Verslag gebiedscommissie Zuid 15 februari 2007

Logo van het hoogheemraadschap van Rijnland
 

Sidebar

Home > Bestuur > Agenda´s en verslagen > Gebiedscommissie Zuid > Verslag gebiedscommissie Zuid 15 februari 2007

Verslag gebiedscommissie Zuid 15 februari 2007

Agenda

1. Opening / mededelingen

2. Inspreekrecht

3. Vaststellen agenda

4. Verslag 27 april 2006

5. Peilbesluit De Noordplas

6. Peilbesluit stadsboezem Gouda

7. Watergebiedsplan Zuidgeest

8. Onderhoud en de Flora en Faunawetgeving (tussengevoegd)

9. Stand van zaken grote projecten

10. Operationele activiteiten

11. Rondvraag

Sluiting

1. Opening/mededelingen

De voorzitter opent de vergadering van de gebiedscommissie en doet mededeling van de afmeldingen.

2. Spreekrecht


Van het spreekrecht wordt door twee personen gebruik gemaakt: de heren De Vries en Van Lind.

De heer De Vries vraagt, in aansluiting op de brief van 11 februari jl.,  namens 11 bewoners van de wijk Noordhove in Zoetermeer aandacht voor hun probleem met een te laag peil. Hij schetst de lange voorgeschiedenis van 7 jaar waarin bij verkoop van gronden werd uitgegaan van een hoger peil in de hele wijk. Tijdelijk is vervolgens een stuw aangebracht, waarover de afspraak is gemaakt bij het peilbesluit het peil ook voor de overige bewoners in de wijk op dat hogere niveau zou worden gebracht. Dit is nodig omdat nu sprake is van zwevende vlonders, geen bereikbaarheid met een boot en plasbermen die droogvallen. Een voorstel van 2½ jaar geleden was niet werkbaar omdat daarmee particuliere percelen te makkelijk toegankelijk werden gemaakt.
In verband daarmede wordt aandacht gevraagd voor de oorspronkelijke toezegging van de gemeente Zoetermeer die door het waterschap en later Rijnland overgenomen zou moeten zijn.

De heer Van Dorp weet zich uit zijn periode bij het waterschap te herinneren dat het laatste voorstel van het waterschap door de bewoners is geweigerd.
De voorzitter zegt toe dat nagezocht zal worden welke toezeggingen er gedaan zijn en in welke verhoudingen de gemeente en het waterschap Wilck en Wiericke in deze tot elkaar stonden. Daarnaast zal bezien worden welke oplossingsrichtingen er mogelijk zijn. Deze reactie zal niet als inspraakreactie worden beschouwd.

De heer Van Lind, spreken namens Plantagegebouw en Greenpark, wijst op de problemen die zullen ontstaan bij peilverhoging. Daardoor zullen drainages onder water komen staan en de uitstroom verminderen, waardoor weer draagkrachtvermindering zal ontstaan. Ook zal door de peilverhoging de berging in de polder minder worden, hetgeen bij calamiteiten problemen zal veroorzaken. Hij verzoekt een en ander bij de besluitvorming over het peilbesluit de Noordplas mee te nemen.
Desgevraagd bevestigd hij dat geen zienswijze is ingediend.

3. Vaststellen agenda


De agenda wordt vastgesteld, waarbij de agendapunten 8 en 9 in verband met de lengte van de agenda komen te vervallen.

4. Verslag 27 april 2006


Tekstueel
De heer W. Smits merkt op met kennisgeving afwezig te zijn geweest en niet zonder kennisgeving. Met deze aantekening wordt het verslag vastgesteld.

5. Peilbesluit De Noordplas (planning VV 21 mei 2007)


De voorzitter geeft aan dat er inmiddels drie informatieavonden in het gebied zijn gehouden en dat er een Maatschappelijk Kosten Baten Analyse is opgesteld. In de opmaat naar de Verenigde vergadering lijkt het daarom goed nu de Gebiedscommissie het voorgenomen peilbesluit te presenteren ten behoeve van een goede bestuurlijke voorbereiding.
Vervolgens wordt de presentatie gehouden.

Na de presentatie geeft de voorzitter aan dat de opzet is dat vanuit de Gebiedscommissie aandachtspunten worden meegegeven, maar er verder geen behandeling van het onderwerp plaatsvindt.
De heer Sanders heeft daar een iets andere gedachte bij en vindt dat er wel inhoudelijke discussie zou moeten kunnen plaatsvinden. Vooral omdat de Verenigde vergadering pas aan het eind van het hele proces in beeld komt en er dan te weinig bestuurlijke ruimte overblijft om nog iets te kunnen wijzigen.

