Rijnland als electronische overheid
Op 3 oktober 2001 heeft de Statencommissie Groen, Water en Milieu van de provincie Zuid-Holland in meerderheid ingestemd met de beleidsvisie van Gedeputeerde Staten op het toekomstig waterschapsbestel in Zuid-Holland.
Een belangrijk uitgangspunt in deze beleidsvisie is dat in één beheersgebied één waterschap werkzaam dient te zijn. In het noordelijk deel van Zuid-Holland - het gebied van Rijnland - toont de praktijk aan dat de noodzaak van eenheid van beheer op het snijvlak van boezembeheer en polderbeheer zich, in de zin van eenduidige aansturing, steeds sterker opdringt.
Om te benadrukken en ook in de praktijk te kunnen waarmaken dat de vier betrokken waterschappen in het gebied van Rijnland een gelijkwaardige positie hebben in het fusieproces én dat het gaat om de vorming van een heel nieuw waterschap, opteren Gedeputeerde Staten voor het formeel opheffen van de vier waterschappen, onder gelijktijdige instelling van een nieuw en qua taken uitgebreid hoogheemraadschap van Rijnland.
Deze procedure onderstreept enerzijds dat ook Rijnland onderdeel van het vernieuwingsproces vormt en komt anderzijds tegemoet aan het historisch besef dat met de naam hoogheemraadschap van Rijnland, als oudste nog bestaand bestuursorgaan van Nederland, is gemoeid.
Rijnland heeft een Masterplan Elektronische Overheid vastgesteld, mede op basis van het "Actieprogramma Elektronische Overheid 1999 2002" van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties. Het actieprogramma wil een forse impuls geven aan het verbeteren van de kwaliteit en service (klantgerichtheid), efficiëntie (kostenbesparing) en effectiviteit (doelgroepbereik) van de publieke dienstverlening gericht op burgers en bedrijfsleven door een gerichte inzet van informatie- en communicatietechnologie (ICT).
In de periode 2001 tot en met 2004 wil Rijnland met de ICT de volgende doelstellingen te bereiken: verbetering van de kwaliteit van de dienstverlening, vergroting van de openbaarheid van bestuurlijke processen, versterking van de deelname van de burgers bij de democratische besluitvorming en verbetering van de interne bedrijfsvoering.
Belangrijk uitgangspunt is een realistisch ambitieniveau. Rijnland wil de doelstellingen gelijkmatig bereiken, in die zin dat ze haalbaar zijn en dat eventuele organisatorische aanpassingen geleidelijk gaan. Het Masterplan wordt daardoor gefaseerd uitgevoerd.
Ontwikkelingen op rijksniveau krijgen gevolgen voor het regionale waterbeheer van Rijnland.
Rijnland neemt deel aan overleg met andere overheden in landsdeel West (BCR). In deze samenwerking is de beleidsvisie Naar een blauw/groene Deltametropool opgesteld als inbreng in de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening. Naar aanleiding van de Vijfde Nota is het rapport Keuzen in de Deltametropool gemaakt, waarin de belangrijkste keuzen voor de ontwikkeling van de Randstad staan beschreven. De Randstad-overheden werken aan een verbreding en vernieuwing van de samenwerking, waarin ook het waterbeheer een plaats krijgt.
In de vereniging Deltametropool heeft Rijnland meegewerkt aan een kwaliteitsimpuls voor de Randstad om te komen tot een metropool met internationaal erkende kwaliteit. Zoals de naam al doet vermoeden kiest de vereniging water als beeldmerk voor de nieuwe metropool. De vereniging heeft in 2001 een streefbeeld voor water voor het jaar 2050 gemaakt, waarbij het oplossen van toekomstige waterhuishoudkundige problemen en vooral een kwaliteitsimpuls voor een parkachtig landschap in de deltametropool leidend zijn geweest. De waterkaart met toelichting is opgenomen in het rapport Water in de Deltametropool. Deze kaart van de vereniging is ook in te zien via de internetversie van de Nieuwe Kaart van Nederland.
