 1996 ook al gold, niet nog verder omlaag kan met het oog op zwaardere machines e.d.
Voor peilvak 1.04.2.2 geldt ook dat de ingelanden naar een verlaging met 5 cm wilden. Verder vraagt zij hoe wordt omgegaan met voormalen en met de aparte bemaling vooruitlopend en tijdens een vorstperiode.
De heer De Meijer gaat ervan uit dat het peilbesluit nu goed onderzocht is en staat er nu achter. Wel was hij verbaasd te constateren dat de bollenteelt nu toch instemt met een drooglegging tussen de 60 en 80 cm waar ze eerst aangaven belang te hebben bij een beperktere marge.
De heer Sanders wil weten of de vuilstort in de berekening is verbijzonderd gelet op de hoogteligging. Dit is gebeurd.
De heer Straathof geeft aan dat gesprekken in peilgebied 1.1 aangeven dat de wens tot een grotere drooglegging er niet is.
In 2.2. was in het vorige voorstel al een grotere drooglegging van 5 cm gerealiseerd. Volgens de voorlopige toets blijken onderbemalingen geen bestaansrecht meer te hebben.
Voor wat betreft het voormalen en peilbeheer tijdens vorstperiode zullen in de Nota Peilbeheer in wording beheersafspraken worden opgenomen op basis waarvan gemotiveerd afgeweken kan worden van het peil, gelet op grondsoort, grondgebruik e.d. Zo mogelijk wordt dit stuk straks tegelijkertijd met het definitieve voorstel over ditpeilbesluit voorgelegd aan de VV.

De heer Van der Hoeven is van mening dat dit peilbesluit recht doet aan de wensen van het gebied gelet op alle gesprekken die er zijn gevoerd.
De heer Straathof constateert dat mevrouw Ruiten enthousiast is over het idee een extra informatieavond in het gebied te houden.
De commissie stemt in met het ter inspraak brengen van dit peilbesluit.

4.3. Memo over nut en noodzaak vóórmalen

Ook hiervan ligt het in de bedoeling dit mee te nemen in de zojuist genoemde Nota Peilbeheer. Reden waarom nu geen memo is toegezonden.


5. Verslag 4 juli 2007

Het verslag wordt zonder opmerkingen vastgesteld.

Naar aanleiding van het verslag merkt de heer Bus op dat er in de vorige commissie is geattendeerd op een crisis-situatie. Vervolgens is er – na een weeralarm – 60cm regen in anderhalf uur gevallen met schade als gevolg. Het vermoeden is dat Rijnland niet alert genoeg heeft gereageerd en betrokken stellen Rijnland ook aansprakelijk. Hij stelt voor binnen Rijnland ook ons te bezinnen op wat goed peilbeheer zou moeten inhouden.

De heer Van der Hoeven stelt voor de brieven van de telers in handen van D&H te stellen ter afhandeling. Als dit leidt tot formele aansprakelijkstelling dan zal dit aan onze verzekeraar en aan de schadeadviescommissie worden voorgelegd. Daarin wordt dan die vraag of Rijnland adequaat heeft gehandeld meegenomen.
Het verslag wordt met dank vastgesteld.

6. Rondvraag

De heer Bus vraagt in hoeverre de uitbreiding van Spaarndam in dit akkoord al meegenomen had kunnen worden. Deze vraag zal als technische vraag beantwoord worden.

Mevrouw Ruiten-Hogervorst geeft aan dat ondanks eerdere meldingen er nog altijd een woonboot gezonken ligt in de Haarlemmertrekvaart. Deze vraag zal worden doorgegeven aan de organisatie.

De heer De Meijer vraagt de commissie te informeren over klachten over wateroverlast en de afhandeling daarvan.

De heer Straathof zegt toe dat het feitenrelaas uit de vorige VV nu concreter gemaakt zal worden.

De heer Van der Hoeven stelt voor af te spreken dat de VV op de hoogte gehouden wordt.

7. Sluiting

Niets meer aan de orde zijnde sluit de voorzitter de vergadering.

Aldus vastgesteld in de vergadering van de Commissie Waterbeheer van 17 oktober 2007.

Naar boven