Verslag gebiedscommissie Noord 12 februari 2008

Logo van het hoogheemraadschap van Rijnland
 

Sidebar

Home > Bestuur > Agenda´s en verslagen > Gebiedscommissie Noord > Verslag gebiedscommissie Noord 12 februari 2008

Verslag gebiedscommissie Noord 12 februari 2008

Verslag Gebiedscommissie Noord

12 februari 2008, 20.00 uur
Locatie Hotel Restaurant de Beurs, Kruisweg 1007 te Hoofddorp

1. Opening en mededelingen

2. Inspreekrecht

3. Vaststellen agenda

4. Verslag vergadering d.d. 13 november 2007

5. Waterplannen  

6. WBP4; inventarisatie aandachtspunten vanuit gebiedscommissie

7. Stand van zaken inhaalslag peilbesluiten, watergebiedsplannen, planning toekomstige watergebiedsplannen

8. Rondvraag

9. Sluiting

1. Opening en mededelingen

De voorzitter opent de vergadering om 20.00 uur en heet de aanwezigen van harte welkom. Dit is de eerste keer dat de Gebiedscommissie Noord niet in het Polderhuis te Hoofddorp bijeenkomt en de voorzitter hoopt dat de huidige vergaderlocatie naar het zin is.

De heren Bremer en Van der Weijden zijn met kennisgeving afwezig. De overige afwezige commissieleden zijn zonder kennisgeving afwezig. De voorzitter betreurt het dat er bij deze vergadering zo weinig commissieleden aanwezig zijn.

2. Inspreekrecht

Niemand heeft zich voor het inspreekrecht gemeld.

3. Vaststellen agenda

De agenda wordt conform vastgesteld.

4. Verslag vergadering d.d. 13 november 2007

Tekstueel
Het verslag wordt conform vastgesteld.

Naar aanleiding van
Bladzijde 1, punt 3, inzake vaststellen agenda, mevrouw Oosterloo vindt het spijtig dat het waterplan Aalsmeer de vorige keer van de agenda is gehaald en heeft dat als een verrassing ervaren.

Bladzijdes 2 en 3, punt 6, inzake presentatie Haarlemmermeer, de heer Buijs heeft begrepen dat het waterplan inmiddels gereed is. Desgevraagd licht de voorzitter toe waarom het plan in het college van Dijkgraaf en Hoogheemraden is aangehouden.

Bladzijde 2, punt 6, inzake presentatie Haarlemmermeer, de heer Van Warmerdam memoreert de mededeling van mevrouw Veenhoven dat de 15%-beleidsregel binnenkort aan de orde zal worden gesteld en hij informeert of dat reeds is gepasseerd. Mevrouw Veenhoven licht toe dat de 15%-beleidsregel op de actielijst van het college van Dijkgraaf en Hoogheemraden en op de actielijst van de Verenigde Vergadering (VV) is geplaatst maar nog niet aan de orde is gesteld.

Bladzijde 3, punt 6, inzake presentatie Haarlemmermeer, op de vraag van de heer Van Warmerdam of er voor de werkstad A4 maar één bestemmingsplan is, antwoordt mevrouw Veenhoven dat dat nog niet is gecheckt maar dat deze vraag alsnog zal worden nagegaan.(Noot: Uit navraag blijk dat het Project A4 werkstad gefaseerd wordt uitgevoerd omdat grond gefaseerd wordt aangekocht. Per fase komt er een watertoets bij Rijnland langs voor herziening van het geldige bestemmingsplan (op basis van artikel 19). Binnen het huidige bestemmingsplan wordt steeds de bestemming voor dat ene stukje aangekochte grond aangepast.)

5. Waterplannen

Mevrouw Rosendal leidt de presentatie door mevrouw Loeffen in en meldt dat is gebleken dat de verwachtingen van de VV niet altijd overeen komen met dat wat het waterplan biedt. Aangezien de VV pas in een later stadium met het plan kennismaakt, is besproken hoe de VV beter en eerder bij het plan kan worden betrokken en hoe de VV kan beoordelen of het plan goed is.

Mevrouw Loeffen licht de sheets nader toe en benadrukt dat de maatlat een hulpmiddel zal zijn en dat er altijd een verhaal achter zit dat door de betreffende ambtenaar goed kan worden toegelicht. Aan de hand van de getoonde maatlat waterplan Lisse ontstaat een korte discussie over de vraag of de scores alleen voor Rijnland of ook voor de betreffende gemeentes inzichtelijk zouden moeten zijn.