In de rijksnota Anders omgaan met water is het beleid voor het waterbeheer in de 21e eeuw (WB21) vastgelegd. Deze nota beschrijft globaal de maatregelen die Nederland moet nemen om de gevolgen van zeespiegelrijzing, bodemdaling en klimaatveranderingen het hoofd te kunnen bieden. WB21 gaat uit van de volgende drie principes: vasthouden, bergen, afvoeren als drietrapsstrategie, ruimte voor water en meervoudig ruimtegebruik. Deze principes vinden hun weg in de strategische plannen en projecten van Rijnland.
Concreet was Rijnland voor de uitvoering van WB21 en het waterbeheersplan 2000 (WBP 2000) betrokken bij onder meer de volgende projecten:
De visievorming van de stedelijke waterplannen van Gouda en Zoetermeer is afgerond, de komende tijd vindt de invulling van de plannen naar concrete maatregelen plaats. Van het waterplan Haarlem is de visievorming bijna gereed, Leiden is eind 2001 met de eerste verkenningen begonnen.
Het concreet maken van de principes van WB21 (de trits vasthouden, bergen, afvoeren, ruimte voor water en meervoudig ruimtegebruik) blijkt complex. Normstelling ontbreekt veelal nog en communicatie over deze brede principes is voor Rijnland nog ongewoon. WB21 is niet alleen een technisch vraagstuk, maar vereist ook breed maatschappelijke draagvlak.
In 2001 deden zich voor het zesde achtereenvolgende jaar geen zware stormen voor, ernstige stormschade bleef ook dit jaar uit. Desalniettemin blijven de calamiteitendraaiboeken paraat. In 2001 besteedde Rijnland veel aandacht aan het verder ontwikkelen en actualiseren van de calamiteitenbestrijdingsplannen in relatie tot de waterkering.
In 2001 is het Waterkeringsbeheerplan in concept afgerond. Na de inspraakprocedure wordt het plan vastgesteld in de loop van 2002. Het opstellen van een legger en beheerregister, waarin de waterkeringen beschreven staan, is volop in uitvoering. Het voorontwerp van de legger is in 2001 besproken met de meest betrokken instanties op gemeentelijk, provinciaal en rijksniveau. Vaststelling van de legger vindt na de inspraakprocedure in 2002 plaats. Het vijfjaarlijks toetsen van de technische kwalitatieve aspecten van de primaire waterkeringen, op basis van de Wet op de waterkeringen, is opgepakt. In dit kader is voor stabiliteitsonderzoek aan de Goejanverwelledijk budget beschikbaar gesteld. Verder startte een studie naar nut en noodzaak van het instandhouden van de BWO-keringen en de Rijndijksluizen.
Gemiddeld over Rijnland (station Nieuwe Wetering) viel 1089 mm neerslag, terwijl het langjarig gemiddelde 832 mm bedraagt. Opmerkelijk is dat sinds 1998 alle jaren zeer nat zijn met meer dan 1000 mm neerslag. Sinds het begin van de neerslagregistratie in Rijnland is dit nog niet eerder voorgekomen.
Mei was met 37 mm de droogste maand. De maanden februari, april en augustus waren nat tot zeer nat. In deze maanden viel ongeveer twee keer zoveel neerslag als normaal in deze maanden.
Ook de maand september was uitzonderlijk nat. Met 248 mm neerslag te Nieuwe Wetering tegen 91 mm normaal eindigde Nieuwe Wetering op de eerste plaats in de rij van natste septembermaanden sinds 1900. In Zoetermeer werd zelfs 278 mm neerslag afgetapt. De meeste neerslag viel in de periode 16 t/m 21 september en veroorzaakte in delen van Zuid-Holland voor wateroverlast, onder andere in het waterschap Wilck & Wiericke en in het zuidelijk gedeelte van het waterschap De Oude Rijnstromen.
Zware stormen, met een uurgemiddelde windsnelheid van tenminste 24.5 m/s (= windkracht 10) gemeten op een landstation, kwamen dit jaar niet voor. Storm (windkracht 9) kwam dit jaar voor op 17 mei en 28 december.
Jaarlijkse neerslag Oude/Nieuwe Wetering 1950-2001
Maandelijkse neerslag Nieuwe Wetering
In totaal voerden de vier boezemgemalen in 2001 circa 800 miljoen m3 water af. Dit komt overeen met een laag water van 80 centimeter binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland, of een band emmers van bijna tweehonderd meter breed rond de aarde.
