Inleiding
Rijnland en het water
Relatie Rijnland en zijn omgeving
Interne verhoudingen bij Rijnland (D&H, Verenigde Vergadering, ambtelijke organisatie)
Rijnland en de positie van waterschappen in het bestuurlijke krachtenveld
Evaluatie
Het college van het nieuwe hoogheemraadschap van Rijnland, benoemt in dit programma de speerpunten voor het beleid dat we deze zittingsperiode voeren. Daarnaast is het de basis voor communicatie met de omgeving. Het is een leidraad voor prioriteitstelling van college en ambtelijke organisatie en een visitekaartje voor waar wij als Rijnlands college voor staan.
Wij realiseren ons dat het bestaan van het ene, nieuwe hoogheemraadschap van Rijnland niet betekent dat de gevolgen van de fusie volledig verwerkt zijn. Wij zijn ons bewust van de diversiteit van de gefuseerde organisaties en besturen, en wensen het goede daarvan te behouden. Maar bovenal zien we kansen: voor integraal waterbeheer, voor het opbouwen van een gezaghebbende positie in de Nederlandse waterwereld, voor professionalisering. We zullen zelf de nieuwe eenheid uitstralen. Dat doen we door met passie voor en kennis van het gebied en een open, communicatieve houding naar gebied en organisatie een objectief en consequent gebiedsdekkend beleid te voeren.
Hoofddoel blijft vanzelfsprekend “droge voeten en schoon water”. Dit is het motto voor ons beleid en we hanteren het in al onze uitingen. Met gebruikmaking van de voorzet die de Voorbereidingscommissie ons heeft aangereikt [1]vertaald zich dit in Rijnlands missie:
“Het hoogheemraadschap van Rijnland zorgt, samenwerkend met anderen, voor duurzame veiligheid tegen en met het water en voor blijvend genoeg water van goede kwaliteit op de juiste plaats, ten dienste van mens en milieu in ons gebied. Bestuurders en medewerkers zijn resultaatgericht en dienstverlenend, zeggen wat ze doen en doen wat ze zeggen. We houden het tempo er in!”
De belangrijkste opgave waar het college en de Verenigde Vergadering van Rijnland de komende tijd voor staan is het Waterbeheerplan. Het moet begin 2006 vastgesteld zijn Dit is een eis van de provincies, dus de tijd dringt. De uitgangssituatie is ingewikkeld: door klimaatverandering, zeespiegelrijzing en bodemdaling moet er heel veel en kan het plan niet louter een beherend plan zijn. Rijnland heeft zich al aan veel zaken verplicht die de komende tijd waargemaakt moeten worden: het Nationaal Bestuursakkoord Water en de start met de implementatie van de Kaderrichtlijn Water zijn daar de belangrijkste voorbeelden van. Het college hanteert daarom de volgende uitgangspunten
A. voor het proces van totstandkoming van het plan:
1. Rijnland komt uiteraard zijn wettelijke taken na. Maar Rijnland is geen klakkeloze uitvoerder van beleid dat op Europees, nationaal of provinciaal niveau is vastgesteld. De kennis van zaken van het regionale watersysteem zit bij de waterschappen. Die kennis dient mede richtinggevend te zijn voor het beleid op andere bestuursniveaus (‘bottom-up’ naast ‘top-down’).
2. Rijnland is niet alleen een van de oudste, maar ook (nog steeds) een van de grootste waterschappen van Nederland. Dat geeft de verplichting niet te schromen het initiatief te nemen in nieuwe ontwikkelingen. Dat kan alleen op basis van kennis van zaken, begrip van verhoudingen (provinciaal, landelijk, Europees) en een innovatieve houding. Zo wordt respect verdiend.
3. Een plan zonder draagvlak is papier. We starten, hoe kort de tijd ook is, een interactief proces om tot een maatschappelijk gedragen plan te komen. De speelruimte voor het nieuwe plan is echter beperkt. Daarom leggen wij nog dit voorjaar aan de VV de strategienota voor met daarin duidelijk de kaders voor te maken keuzen.
