Voorwoord

Logo van het hoogheemraadschap van Rijnland
 

Sidebar

Voorwoord

Wanneer u het verslag over 2000 onder ogen krijgt, is het al weer meer dan een jaar geleden dat ons nieuwe hoofdkantoor onder de benaming 'Rijnlandshuis' door de Prins van Oranje in gebruik gesteld werd.
Bij enkele zaken die het afgelopen jaar passeerden, wil ik stil blijven staan en dan vooral omdat zij de voorboden zijn of kunnen worden van veranderingen.

Als eerste noem ik de studie Waterbeheer 21e eeuw.
Dit keer was het eens niet een calamiteit die de politieke aandacht richtte op de rol van het water en zijn beheer. 'Gewoon' een beleidsdocument was in staat de voorpaginas van de media te vullen. Situaties van wateroverlast en watertekort zullen, als gevolg van klimaatwijziging, in de toekomst beiden frequenter gaan voorkomen en gecombineerd met zeespiegelrijzing en bodemdaling, grote aanpassingen van het waterbeheer vragen. De eerste studies, toegepast op het gebied van ons hoogheemraadschap, tonen dit aan.
Studies, o.a. gepresenteerd in de vorm van Waterkansenkaarten maken duidelijk dat zo'n 20.000 ha. land (mede) een waterbestemming moet gaan krijgen wanneer Rijnland zijn toekomst tenminste duurzaam verzekerd wil zien. Deze oppervlakte water is voor een beperkt deel (circa 10%) nodig om wateroverlast te kunnen voorkomen. Voor het grootste deel zal het water echter nodig zijn om in periodieke droge perioden Rijnland van water te kunnen voorzien, tenminste wanneer met ervan uitgaat dat meer uitmalen en meer inlaten geen reële opties meer zijn. En waar deze oppervlakte groter is dan zo'n 15% van Rijnlands gebied, is er dus sprake van een megaopdracht. Zeker in een gebied waar de druk vanuit andere functies zeer groot is. Dat het vinden van zoveel ruimte moeilijk zal zijn, is dan ook een understatement. Voor water alleen zal deze ruimte ook niet beschikbaar komen. Alleen wanneer samengaan met andere functies (bijvoorbeeld natuur, recreatie en ten dele zelfs wonen) mogelijk zal zijn, is er een goede kans dat het lukt.

Het tweede aspect dat ik wil noemen, is het proces dat door Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland is gestart, namelijk te komen tot een waterschapsbestel dat voldoende stevig zal zijn om de opdrachten, die ons voor de komende periode wachten, ook aan te kunnen. Op dit moment hebben G.S. op basis van artikel 3 resp. 6 van de Waterschapwet overleg opgestart, dat medio 2001 een nadere koersbepaling mogelijk moet maken.
Vier modellen voor een toekomstige bestuurlijke vormgeving passeren de revue. Vanuit Rijnland wordt voor de verre toekomst gekozen voor een geïntegreerd optreden binnen dijkring 14; een opzet die ook tegemoet komt aan de uitgangspunten van de EU-kaderrichtlijn water. Dat die weg in stappen zal worden afgelegd, is te voorzien; te beginnen met een samengaan van de waterschappen binnen Rijnland. Rijnland acht het 'opknippen' van Rijnlands gebied, zoals door sommigen wordt gewenst, waterstaatkundig gezien een ontkenning van het bestaan van het ene boezemsysteem, waarmee alle polders 'interactief' verbonden zijn.
En naast dit waterstaatkundige bezwaar, betekent het ook een versmalling van de basis voor waterbeheer 21e eeuw, in plaats van een verbreding.

Tot slot wil ik met een paar woorden ingaan op de periode 9 t/m 12 november 2000. In deze periode werd door Rijnland en de waterschappen De Oude Rijnstromen, Groot-Haarlemmermeer en Wilck en Wiericke de grootste regenval verwerkt die ooit gemeten is in ons gebied en dat waar de weervoorspellingen deze regenval niet eens voorzagen. Eindconclusie mag zijn dat Rijnlands boezem deze situatie, gemiddeld, net heeft kunnen verwerken zonder dat een rampscenario uit de kast behoefde te worden gehaald. Geconstateerd moet echter wel worden, dat de geringe windkracht in deze periode ook nog eens uit een voor Rijnland goede (zuidwest-) hoek, samen met een laag zeewaterpeil bepalend zijn geweest voor het feit dat er slechts lokaal sprake van hinder is geweest.
Hulp van Delfland, de tijdelijke vergroting van de topcapaciteit van onze gemalen en het kunnen sluiten van de stormvloedkering bij Krimpen, waren naast de enorme inzet van alle betrokkenen even zovele positieve aspecten.
Wanneer al deze positieve effecten afwezig waren geweest of - sterker nog - de meest normale situatie (noordwestenwind en een hoog zeewaterpeil) zich zou hebben voorgedaan, dan denk ik dat Rijnland op meer plaatsen onder water zou hebben gestaan; een situatie die CNN gehaald zou hebben.
Kortom, de tijd voor uitbreiding van (calamiteuze) berging, dan wel bemalingscapaciteit, dringt. De studies daarvoor worden dan ook gemaakt. Wil Rijnland geen onverantwoorde risico's nemen, dan zal zo spoedig mogelijk na het vrijkomen van deze studies een beslissing moeten worden genomen én geëffectueerd.

Ik eindig met een woord van dank aan allen, Rijnlanders of anderen, die er voor gezorgd hebben dat Rijnland zich heeft kunnen inzetten voor duurzaam waterbeheer, te weten droge voeten maar geen verdroogd land en kwalitatief goed water, voor een al 8 jaar (!) gelijkblijvende heffing en een beperkt stijgende omslag.

 

E.H. van Tuyll van Serooskerken,

dijkgraaf.

 
Naar boven