Mevrouw Loeffen stelt dat de maatlat een instrument is dat mede is bedoeld om de VV te informeren. Naar haar mening zal, afhankelijk van de onderhandelingspositie en de samenwerking met de betreffende gemeente alsmede de gevoeligheid van de informatie, uiteindelijk de praktijk uitwijzen of de scores ook aan de gemeente kunnen worden voorgelegd. Wanneer er eventueel voor het gezamenlijk opstellen van een maatlat zou worden gekozen, zouden er ook onderwerpen van de gemeente op de maatlat moeten worden geplaatst. Mevrouw Loeffen wijst er echter op dat de vraag en behoefte van de gemeente meestal anders is dan die van Rijnland. De maatlat is nadrukkelijk een instrument van en voor Rijnland.

De commissie is van mening dat er open kaart met de gemeente kan worden gespeeld en spreekt de voorkeur uit voor openheid. Gesteld wordt dat het een transparant en helder proces is dat op tafel mag worden gelegd. Eventueel zou de maatlat als een basispakket van Rijnland bij de gemeente kunnen worden neergelegd waarna de gemeente de maatlat, desgewenst, zelf nog kan aanvullen.

Ten aanzien van het getoonde voorbeeld waterplan Bloemendaal licht mevrouw Loeffen toe dat de eerste en de tweede kolom van de maatlat niet zijn ingevuld aangezien het lastig is om dit achteraf nog te doen.

Na afloop van de presentatie biedt de voorzitter de commissieleden de gelegenheid tot het stellen van vragen.

De heer Buijs informeert, verwijzend naar de grijze vakjes in de maatlat, waarom de betreffende onderwerpen in de maatlat zijn opgenomen terwijl het geen onderwerpen van Rijnland zijn. Mevrouw Loeffen expliceert dat de bedoelde onderwerpen voornamelijk betrekking hebben op het grondwater. Deze zijn in de maatlat opgenomen omdat Rijnland af en toe ook maatregelen neemt die invloed hebben op het grondwater. Voorts licht mevrouw Loeffen toe dat een aantal onderwerpen reeds in een ander gemeentelijk plan goed zijn geregeld en/of goed zijn afgedekt. Daarnaast zijn onderwerpen soms niet aan de orde. Derhalve zijn deze onderwerpen met grijs (d.w.z. geen doel voor Rijnland of geen ontwikkelingen nodig) aangegeven.

De heer Van Warmerdam informeert of er voortaan aan de Gebiedscommissie informatie ter voorbereiding kan worden verstrekt voordat de commissie over gebiedsspecifieke informatie wordt gehoord. De voorzitter onderschrijft dat het vooraf aanleveren van een gebiedskaart en een startnotitie uiteindelijk de presentatie en de informatievergaring beter tot hun recht zal laten komen.

Op de vraag van mevrouw Oosterloo hoe Rijnland de prioritering van de waterplannen bepaalt, verduidelijkt mevrouw Rosendal dat Rijnland reeds een prioritering heeft gemaakt gelet op de wateropgave voor het NBW en de KRW. Wellicht dat daarin nog iets moet worden verschoven. Mevrouw Loeffen voegt daaraan toe dat er tevens afstemming met de watergebiedsplannen moet plaatsvinden.

Overigens stelt mevrouw Rosendal dat Rijnland niet altijd een waterplan opstelt maar soms concreet een aantal specifieke problemen aanpakt. Het opstellen van een waterplan zou in die situaties zonde van de energie zijn.

Mevrouw Oosterloo vraagt aandacht voor de situatie dat de Gebiedscommissies niet meer zouden bestaan. De voorzitter verzekert dat de Gebiedscommissies thans bij reglement zijn voorgeschreven en dat de reglementswijziging de Staten reeds heeft gepasseerd maar dat de provincie niet van plan is het reglement op dit punt te wijzigen. Wel zullen de kiesdistricten worden afgeschaft. Daarop adviseert mevrouw Oosterloo om te bezien of de gebiedskennis nog voldoende wordt gewaarborgd wanneer er geen sprake zou zijn van een evenredige bestuursvertegenwoordiging vanuit de gebieden.

De voorzitter bedankt mevrouw Loeffen voor haar presentatie. Mevrouw Loeffen zegt toe tijdens de vergadering van de commissie Waterbeheer op dinsdag, 26 februari a.s., met de ervaringen van de drie Gebiedscommissievergaderingen nog op dit onderwerp terug te komen.