B. en voor de inhoud van het plan:
1. Zonder goede kustverdediging en betrouwbare kades zijn inspanningen voor voldoende water van goede kwaliteit futiel. De betrouwbaarheid van het systeem neemt toe naarmate we meer rekening houden met de grillen van de natuur. We moeten daarom ambtelijk en bestuurlijk nog dit voorjaar oefenen op het onverwachte en het oefenen ook regelmatig herhalen.
2. In landelijke nota’s zijn de inhoudelijke uitgangspunten voor ook ons WBP vastgelegd: “vasthouden-bergen-afvoeren/aanvoeren”, “schoonhouden-scheiden-zuiveren” en “van hoog naar laag”. Dat vertaalt zich in een voorkeur voor brongericht beleid, niet afwentelen en zelfvoorzienendheid. Rijnlands situatie maakt het echter onmogelijk dit onverkort toe te passen. Daarom:
a. wordt de strategie “malen én bergen” voortgezet en toegepast op systeemniveau,
b. moet in landelijke en regionale studies worden aangetoond of voorraadvorming in ons gebied duurzaam en efficiënt is en
c. moet in dergelijke studies worden aangetoond of voorkómen (van vervuiling) echt effectiever is dan genezen. Als “genezen” tot de laagste maatschappelijke kosten leidt nemen we een vierde zuiveringstrap bij zuiveringsinstallaties op.
3. Het water is er voor mens en natuur en niet omgekeerd. Daarom stemmen wij het waterbeheer zo goed mogelijk af op de bestaande gebruiksfuncties. Ons gebied is echter alleen duurzaam te gebruiken als er ruimte is voor robuust en duurzaam waterbeheer. De ruimtelijke inrichting moet daarom sterker door de nieuwe eisen en beperkingen van het water beïnvloed worden. Dat lukt alleen wanneer wij in alle planfasen, maar ook bij de uitvoering van landinrichtings- en bestemmingsplannen betrokken zijn.
4. De fusie waar het hoogheemraadschap uit voortvloeit schept de basis voor geïntegreerd peilbeheer, waarmee het halen van de ambitieuze doelen die uit de Europese Kaderrichtlijn Water voortkomen beter realiseerbaar wordt.
5. Voor een deel is er sprake van achterstallig onderhoud. Al jaren wordt er op boezemniveau niet of nauwelijks gebaggerd en dat heeft gevolgen voor de betrouwbaarheid van het systeem. Het ‘oude’ Rijnland heeft een baggerprogramma vastgesteld met een looptijd van 15 jaar. Wij voeren dit programma uit en accepteren de tariefsconsequenties daarvan.
6. Wij streven overname na van het beheer van het (ondiepe) grondwater en van stedelijk water, onder de voorwaarde dat de financiering geregeld is en ons de juridische middelen worden verstrekt om duurzaam beheer te voeren.
7. De handhavingsorganisatie van het ‘oude’ Rijnland scoorde zeer hoog in de benchmark van het ministerie. Het handhaven van zo’n niveau vergt onderhoud en het open staan voor nieuwe ontwikkelingen. Het college oriënteert zich op mogelijkheden tot verdere professionalisering, bijv. door intensievere samenwerking in de handhavingsketen. We handhaven de lijn dat overheden niet anders behandeld worden dan bedrijven en particulieren.
8. Hoofddoel is, dat er in het veld merkbare resultaten worden bereikt: vermindering van het overstromingsrisico, verkleining van de afhankelijkheid van extern aangevoerd water en aantoonbare ecologische en recreatieve verbetering van de waterkwaliteit. In het concept voor het nieuwe WBP zullen wij dit in concrete meetbare en afrekenbare doelen vertalen.