In totaal is voor peilhandhaving en doorspoeling circa 37 miljoen m3 bij boezemgemaal Gouda ingelaten. Het inlaatseizoen startte dit jaar vroeg, op 7 mei, en duurde tot halverwege augustus.
Het maximale waterbezwaar, de maximale hoeveelheid water die binnen 24 uur op de boezem wordt aangevoerd, werd gemeten op 20 september en bedroeg 16,44 miljoen m3. Omdat de maximale bemalingscapaciteit 13,24 miljoen m3 per dag bedraagt, is op die dag een deel van het overtollige water in de boezem geborgen, wat leidde tot een tijdelijke verhoging van de boezemstand.
Het maximale waterbezwaar van 2001 is bijna gelijk aan het hoogst gemeten waterbezwaar dat zich ooit (in 2000, met 16,47 miljoen m3) in Rijnland heeft voorgedaan.
In het boezemgemaal Katwijk, dat voorzien is van twee dieselmotoren en een elektromotor, is de elektromotor zodanig aangepast dat deze onbemand, met afstandbesturing, kan draaien. Op deze manier is een capaciteit inzetbaar van bijna 20 m3/s. Omdat ook het boezemgemaal Halfweg al enige tijd op deze manier draait, kan in totaal ca. 50 m3/s onbemand worden ingezet. Dit leidt tot een beter beheersbaar peil en vereenvoudigt het "voordraaien" bij verwachte zware neerslag.
De gemiddelde boezemwaterstand te Nieuwe Wetering, stabiliseerde zich in 2001 op NAP 0,62 m. (gebaseerd op metingen van 07:00 uur). De laagst gemeten waterstand om 07:00 uur bedroeg NAP 0,68 m, op 25 december. De hoogst gemeten waterstand om 07:00 uur bedroeg NAP 0,55 m, tijdens het inlaatseizoen op 28 juli.
Tijdens de waterbezwaarperiode van september viel zoveel neerslag dat een deel geborgen moest worden in de boezem. De waterstand steeg op 19 september in 18 uur van NAP 0,65 m naar NAP 0,55 m waarna de waterstand zich na een lichte daling stabiliseerde op de NAP 0,57 m. Pas op 21 september daalde de boezemstand. Deze bereikte op 22 september het winterstreefpeil van NAP 0,62 m.
Vooral vanwege de forse stijgingen van het waterpeil van de boezem van het hoogheemraadschap van Delfland en de polderpeilen in het gebied van Wilck en Wiericke besloot Rijnland op 20 september een beleidsteam en een operationeel team te vormen op het kantoor in Leiden. Op basis van beslissingen van deze teams kon Rijnland de problemen in genoemde gebieden het hoofd bieden: voor de boezem creëerde Rijnland extra capaciteit in Spaarndam door het inzetten van de noodvijzel, in Katwijk door een hoger toerental van de motoren en in Gouda door het creëren van een geringere opvoerhoogte door het vroegtijdig sluiten van de stormstuw bij laagwater in de Hollandse IJssel. Op 21 september zijn de teams ontbonden.
Wateraanvoer | MLN m3 | % | Waterafvoer | MLN m3 | % |
|---|---|---|---|---|---|
| Neerslag op Boezem | 48,5 | 5,3 | Verdamping ui boezem | 26,5 | 6,5 |
| UIt de polders & boezemland | 613,8 | 67,3 | Naar polders & boezemland | 59,3 | 6,5 |
| Inlaat Gouda | 37,3 | 4,1 | Spaarndam | 123,9 | 13,6 |
| Bodegraven | 98,2 | 10,8 | Halfweg | 335,4 | 36,7 |
| a.w.z.i´s | 98,7 | 10,8 | Gouda | 63,5 | 7,0 |
| Sluizen | 13,4 | 1,5 | Katwijk | 278,7 | 30,6 |
| Leidschendam | 1,4 | 0,2 | |||
| Ir. De Kock van Leeuwensluis | 6,2 | 0,7 | |||
| Wegzijging uit boezem | 16,4 | 1,8 | |||
Berging | 1,4 | 0,2 | Berging | 0,0 | 0,0 |
Jaarlijkse maximale waterbezwaren 1939-2001
De verandering van het klimaat en de verwachte grotere hoeveelheden neerslag sturen in belangrijke mate de beleidsontwikkelingen op het gebied van peilbeheer van de boezem.
