Thema
Wie de stadskaarten van het Rijnlandse gebied bekijkt, ziet dat de rol van het water in de stad in de loop der eeuwen veranderd is. In de middeleeuwen speelde het stedelijk water een belangrijke rol. De poorters gebruikten het water onder meer als riool, vuilstort, drinkwatervoorziening, wasplaats en transportmiddel. Deze combinatie van functies gaf steeds meer problemen: de waterverontreiniging veroorzaakte stankoverlast, trok ongedierte aan en was een gevaar voor de volksgezondheid. De Goudse stadsdokter W.F. Büchner beschrijft dat in 1842 aldus: 'Meermalen heb ik gezien, -en wie zag het niet met mij?- dat van twee lieden, elkander toesprekende, zonder acht te slaan op datgene, wat zij deden, de eene water opschepte, terwijl de andere in dezelfde bijt zijne uitwerpselen uitstortte, en de potten reinigde waarin dezelfde waren aangebragt'. Door deze vervuiling kwamen cholera-epidemieën regelmatig voor. In veel oude steden moest het stadsbestuur maatregelen treffen: de grachten en zijlen werden gedempt, de boldootkar deed z'n intrede. Later ging men over tot het aanleggen van rioleringen.
Tijdens de bouw van veel stadswijken einde 19e en begin 20e eeuw speelde water geen rol. De dure bouwgrond moest zo rendabel mogelijk gebruikt worden. Voor water was - letterlijk - geen ruimte. De volgende aantasting van het watersysteem in de steden was de komst van het gemotoriseerd verkeer. Grachten konden beter dienst doen als verkeersweg, of als parkeerplaats, zo was de gedachte. Deze ontwikkelingen hebben geleid tot steden waaruit het water veelal verdreven is, of nooit een plek heeft gehad.
Het hoogheemraadschap van Rijnland wil, samen met zijn partners, het water terugbrengen in de stad, of water in de stad een volwaardige rol geven. Water met meerdere functies. Niet als riool en vuilstort, maar als onderdeel van een veilige waterhuishouding, als recreatiemiddel en als bron voor leven.
Het water in de stad kent verschillende verschijningsvormen. Aan de ene kant het zichtbare water, in vijvers, grachten en plassen. Aan de andere kant het water dat niet of nauwelijks zichtbaar is. Veel water zien we in een flits voorbij komen. De afstand tussen de uitloop van de kraan en het putje van de gootsteen is nog geen veertig centimeter. Daarvóór legt het water een lange weg af van het drinkwaterbedrijf naar de gebruiker. Na het gebruik begint het water weer aan een ongeveer even lange weg terug, naar de afvalwaterzuiveringsinstallatie. Op een aantal momenten komt dit water bij elkaar. Bij het begin (de waterwinning) en bij het einde (de lozing). Maar ook onderweg kan dat gebeuren. Rioolwater komt via overstorten in het oppervlaktewater terecht; regenwater komt via straatkolken en regenpijpen in het riool. De verschillende watersystemen hebben dus op allerlei manieren met elkaar te maken. De waterbeheerders zijn druk bezig hier samenhang in aan te brengen. Deze samenhang komt tot uiting in de streefbeelden. Daarin geeft Rijnland aan hoe het stedelijk watersysteem er idealiter uit zou moeten zien:
Deze streefbeelden vinden inmiddels hun verdere vertaling in een aantal concrete acties, bijvoorbeeld bij het invullen van de stedelijke waterplannen, rioleringsplannen en de bestrijding van diffuse bronnen. In de thema-paginas staat er meer over.