1. Rijnland is er voor de ingelanden en niet omgekeerd. De opkomst bij de verkiezingen is echter een signaal, dat de relatie tussen Rijnland en zijn ingelanden beter moet. Wij willen een actieve en herkenbare partner zijn in ons gebied en dus de relatie aanhalen met wie het ons mogelijk maakt ons werk te doen, onder andere via betere bekendheid van wat Rijnland doet en wil. ‘Stedelingen’ moeten meer bij Rijnland betrokken raken. Wij hopen dat één waterschapsverkiezingsdag en een lijstenstelsel daarbij zullen helpen. Maar ook voor de andere ingelanden dient Rijnland herkenbaar en betrouwbaar te zijn. Dat geldt vooral voor hen die een direct belang hebben bij de uitoefening van onze kerntaken; zij moeten het vertrouwen hebben dat hun belangen zorgvuldig, evenwichtig en met respect bejegend worden.
2. Informatie van Rijnland is openbaar en dient dus in begrijpelijk Nederlands gesteld te zijn. De Internetsite is een belangrijk kanaal voor contact met ingelanden en bedrijven. Zo snel mogelijk wordt de site verder uitgebouwd met interactieve contactmogelijkheden, burgerconsultaties over belangrijke beleidsonderwerpen en elektronische transacties (bijv. voor aangifte en het voldoen van WVO-heffingen voor bedrijven).
3. Het hoogheemraadschap van Rijnland is voor burgers, bedrijven en andere overheden altijd bereikbaar, via een voldoende fijnmazig systeem van ‘frontoffices’ bij centraal kantoor en districten, een digitaal en een telefonisch loket. Wij garanderen hierbij dat uiterlijk binnen drie werkdagen een reactie wordt gegeven op gestelde vragen of verzoeken. Calamiteitenmeldingen vereisen acuut antwoord.
4. Het contact met de omgeving waarvoor wij ons werk doen wordt verder onderhouden door een professionele communicatie-afdeling. Bestuurders en medewerkers van Rijnland kunnen uitleggen wat Rijnland doet en waarom bepaalde maatregelen worden genomen, maar ook luisteren naar wat mensen daarvan vinden. Vooral bestuurders roeren zich op informatiebijeenkomsten, zijn actief in het lezingencircuit en publiceren op opiniepagina’s. Daarnaast is het hoogheemraadschap zichtbaar in het gebied aanwezig door een degelijke en goed onderhouden uitstraling van objecten en rijdend materieel.
5. Wij voeren minstens eens per jaar bestuurlijk overleg met voor ons taakveld relevante maatschappelijke organisaties: agrarische standsorganisaties, natuur- en milieuorganisaties, Kamers van Koophandel, watersportorganisaties en organisaties voor binnenvisserij/sportvisserij.
6. Wij voeren regelmatig bestuurlijk overleg met alle gemeenten in ons gebied. Onze inzet is om gebiedsdekkend te komen tot integrale (inter)gemeentelijke waterplannen. Daarin wordt niet alleen geregeld hoe het watersysteem op orde zal worden gebracht, maar ook de samenhang verwoord tussen (gemeentelijke) riolerings- en (onze) zuiveringsplannen. Uit dit integrale plan voortkomende maatregelen zijn in uitvoering genomen voor het einde van deze zittingsperiode. Inzet is daarbij het water letterlijk beter op de kaart te krijgen, ook als dat moeilijke ruimtelijke keuzes met zich mee brengt, en om verregaande optimalisatie in de waterketen te bereiken.
7. Wij overwegen daarnaast aan gemeenten samenwerking aan te bieden bij heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; de consequenties voor ons eigen belastingsysteem worden daartoe in 2005 in beeld gebracht.
8. Ook voeren wij regelmatig bestuurlijk overleg met beide provincies. Eerste inzet is te komen tot twee interactief opgestelde provinciale waterhuishoudingsplannen. Daarin moeten realistische en uitvoerbare ambities worden geformuleerd, waarvan de financiële gevolgen voor de waterschappen en andere belanghebbenden duidelijk en acceptabel zijn. De provincie heeft daarbij een regisserende en mede-uitvoerende rol, vooral in gebiedsgerichte projecten met ruimtelijke consequenties.