Daarnaast heeft hij de volgende vragen en opmerkingen:
Bij het ICT/PCT-terrein (blz. 51) vraagt hij zich af of de cijfers die daar gepresenteerd worden wel kloppen. Verder is hij van mening dat de kosten van voorbereiding, gelet ook op het uiterst geringe effect op de boezem, erg hoog zijn en dat het doel om te komen tot verbetering van de waterkwaliteit in de polder èn de boezem verwordt tot middel gelet op de lange voorbereiding.
Zijn voorkeur zou uitgaan naar handhaving van het praktijkpeil tot het moment waarop Bentwoud aan de orde is.
Hij verwondert er zich ook over dat de MKBA, ook na aanpassing naar aanleiding van opmerkingen van buiten, nog steeds in evenwicht is. En hij vraagt zich af waarom de peilopzet plaatsvindt in de peilvakken waar niet de meeste kwel voorkomt. Wel constateert hij dat er een beperkt aantal peilvakken wordt ingericht met overigens in een aantal gevallen grote oppervlakten.

De heer Alkemade betreedt om 08.45 uur de vergadering.

Mw. Uran geeft aan dat de peilverhogingen plaatsvinden in slechts een paar peilvakken, mede met het oog op de berging in de andere peilvakken. Overigens wordt het gebied meer versnipperd dan zou moeten. Maar dat is een gevolg van maatwerk.
De extra berging in de peilvakken met peilopzet wordt gevonden in bijvoorbeeld een groter gemaal en de vormgeving van stuwen waarmee het waterbezwaar kan worden verevend. Deze maatregelen passen in de door het NBW gegeven maatregelenscala.

De heer Van Dorp wordt niet vrolijk van het voorstel. Zo vraagt hij zich af of de hoge kosten gemoeid met het voorstel maatschappelijk verantwoord zijn. Bovendien heeft hij er moeite mee dat met betrekking tot de drains wordt gesteld dat als ze afgeschreven zijn Rijnland daarvoor geen schadevergoeding behoeft te betalen. Voorts vraagt hij zich af waarom er peilwijziging wordt voorgesteld in een gebied waar de maaivelddaling heel gering is. Dat de peilopzet nodig zou zijn omdat er een verdrogingsprobleem zou zijn is naar zijn mening onjuist, omdat deze polder als een van de hoogste scoort als het gaat om opbrengst per hectare.
En hij kan zich ook niet voorstellen dat met een drijverstuw de berging vergroot zou kunnen worden. Hij vreest dan ook voor grote wateroverlast als het peil wordt opgezet en er zich een calamiteuze situatie voordoet. Daniël Malschaert geeft hierop uitleg over de werking van de stuwen en geeft aan dat door slim sturen met behulp van de stuwen het water beter verdeeld wordt over het gebied.

De heer Van Dorp verbaast zich ook over het grote aantal peilvakken gelet op het beleid om te kiezen voor grote robuuste systemen.
Met betrekking tot dit laatste geeft de voorzitter aan dat in het voorstel wordt aangegeven waarom hiervoor is gekozen.

Op een vraag van de heer Van der Smit ter zake geeft mw. Uran aan dat de peilopzet in de Noordplas in feite zodanig gering is dat daarvan geen of weinig effecten worden verwacht voor wat betreft extra kwel in de Middelburg en Tempelpolder.
Hij verwacht ook bij dit voorstel weer een zware discussie in de Verenigde vergadering, omdat er vanuit die vergadering wensen liggen die niet via amendementen kunnen worden vastgelegd.


Met betrekking tot de schade aan de drainage geeft de voorzitter aan dat de opzet is door middel van een “case” de vraag of Rijnland schadeplichtig is aan de schadeadviescommissie voor te leggen. Dit omdat in principe het ontwateren van percelen geen Rijnlandse taak is en er vanuit de juridische hoek gewaarschuwd wordt voor de spanning tussen ontwatering en afwatering en het voorkomen van precedentwerking.
Het is belangrijk dit advies te hebben voordat het voorstel naar de Verenigde vergadering gaat, zodat inzicht gegeven kan worden in de wijze waarop daarmee  zou moeten en kunnen worden omgegaan. Niet bij voorbaat kan gezegd worden dat de schade vanwege het minder of niet meer functioneren van drainage voor schadevergoeding in aanmerking komt.
Dit hoort naar zijn mening tot een goede voorbereiding van een voorstel als het onderhavige.
En uiteindelijk is het aan de Verenigde vergadering te beoordelen of met de MKBA voldoende duidelijk is dat het voorstel maatschappelijk verantwoord is en om te besluiten tot het al dan niet vaststellen van het peilbesluit.
De heer Alkemade is het met de voorzitter eens dat de Verenigde vergadering bij het voorstel inzicht moet krijgen over de gevolgen van het peilbesluit en dat daarbij het maatschappelijk belang voorop staat.
De heer Laban vraagt zich af hoe groot het bereik van de drijverstuwen is. Hij vreest dat bij een grote stijging die stuwen onvoldoende mee kunnen met die peilstijging en dat er dan, door verlies aan berging, wateroverlast zal ontstaan. Daarbij moet ook rekening gehouden worden met de klimaatveranderingen. De heer Westhoek geeft uitleg over het systeem, waarbij het peil aan beide zijden van de stuw kan stijgen.
De voorzitter zegt toe dat bij het voorstel een uiteenzetting gegeven zal worden over de bergingsproblematiek.
Ook zal aan de VV-leden de MKBA worden meegezonden.
Mw. Van der Laan vindt het, evenals de heer Sanders, belangrijk dat in het voortel duidelijk wordt weergegeven wat de effecten van het opzetten van het peil zijn op zowel de boezem als de polderwateren. Overigens heeft zij de indruk dat het gebied, met slecht een beperkt aantal zienswijzen, zich toch redelijk kan vinden in het voorstel.
Zij vraagt voorts nadere informatie over de proef voor de “wel-dichting” en de relatie met het peilbesluit, alsmede hoe de NBW-normen uitpakken voor het stedelijk gebied.
Mw. Uran geeft aan dat de NBW-normen voor het stedelijk gebied niet al te veel problemen oplevert. De proeven met de “wel-dichting” moeten nog uitgevoerd worden en staan los van dit peilbesluit.
De voorzitter sluit de discussie af en stelt dat de belangrijkste vragen in dit verband zijn of de Verenigde vergadering het belangrijk vindt de verzilting terug te dringen, of de wijze waarop dit gebeurd zorgvuldig genoeg is voorbereid en de rekening bij de juiste personen terechtkomt.