6. WBP4; inventarisatie aandachtspunten vanuit Gebiedscommissie

De heer Dijkstra licht de sheets nader toe. Met betrekking tot de betrokkenheid van de VV en externe partijen informeert de heer Van Warmerdam wat er onder bredere communicatie wordt verstaan. De heer Dijkstra geeft aan dat er momenteel nog met een Communicatie Adviseur wordt gesproken over de middelen die hiervoor kunnen worden ingezet. Zo is onder andere de suggestie gedaan om gelet op de komende Waterschapsverkiezingen thema’s van het WBP4 in de verkiezingswijzer te betrekken.

Ten aanzien van de ambitienota schetst de heer Buijs de mogelijkheid dat er meerdere waterschappen in één stroomgebied zijn gelegen die elk een ander ambitieniveau hanteren en hij informeert of in dat geval de diverse ambitieniveaus richting Brussel moeten worden gestroomlijnd. Daarop verduidelijkt de heer Dijkstra dat Rijnland in het kader van de KRW alleen chemie- en inrichtingsmaatregelen in waterlichamen aan Brussel dient te rapporteren. Het RBO van Rijn-West gaat alle deelplannen van de waterschappen naast elkaar leggen. Na de harmonisatie wordt het pakket via het Rijk aan Brussel voorgelegd. Rijnland is vrij om zijn ambitieniveau te bepalen, tenzij de provincie ingrijpt. De voorzitter voegt daaraan toe dat er interactie met het provinciale Waterhuishoudingsplan is.

De heer Van Warmerdam geeft aan de ideeën om tot een bredere communicatie te komen gaarne in de ambitienota terug te willen zien. De heer Dijkstra zegt toe deze suggestie mee te nemen. Alhoewel de ambitienota meer inhoudelijk en strategisch is, beaamt de heer Dijkstra dat steeds naar voren komt dat Rijnland zich meer moet profileren.

Op de vraag van mevrouw Reijs of in de ambitienota ook de financiën worden weergegeven, licht de heer Dijkstra toe dat er waarschijnlijk geen harde getallen maar bedragen binnen een range zullen worden weergegeven.

Het WBP3 is 2 jaar geleden vastgesteld. Toentertijd is er uitgebreid over het ambitieniveau gediscussieerd. Weliswaar hebben zich in die 2 jaar een aantal veranderingen voorgedaan of is er op thema’s dieper inzicht verkregen maar het WBP3 is naar de mening van de heer Dijkstra nog steeds een heel goed plan.

Voortzetting van het beleid van het WBP3 is dan ook in principe het uitgangspunt. Pas wanneer kaders wijzigen of geheel nieuw zijn (zoals bijvoorbeeld de grondwatertaken die Rijnland zal verkrijgen) en/of de evaluatie van het WBP3 en toekomstverkenningen op ontwikkelingen het noodzaken, zullen bedragen opnieuw moeten worden berekend en doorgerekend. Anders kan er in grote lijnen op basis van de bedragen uit het WBP3 een slag naar het WBP4 worden gemaakt. Wel is er inmiddels een beeld van de kosten van het NBW en de KRW terwijl dat er toentertijd nog niet was.

Ten aanzien van de parallelle ontwikkeling van waterplannen geeft de heer Dijkstra weer dat voorheen het Rijk het kader voor het plan van de provincie bepaalde en dat de provincie het kader voor het plan van de waterbeheerder bood. Omdat in de huidige situatie alle plannen tegelijkertijd in voorbereiding zijn, is onderlinge afstemming essentieel. Er vindt frequent ambtelijk en bestuurlijk overleg met de provincie Zuid-Holland plaats. Het overleg met de provincie Noord-Holland verloopt trager. Mevrouw Veenhoven informeert de aanwezigen dat Rijnland binnenkort zijn visie aan de provincie Noord-Holland wil voorleggen. De provincie Noord-Holland komt daardoor in een reactieve positie terecht.

De heer Buijs vraagt zich af of het wel mogelijk is dat de waterschappen ieder voor zich een Waterbeheersplan vaststellen en dat de provincie daarna nog haar Waterhuishoudingsplan vaststelt. De wet schrijft immers voor dat het Waterbeheersplan aan het Waterhuishoudingsplan dient te worden getoetst. De vraag is dan of het nieuw opgestelde Waterbeheersplan nog aan het ‘oude’ provinciale Waterhuishoudingsplan kan worden getoetst. De heer Dijkstra zegt toe deze juridische en bestuurlijke vraag mee te nemen.