9. De afhankelijkheid van onze partners groeit, en die van onze buren ook. Zeker in het kader van kustverdediging, zoetwatervoorziening en de uitvoering van de Europese Kaderrichtlijn Water moeten wij intensief samenwerken met de buurwaterschappen. Geholpen door het kleinere aantal waterschappen dat lid is van de Unie van Waterschappen gaan wij ons intensief bezighouden met versterking van het verenigingskarakter van deze koepelorganisatie.
1. Het college zal handelen als een collegiaal bestuur dat tot integrale besluitvorming komt. Kernwoorden voor ons zijn: integer, respectvol, duidelijk, samenhangend en gewoon goed. Dat kan omdat we werken met een professionele, creatieve en flexibele ambtelijke organisatie, die ons in staat stelt op hoofdlijnen te sturen, rekening houdend met de voor deeltijdbestuurders beschikbare tijd. Tot het moment van besluitvorming zijn bestuur en organisatie gelijkwaardige partners die er samen naar streven tot tastbare resultaten te komen, op basis van een goed onderbouwd ‘papieren’ beleid.
2. Wij houden de VV op de hoogte van voortgang en besluitvorming met bestuursrapportages (twee maal per jaar), ‘aangeklede’ besluitenlijsten (na iedere collegevergadering), internet/intranet, persberichten en beantwoording van vragen.
3. Wij stellen de VV in staat zijn rol als hoogste beleidsbepalende orgaan waar te maken met startnotities, een hogere frequentie van (informatieve) AV’s en bondige voorstellen voor besluitvorming (zo mogelijk met alternatieven met voor- en nadelen). In Voorjaarsnota’s worden de uitgangspunten en basiskeuzen voor de begroting van het volgende jaar voorgelegd. Daarnaast wordt de VV, zo nodig ondersteund door de accountant, in staat gesteld op minimaal twee dossiers per jaar onderzoek op doelmatigheid en rechtmatigheid te doen. In dat licht zullen we een voorstel doen over de wenselijkheid van deelname aan een landelijke (waterschaps-)Rekenkamer.
4. Wij betrekken via de Gebiedscommissies de VV bij regionaal relevante ontwikkelingen. Onderdeel daarvan is de inschakeling van de (leden van de) commissies bij de (her)schouw.
5. We werken zelf een milieuzorgsysteem voor Rijnland uit als onderdeel van ‘toekomstvast zelfbeheer’ (sustainable governance), ook in sociale zin.
6. We inventariseren de uitgangssituatie van waterstaatswerken, gebouwen, keringen, leidingen en zuiveringen om een beheerstrategie te kunnen formuleren, rekening houdend met veiligheid, bedrijfszekerheid en kosten.
1. Er woedt landelijk een discussie over waterketenbedrijven en/of één waterketentarief. Wij zien hierin kansen voor optimalisatie in de waterketen, zolang het maar niet ontaardt in tijd- en geldverslindende structuurdiscussies. Door samen te werken in ketens (ook op andere gebieden dan water in strikte zin, denk aan handhaving, informatisering en heffing en invordering van waterschapsbelastingen) kunnen we bewijzen klaar te zijn voor de netwerkmaatschappij.
2. Ingelanden en bedrijven brengen de lasten op zodat Rijnland zijn werk kan doen, maar dat is niet vanzelfsprekend. Kostenbesparing is mogelijk door een eenvoudiger financieringssysteem conform de Unievoorstellen en de perceptiekosten kunnen omlaag met een klassensysteem voor de waardevaststelling van onroerend goed (WOZ). Maar de ontwikkelingen in het waterbeheer (Kaderrichtlijn, WB21, Nationaal Bestuursakkoord) leiden onvermijdelijk tot hogere lasten. Dat verplicht tot soberheid in de uitvoering en in bijkomende activiteiten: het blijft gemeenschapsgeld, de relatie tussen betaling en het gebodene moet helder zijn. Mede in dit licht moet Rijnland met andere waterschappen werk maken van draagvlak voor onze functionele democratie. Kernwoorden zijn daarbij: transparantie, resultaat, samenwerking.