6. Peilbesluit stadsboezem Gouda


Dirk Maas verzorgt de presentatie.
Mw. Van der Laan merkt op dat het peilbesluit simpel lijkt, maar vraagt wat wordt bedoeld met geringe drooglegging.
De voorzitter geeft aan dat het peil in de stadsboezem niet verhoogd kan worden in verband met de aanwezige uitmondingen van pijpjes op het niveau van het wateroppervlak. Het peil kan ook niet verlaagd worden met het oog op riooloverstorten en funderingen in het gebied. Daarom wordt voorgesteld het peil op het huidige peil van N.A.P. -0.70m te handhaven.
De gevolgen van de klimaatverandering zal moeten worden opgevangen met capaciteitsvergroting van het gemaal/de gemalen.
De idee om het peil in de haven te verhogen kwam voort uit het historisch gegeven dat daarmee vroeger de stadsboezem in feite werd schoongespoten door het water van dat hogere niveau door de stadsboezem te laten doorstromen.Dit is nu niet in het peilbesluit meegenomen. In de 2e fase Studie Waterbezwaar zal deze situatie ook beoordeeld moeten worden.
Wel zal het doorspoelen van de boezem worden geoptimaliseerd.

7. Watergebiedsplan Zuidgeest


Mw. Fijan geeft een presentatie.
De heer Alkemade merkt op dat het een lastig gebied is als bedacht wordt dat er grote variatie aanwezig is een groot gebied met heel veel peilvakken. Hij beveelt aan toch vooral ook vanuit kansen te redeneren en niet teveel vanuit knelpunten. Een kans zou bijvoorbeeld zijn de stroming van de kwel uit de duinen zodanig te reguleren dat het niet direct afstroomt op de boezem, maar meer in het gebied kan worden vastgehouden. Het inrichtingsplan zou daarop ingericht kunnen worden.
Mw. Van der Laan wordt desgevraagd bevestigd dat Rijnland bij de ontwikkeling van het gebied Vliegveld Valkenburg aan tafel zit. En voor wat betreft de informatieavonden doet zij de suggestie, gelet op de grootte van het gebied, meerdere avonden te organiseren. En misschien zou het ook inventarisatieavonden genoemd moeten worden.
De voorzitter zegt toe te bezien of een gebiedsbezoek georganiseerd kan worden.

8. Onderhoud en de Flora en Faunawetgeving (tussengevoegd)

Vervallen

9. Stand van zaken grote projecten

Vervallen

10. Operationele activiteiten


De heer Westhoek geeft een overzicht van de werkzaamheden die uitgevoerd zijn in 2006. Hij geeft daarbij aan dat de invloed van de reorganisatie met een vertrek van 3 medewerkers kort na elkaar merkbaar is doordat het lastig wordt zaken uit te voeren die in de planning staan.
De heer Sanders schrikt van de mate waarin werkzaamheden worden uitbesteed. Hij is van mening dat zoveel mogelijk intern uitgevoerd zou moeten worden. De heer Westhoek geeft aan dat mn de forse onderbezetting daaraan debet is.

De voorzitter merkt desgevraagd op dat door de organisatie is ingezet op doelmatigheid. Hij is overigens van mening dat niet in alle gevallen de reorganisatie aanleiding is voor medewerkers een andere baan te zoeken.

11. Rondvraag


De voorzitter verzoekt de heer Smits zijn vraag over de noodzaak tot het plaatsen van noodtanks en hoe het staat met het planmatig onderhoudsbestek mee te nemen naar de Rondvraag VV.

De heer Laban geeft nog aan dat bij de zienswijzen voor het peilbesluit de Noordplas in één geval 40 ondertekenaars de zienswijze ondersteunden, zodat “gering aantal zienswijzen” ook maar betrekkelijk is.

Naar aanleiding van een vraag van de heer Van der Smit over een duiker die bij de reconstructie van de Insteek in Boskoop niet meer is teruggekomen wordt vanuit de ambtelijke dienst aangegeven dat de gemeente opdracht is gegeven ervoor zorg te dragen dat de duiker wordt herplaatst.

Sluiting:

De voorzitter sluit de bijeenkomst om 10.30 uur.

Naar boven