Na afloop van de presentatie biedt de voorzitter de commissieleden de gelegenheid tot het stellen van vragen.

Rijnland kent in het kader van de KRW geen inspannings- maar een resultaatsverplichting. De ambitielat ligt daardoor erg hoog. De heer Buijs vraagt zich af welke ruimte dat voor Rijnland biedt om alsnog zijn ambitieniveau te bepalen. Daarop expliceert de heer Dijkstra dat in het kader van de KRW alleen over waterlichamen en waterkwaliteit wordt gesproken. Het WBP4 is veel breder en de KRW maakt daarvan deel uit. Voor wat betreft de KRW zal Rijnland kunnen volstaan met ‘het uitvoering geven aan het KRW-pakket zoals dat op 30 januari 2008 is vastgesteld’.

Mevrouw Oosterloo merkt op dat in het WBP3 een aantal inspanningen en intenties zijn genoemd die niet tot het beoogde resultaat hebben geleid. Zij noemt daarbij de legger en het recreatief medegebruik van keringen als voorbeelden.

Op de vraag hoe daarmee wordt omgegaan, licht mevrouw Veenhoven toe dat er in december 2007 een evaluatie heeft plaatsgevonden en dat in juni 2008 de laatste evaluatie is gepland. Daaruit komen een aantal leringen voort. Soms is er sprake van voortschrijdend inzicht en soms heeft vertraging een rol gespeeld. Deze inspanningen en intenties zullen wederom in het WBP4 worden opgenomen.

Daarop stelt mevrouw Oosterloo de vraag hoe in het WBP4 nieuwe vertragingen kunnen worden voorkomen. Mevrouw Veenhoven stelt dat het WBP3 een ‘plus-pakket’ was en dat bij het WBP4 zal worden bezien wat de organisatie kan wegzetten en wat realistisch en haalbaar is. De leringen uit het WBP3 zullen voor het WBP4 worden benut. Voorts heeft de reorganisatie een rol gespeeld. Er is veel veranderd en er zijn, met name bij de afdeling Plannen en Projecten, een groot aantal moeilijk vervulbare vacatures.

Desgevraagd geeft mevrouw Veenhoven aan dat het overleg met de provincie Zuid-Holland en de provincie Noord-Holland afzonderlijk en daarmee bilateraal plaatsvindt. De heer Van Warmerdam meent dat een gezamenlijk overleg tussen Rijnland en de provincies Zuid- en Noord-Holland efficiënter zou zijn.

De voorzitter bedankt de heer Dijkstra voor zijn presentatie.

Mevrouw Veenhoven meldt dat er tijdens de presentatie een memo is rondgedeeld waarbij de aanwezigen, en daarmee ook de aanwezigen op de publieke tribune, worden verzocht steekwoorden op te schrijven en de memo aan de heer Dijkstra te retourneren.

7. Stand van zaken inhaalslag peilbesluiten, watergebiedsplannen, planning toekomstige watergebiedsplannen

De voorzitter brengt in herinnering dat eerder is afgesproken de laatste stand van zaken aan de Gebiedscommissie voor te leggen maar er geen punt van bespreking van te maken. Wel zullen de vragen van de commissieleden worden genoteerd.

De heer Van Warmerdam informeert op welke gronden er beroep is aangetekend tegen het peilbesluit voor de Houtrakpolder. Voorts wil hij graag weten of het peilbesluit voor de polder Hekslootgebied inmiddels door Gedeputeerde Staten is vastgesteld.

Met verwijzing naar het gestelde op bladzijde 2 vraagt de heer Van Warmerdam waarom het benodigde modelinstrumentarium is vertraagd. Daarop licht mevrouw Veenhoven toe dat dat op de gebiedsnormering van de provincie betrekking heeft. De provincie zoekt nog hoe zij met de normering moet omgaan in gebieden met veel schade. Het IPO bepaalt uiteindelijk welke lijn de provincie volgt. Voorts is het Waterbezwaar 2e fase inmiddels gereed waardoor er een uitwerking op gebiedsniveau en een verfijning van de berekeningen dient plaats te vinden.

Tot slot merkt de heer Van Warmerdam op dat de vergaderingen van de Gebiedscommissie Noord vaak samenvallen met andere vergaderingen/bijeenkomstem binnen het gebied. Hij verzoekt dat in de toekomst zoveel mogelijk te vermijden en zonodig de vergadering van de Gebiedscommissie Noord te verplaatsen. De voorzitter merkt op dat wanneer de data van de vergaderingen van de Gebiedscommissies zijn gepubliceerd deze niet meer kunnen worden verplaatst.