In 2001 voerde Rijnland planstudies uit naar de mogelijkheden voor uitbreiding van het gemaal in Katwijk en voor het realiseren van bergingslocaties. In de loop van 2002 maakt Rijnland een keuze uit de mogelijke maatregelen (bergen, malen, of een combinatie daarvan).
Voor het realiseren van de benodigde drooglegging voor de bollenteelt in de regio de Zilk zijn inrichtingsplannen uitgewerkt en is gewerkt aan het opstellen van het peilbesluit. Als alles volgens planning verloopt, beginnen eind 2002 de werkzaamheden voor het inrichten van de peilvakken.
Enkele strategische studies zijn in 2001 verder tot uitvoering gekomen, zoals de studie toekomstige waterbehoefte Rijnland (waarin de bestrijding van verzilting is ondergebracht). De waterakkoorden met Delfland en de KWA (kleinschalige wateraanvoervoorzieningen) zijn vrijwel gereed.
In het kader van de calamiteitenbestrijdingsplannen is gewerkt aan de actualisatie van de bestaande plannen en is het calamiteitenbestrijdingsplan met betrekking tot de stadsboezem van Gouda in concept uitgewerkt.
Overzicht boezemstanden Oude/Nieuwe Wetering 1904-2001
Boezemstanden Nieuwe Wetering eerste halfjaar 2001
Boezemstanden Nieuwe Wetering tweede halfjaar 2001
In 2001 startte Rijnland met de uitwerking van het meetprogramma boezemwateren en kunstwerken. De ligging van profielen van de watergangen en kunstwerken die van belang zijn voor de waterhuishouding worden in het kader van dit project ingemeten. De resultaten daarvan worden de komende jaren vastgelegd in de legger en het beheerregister.
Rijnland stimuleert de aanleg van natuurvriendelijke oevers door financieel te participeren in concrete herinrichtingsprojecten, zoals recent in Wassenaar. Rijnland wil subsidies uit het Fonds Oeverherstel beschikbaar stellen voor herstelwerken met natuurvriendelijke oevers. Een aangepast beheer- en onderhoudsplan voor de Rijnlandse watergangen zal nog opgesteld worden. Deze stimulerende rol krijgt vanaf 2003 ook gestalte bij de verdieping van polderwatergangen. Twee pilots, voor de gemeenten Wassenaar en Voorschoten, moeten de consequenties van de overname van het beheer en onderhoud van stedelijk water in kaart brengen.
In 2001 ontwikkelde Rijnland een instrument om de effecten van inrichtingsmaatregelen (waaronder verondieping) in het kader van de vergunningverlening te toetsen. De huidige kwaliteit van de diepe putten in Rijnlands beheergebied is in 2001 in beeld gebracht. De jaarrapportage Water in Rijnland geeft een statistisch beeld van de ontwikkeling van de waterkwaliteit. De verbetering van de waterkwaliteit blijkt de laatste jaren te stagneren.
Concentratie fosfor in boezemmeren
Concentratie fosfor in boezemkanalen
Concentratie stikstof in boezemmeren
Concentratie stikstof in boezemkanalen
Voor het nog te ontwikkelen beleid op het gebied van de waterbodem is in 2001 een plan van aanpak opgesteld. In 2002 leidt dit tot een rapportage over de huidige stand van de waterbodemkwaliteit en tot een voorstel voor het doen van metingen om het beeld te completeren. Verder werkt Rijnland in dit kader beleid uit voor sanering van de vervuilde locaties; de sanering van de Sassenheimervaart in 1996 dient hiervoor mede als basis. Helaas heeft de eerder waargenomen verbetering van de kwaliteit van de waterbodem zich niet kunnen handhaven. De kwaliteit van de waterbodem is terug op het niveau van voor de sanering.
Rijnland verwerkte dagelijks het afvalwater van 1,2 miljoen inwoners, met daarin 2,4 ton fosfaat en 15,1 ton stikstof. Het zuiveringsrendement voor de fosfaatverwijdering bedroeg (gebiedsgemiddeld) 80,9 % en dat voor de stikstofverwijdering 77,8%. Het rendement voor de verwijdering van zuurstofbindende stoffen bedroeg 90,4%.
Met deze resultaten voldeed Rijnland ruimschoots aan de lozingseisen van de Wvo-vergunningen.