3. De Voorbereidingscommissie heeft ons een goed ingerichte startorganisatie nagelaten. Het college zal in 2005 een onderzoek instellen naar kansen om de doelmatigheidswinst van de fusie verder te verzilveren. Het onderzoek zal er op gericht zijn zichtbaar te maken wat de gevolgen zouden zijn van een taakstelling van 5% op de formatie en op nader te selecteren budgetten (bijv. planvorming, onderhoud, vergunningverlening, representatie en interne bedrijfsvoering). Voor de middellange termijn streven we naar bruikbare benchmarks om de doelmatigheid en doeltreffendheid van de organisatie in al haar geledingen permanent te kunnen toetsen.
4. Het instellen van een plafond voor wijzigingen in tarieven is geen reële optie, hoe wenselijk dat uit sociaal of economisch oogpunt ook zou zijn. Rijnland heeft zijn wettelijke taken uit te oefenen en het voortbestaan van Holland is in het spel. Aangezien wat Rijnland doet eerder een dienst is waar een vergoeding tegenover staat dan een algemene belasting, kiezen wij voor tarieven die uit de taken voortvloeien. Dat verplicht tot soliditeit, doelmatigheid en doeltreffendheid bij de taakuitoefening en een regelmatige herijking van taken (oud voor nieuw). De omgeving moet bovendien weten wat hen in dit kader te wachten staat: duidelijkheid en stabiliteit in meerjarige tariefsontwikkelingen.
Het college zal de uitvoering van dit programma regelmatig evalueren en hierover aan de Algemene Vergadering rapporteren. Over de paragraaf “Rijnland en het water” rapporteren wij via de jaarlijkse voortgangsrapportages van het Waterbeheerplan. Ter ondersteuning van de overige paragrafen van dit programma zal regelmatig een ingelanden-tevredenheids-onderzoek worden uitgevoerd met vragen gericht op (de burgerperceptie van) effectiviteit en doelmatigheid van bestuur en organisatie.
JS 050309
[1] De voorbereidingscommissie heeft in de Nota Structuur en Besturing de volgende tekst voorbereid:
“Het hoogheemraadschap van Rijnland draagt zorg voor voldoende oppervlaktewater van goede kwaliteit op de juiste plaats.
Doel is dat mensen duurzaam veilig kunnen wonen, werken en recreëren en het watersysteem leefruimte biedt aan een grote diversiteit aan flora en fauna. Voor zover dat doelmatig is, beheert het hoogheemraadschap het watersysteem zodanig, dat het dienstbaar is aan bestemming en gebruik van de grond.
Het hoogheemraadschap van Rijnland werkt zoveel mogelijk samen met andere overheidslichamen en instanties, wanneer daarmee gezamenlijke belangen en doelstellingen verwezenlijkt kunnen worden. Het hoogheemraadschap van Rijnland is bereid hierin zelf te investeren en bereikt zijn doelstellingen door een vroegtijdige inbreng in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, door te streven naar ‘win-win-situaties’ en door het leveren van maatwerkoplossingen.
Bestuurders en medewerkers willen in een netwerk van actoren het water centraal stellen en resultaat- en servicegericht samenwerken. Zij werken op basis van wederzijdse afspraken en onderling respect en vertrouwen in veelzijdige functies. Zij zeggen wat ze doen en doen wat ze zeggen en helpen elkaar verder te ontwikkelen.”
Het college is van mening dat deze tekst te lang is om mee te kunnen werken en stelt de hiervoor geformuleerde missie voor het waterschap voor.