De heer Buijs informeert naar het verschil tussen een waterplan en een watergebiedsplan en merkt voorts op dat de naamsaanduiding van een plan tot verwarring kan leiden. Mevrouw Loeffen expliceert dat een watergebiedsplan de basis voor de peilbesluiten vormt. Er is met de provincie afgesproken om tot gebiedsdekkende watergebiedsplannen te komen. Rijnland neemt het initiatief tot het opstellen van een watergebiedsplan waarbij de waterkwantiteit de aanleiding vormt maar de waterkwaliteit wel wordt meegenomen. Een waterplan wordt in samenspraak met de gemeente opgesteld. Overigens beaamt mevrouw Loeffen dat de naam van een plan enigszins willekeurig is aangezien er bij het tot stand komen van een plan eenvoudigweg een naam aan het plan wordt gegeven. Een watergebiedsplan kent watersysteemgrenzen waardoor 1 gemeente in 2 watergebiedsplannen kan liggen.

Afrondend attendeert de voorzitter de aanwezigen er met verwijzing naar bladzijde 1 op dat bij de polder Bloemendaal abusievelijk district Noord in plaats van district Zuid is vermeld.

8. Rondvraag

De heer Van Warmerdam heeft uit de pers vernomen dat het convenant Zandvoort betreffende de kustversterking is ondertekend. Mevrouw Veenhoven repliceert dat er nog geen convenant is ondertekend maar dat Rijnland wel overleg voert met de provincie om beweging in dit project te verkrijgen. De voorzitter voegt daaraan toe dat er weliswaar beweging in de prioritering door het Rijk is maar dat daar nog geen financiering achter zit.

Vervolgens meldt de heer Van Warmerdam dat inmiddels de laatste steen van het dijklichaam in Noordwijk is gelegd en hij geeft aan dat hij daar als lid van de commissie Waterkering en Waterzuivering graag bij had willen zijn. Voor de start van het project was hij wel uitgenodigd. De voorzitter stelt dat er nog over feestelijkheden omtrent het project Noordwijk wordt nagedacht.

Mevrouw Reijs informeert met betrekking tot de grenswijziging in Amsterdam-West hoe de taken tussen het hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht en het hoogheemraadschap van Rijnland zijn verdeeld. De voorzitter verduidelijkt dat wanneer twee waterschappen in één gebied een taak hebben de burgers aan beide waterschappen het volle pond betalen. Rijnland voert overleg met Amstel, Gooi en Vecht en de nieuwe grens zal in de reglementswijziging worden meegenomen. De voorzitter duidt de grenzen in Amsterdam-West nader aan.

De heer Buijs begrijpt dat de grens tussen twee waterschappen wordt verlegd en vraagt of Rijnland dan taken voor Amstel, Gooi en Vecht zal uitvoeren. De voorzitter verzekert dat het waterbeheer aldaar, zoals dat al eeuwen wordt gevoerd, zal worden voortgezet maar dat er een nieuw waterakkoord met een andere financiële verrekening tussen de twee waterschappen zal worden afgesloten. Rijnland heeft met alle omliggende waterschappen waterakkoorden afgesloten omdat de verrichte taken over de grenzen heen lopen.

Mevrouw Oosterloo is door ingelanden van de Haarlemmermeer benaderd dat zij niet alle publicaties van Rijnland zien. Zij uit de suggestie om bekendmakingen e.d. voortaan in de gemeentelijke bijlage InforMeer van de Hoofddorpse Courant te publiceren aangezien deze bijlage een goede gebiedsdekking en verspreiding binnen de Haarlemmermeer waarborgt.

Voorts meldt mevrouw Oosterloo door een ingeland uit Aalsmeer te zijn benaderd met zorgen over de kruising van de tunnelbak N20. Van het aanvoerwater nabij het gemaal Machineweg zou slechts een waterdiepte van 20 cm overblijven. De voorzitter zegt toe dat dat zal worden nagegaan.

Tot slot geeft mevrouw Oosterloo aan de knipselkrant te missen aangezien het voor bestuurders handig was om ook publicaties in andere regio’s te zien. Zij ervaart als bestuurder een informatie-achterstand. De voorzitter laat weten dat zal worden nagegaan of het mogelijk is om wederom een (eventueel digitale) knipselkrant aan de bestuurders te verstrekken.

9. Sluiting

De voorzitter sluit de vergadering om 21.40 uur en dankt allen voor hun aanwezigheid.

Naar boven