In het verslagjaar werd 100.600 ton ontwaterd slib afgevoerd met 21,0% vaste stof. Begroot was een afvoer van 109.800 ton met 20,8% vaste stof.
Verwijderingsrendement 1997-2001
In het verslagjaar werkte Rijnland aan beleidsregels voor de onderbouwing van de vergunningen voor het graven en dempen van boezemwater. De vaststelling van de regels vindt plaats in de loop van 2002. In het jaar 2001 zijn op grond van de keur 390 vergunningen verleend.
Iedere demping moet worden gecompenseerd door het graven van eenzelfde hoeveelheid land tot boezemwater in de nabije omgeving. Door dit beleid nam in 2001 het boezemwateroppervlak met ruim twee hectare toe. Dit resulteert in een toename in de afgelopen zes jaar van ruim veertien hectare.
Eigenaren van boezemwater moeten dit water onderhouden, zodat Rijnland overtollig water onbelemmerd kan afvoeren. Degenen die niet aan de onderhoudsplicht voldoen krijgen in eerste instantie een aanschrijving. In 2001 deed Rijnland 1266 aanschrijvingen de deur uit.
Tussen 15 en 31 januari vindt jaarlijks de bladschouw plaats. In 2001 bedroeg het aantal aanschrijvingen met betrekking tot de bladschouw 62.
Het Bouwstoffenbesluit moet de kwaliteit van de bodem en het oppervlaktewater beschermen, maar ook om het (her)gebruik van bouwstoffen stimuleren. Het besluit regelt onder welke voorwaarden bouwstoffen mogen worden toegepast.
Hoewel in veel gevallen het toepassen van bouwstoffen -meestal schone of licht verontreinigde grond- op de waterbodem geen problemen geeft, gaat dat niet altijd op. In de nieuwbouwwijk Getsewoud (Nieuw-Vennep) deed zich in het begin van het jaar een ernstige milieucalamiteit voor door het aanbrengen van staalslakken als ballastmateriaal in nieuwe watergangen. Door het uitlogen van grote hoeveelheden vrije kalk uit de slakken werd het oppervlaktewater dermate basisch dat dit het watermilieu sterk aantastte. Bovendien ontstond er gevaar voor de volksgezondheid. De staalslakken zijn inmiddels verwijderd en vervangen door granietblokken. De toestand van het oppervlaktewater is genormaliseerd. In de praktijk blijkt dat het Bouwstoffenbesluit de waterkwaliteitsdoelstellingen onvoldoende beschermt. De aanwezigheid van voedingsstoffen in bouwstoffen levert bij de toepassing ervan op de waterbodem problemen op in de vorm van vertroebeling en eutrofiëring van het oppervlaktewater. Hierdoor kan Rijnland niet voldoen aan de waterkwaliteitsnormen die het Rijk oplegt. Rijnland heeft deze problematiek bij de minister van VROM onder de aandacht gebracht.
Telers in de glastuinbouw hebben investeringen gedaan om de lozingen van meststoffen en bestrijdingsmiddelen te beperken; wetgeving verplicht ze daartoe. Hoe de bedrijven dat bereiken is de eigen verantwoordelijkheid van de teler. 80 % van de bedrijven voldoet inmiddels en bij de meeste overige bedrijven zijn er mogelijkheden om dit doel alsnog te bereiken.
De bestrijding van diffuse bronnen gebeurt onder andere via provinciale werkgroepen in Noord- en Zuid-Holland, samen met de andere waterbeheerders. Eén van die diffuse bronnen is de recreatietoervaart, onder meer door het ontbreken van voorzieningen voor de afgifte van afvalwater, zowel aan boord als op de wal. Verder besteedt Rijnland aandacht aan diffuse verontreiniging vanuit de agrarische sector en het verkeer (bijvoorbeeld de HSL).
Om een einde te maken aan de lozingen van koper en zink van metalen daken en regengoten propageert Rijnland het principe van duurzaam bouwen. Hier is de gemeente een belangrijke partner en aanspreekpunt. Rijnland gaat na of de gemeenten hierin een actievere rol kunnen spelen.
In 2001 is een stimuleringsregeling van kracht geworden, waarmee Rijnland praktijkrijpe initiatieven financieel ondersteunt. Rijnland stemde in met twee verzoeken om financiering.
