Thema: Water in de stad

Logo van het hoogheemraadschap van Rijnland
 

Sidebar

Home > Bestuur > Jaarverslagen > Jaarverslag 2001 > Thema: Water in de stad

Thema: Water in de stad

Thema

Wie de stadskaarten van het Rijnlandse gebied bekijkt, ziet dat de rol van het water in de stad in de loop der eeuwen veranderd is. In de middeleeuwen speelde het stedelijk water een belangrijke rol. De poorters gebruikten het water onder meer als riool, vuilstort, drinkwatervoorziening, wasplaats en transportmiddel. Deze combinatie van functies gaf steeds meer problemen: de waterverontreiniging veroorzaakte stankoverlast, trok ongedierte aan en was een gevaar voor de volksgezondheid. De Goudse stadsdokter W.F. Büchner beschrijft dat in 1842 aldus: 'Meermalen heb ik gezien, -en wie zag het niet met mij?- dat van twee lieden, elkander toesprekende, zonder acht te slaan op datgene, wat zij deden, de eene water opschepte, terwijl de andere in dezelfde bijt zijne uitwerpselen uitstortte, en de potten reinigde waarin dezelfde waren aangebragt'. Door deze vervuiling kwamen cholera-epidemieën regelmatig voor. In veel oude steden moest het stadsbestuur maatregelen treffen: de grachten en zijlen werden gedempt, de boldootkar deed z'n intrede. Later ging men over tot het aanleggen van rioleringen.

Tijdens de bouw van veel stadswijken einde 19e en begin 20e eeuw speelde water geen rol. De dure bouwgrond moest zo rendabel mogelijk gebruikt worden. Voor water was - letterlijk - geen ruimte. De volgende aantasting van het watersysteem in de steden was de komst van het gemotoriseerd verkeer. Grachten konden beter dienst doen als verkeersweg, of als parkeerplaats, zo was de gedachte. Deze ontwikkelingen hebben geleid tot steden waaruit het water veelal verdreven is, of nooit een plek heeft gehad.

Het hoogheemraadschap van Rijnland wil, samen met zijn partners, het water terugbrengen in de stad, of water in de stad een volwaardige rol geven. Water met meerdere functies. Niet als riool en vuilstort, maar als onderdeel van een veilige waterhuishouding, als recreatiemiddel en als bron voor leven.

Het water in de stad kent verschillende verschijningsvormen. Aan de ene kant het zichtbare water, in vijvers, grachten en plassen. Aan de andere kant het water dat niet of nauwelijks zichtbaar is. Veel water zien we in een flits voorbij komen. De afstand tussen de uitloop van de kraan en het putje van de gootsteen is nog geen veertig centimeter. Daarvóór legt het water een lange weg af van het drinkwaterbedrijf naar de gebruiker. Na het gebruik begint het water weer aan een ongeveer even lange weg terug, naar de afvalwaterzuiveringsinstallatie. Op een aantal momenten komt dit water bij elkaar. Bij het begin (de waterwinning) en bij het einde (de lozing). Maar ook onderweg kan dat gebeuren. Rioolwater komt via overstorten in het oppervlaktewater terecht; regenwater komt via straatkolken en regenpijpen in het riool. De verschillende watersystemen hebben dus op allerlei manieren met elkaar te maken. De waterbeheerders zijn druk bezig hier samenhang in aan te brengen. Deze samenhang komt tot uiting in de streefbeelden. Daarin geeft Rijnland aan hoe het stedelijk watersysteem er idealiter uit zou moeten zien:

  • een stedelijk watersysteem heeft een goede aan- en afvoer van water, zodat watergangen niet droogvallen of buiten hun oevers treden;
  • het omliggende landelijke gebied heeft geen wateroverlast of tekort, veroorzaakt door de stad;
  • stedelijk gebieden hebben voldoende berging, ook ten tijde van grote regenval. Dit is bereikt door de afkoppeling van de regenwateropvang van het riool, minder verharding (wegen en daken) en flexibel peilbeheer Hierdoor is minder gebiedsvreemd schoon water nodig;
  • dankzij een actieve bestrijding van diffuse bronnen en terugdringing van het gebruik van schadelijke stoffen in de bouw is de waterkwaliteit goed;
  • de relatie tussen waterkwaliteit, waterkwantiteit en inrichting is geoptimaliseerd, de meest watervervuilende functies zijn het meest stroomafwaarts geplaatst;
  • In het watersysteem bestaat een biologisch evenwicht. Hierdoor is het zelfreinigend vermogen van het watersysteem het grootst. Het water kan voldoende circuleren en er kan voldoende licht bij komen;
  • Het watersysteem vormt zoveel mogelijk een geheel. Geïsoleerde delen komen alleen voor als dat de waterkwaliteit van het gehele systeem ten goede komt.
  • Het stedelijk water heeft een inrichting die het gebruik van natuurvriendelijke oevers zo veel mogelijk toelaat. Er is aandacht voor ecologische, landschappelijke en recreatieve waarden. De inrichting van natuurvriendelijke oevers en de netwerkfunctie van het water dragen bij aan de ecologische en landschappelijke infrastructuur. Doordat er meer verbindingen over water zijn, is er meer voor de recreatietoervaart en om te kanoën, te schaatsen en te recreëren langs het water.

Deze streefbeelden vinden inmiddels hun verdere vertaling in een aantal concrete acties, bijvoorbeeld bij het invullen van de stedelijke waterplannen, rioleringsplannen en de bestrijding van diffuse bronnen. In de thema-paginas staat er meer over.

Naar boven