Rijnland verleende 129 Wvo-vergunningen. Rijnland gaf 66 toestemmingsbrieven af voor kleine en tijdelijke lozingen en handelde 296 meldingen af. Tientallen agrarische bedrijven ontvingen een geactualiseerde Wvo-vergunning.
Het uitbreken van het mond- en klauwzeervirus ging niet ongemerkt voorbij. Om elk risico te vermijden legde Rijnland het waterkwaliteitsonderzoek in het landelijk gebied stil, beperkte bedrijfsbezoeken en voorlichtingsactiviteiten tot een minimum en nam een aantal maatregelen om verspreiding van het virus tegen te gaan. Door het uitbreken van het MKZ-virus voerde Rijnland in de maanden maart en april geen controles bij agrarisch verwante bedrijven vanwege eventueel besmettingsgevaar. In de periode dat de boeren geen mest en melk mochten vervoeren, controleerde Rijnland vanuit de lucht op illegale lozingen. Overtredingen werden niet geconstateerd.
In totaal controleerde Rijnland 800 industriële bedrijven en stelde bij tien procent hiervan één of meer overtredingen vast. In de maanden oktober en november is in samenwerking met de politie een honderdtal jachthavens gecontroleerd op het gedrag bij het afspuiten van pleziervaartuigen.
Het handhavingsprotocol a.w.z.i.s heeft zijn nut bewezen. De Inspectie Milieuhygiëne heeft onderzoek gedaan naar de kwaliteit van de door Rijnland uitgevoerde controles bij de afvalwaterzuiveringsinstallaties die Rijnland beheert. De conclusie van dit onderzoek was dat Rijnland hier zorgvuldig handelt.
Rijnland controleerde in 2001 bijna 700 agrarische bedrijven, in de bollenteelt, de boomteelt en bij akkerbouwen veeteeltbedrijven.akkerbouw en veeteeltbedrijven en constateerde bij 25% overtredingen. In de boom- en bollenteelt is vooral gecontroleerd op de toepassing van bestrijdingsmiddelen en de registratie van bestrijdingsmiddelen en meststoffen.
Rijnland surveilleert in de zeereep en op het water. De zeereep is immers verboden gebied. Op warme zomerdagen worden gemiddeld 20 tot 25 personen uit de zeereep verwijderd.
Sinds 2001 heeft Rijnland de beschikking over een professioneel surveillancevaartuig, ter controle en opsporing van strafbare feiten op het water. Tien procent van de gecontroleerde schippers beschikte niet over een vaarvergunning; tegen hen is proces-verbaal opgemaakt.
Bij overtredingen treedt Rijnland corrigerend op. Vijftig keer is tegen overtreders proces-verbaal opgemaakt, in 55 situaties legde Rijnland een dwangsom op. Twee maal leidde dit tot het verbeuren van de opgelegde dwangsom. In de overige gevallen heeft het opleggen van de dwangsom het gewenste resultaat gehad en is de overtreding ongedaan gemaakt.
In het kader van de samenwerking heeft Rijnland in 2001 aan de volgende projecten een bijdrage geleverd:
Rijnland ontving in 2001 de volgende klachten:
| Klacht | Aantal |
|---|---|
| Waterkwaliteit | 193 |
| Waterkwantiteit | 93 |
| AWZI's en/of rioolgemalen | 14 |
| Grondwater | 30 |
| Overig | 42 |
Alle installatiebeheerders. ontvingen het ARBO-Handboek. In de loop van het jaar zijn alle drinkwaterinstallaties onderzocht op de aanwezigheid van de legionella-bacterie.
In totaal ontving Rijnland ongeveer 1250 zogeheten Klic-meldingen. Dit leidde tot het verzenden van 700 tekeningen aan derden. Ondanks deze preventieve acties hebben derden vier transportleidingen beschadigd. Ook ontstond een aantal lekkages als gevolg van zettingen. In geen van die gevallen heeft dit geleid tot verontreinigingen van het oppervlaktewater.
Het Rijnlandshuis voldoet aan de verwachtingen. Op basis van monitoring is geconstateerd dat het aandeel van de verschillende energiebronnen (ondergronds opslagsysteem, warmtewiel en warmtepomp) in de totale energiebehoefte voor koelen en verwarmen, overeen komt met het ontwerp.
