In 2004 zijn door Rijnland en de inliggende waterschappen voor drie waterbergingsprojecten concrete inrichtings-plannen opgesteld. Die waterbergingsprojecten zijn de piekberging in de Nieuwe Driemanspolder bij Leidschendam, een seizoensberging in de Middelburg en Tempelpolder bij Reeuwijk en een gecombineerde berging in Zwaansbroek in de Haarlemmermeerpolder. Voor de eerste twee studies zijn MER-studies gestart en is ook de grond-aankoop gestart. Voor Zwaansbroek is nog een aantal onderbouwende studies uitgevoerd om ook de planologische bestemming rond te krijgen.
Een groot aantal gebiedsgerichte projecten en stedelijke waterplannen is opgepakt, uitgewerkt of afgerond in 2004. Stedelijke waterplannen voor Bloemendaal en Katwijk, projecten in de Reeuwijkse plassen en de Zegerplas, en een proefproject in de Vlietpolder zijn afgerond en één in de Noordplas is ter hand genomen.

Om de nadelige effecten van lozingen zoals overstorten uit het riool en bijvoorbeeld bedrijfslozingen op het watersysteem en de afvalwaterzuiveringsinstallaties (a.w.z.i’s) verder te beperken zijn in 2004 bijna alle gemeenten voorzien van een overstortvergunning en ongeveer de helft van de gemeenten van een aansluitvergunning. De overige aansluitvergunningen worden in 2005 verleend.
In 2004 is ingezet op het actualiseren van vergunningen van Rijnlands eigen a.w.z.i.’s. Dit is een complex proces, doordat ook gelijktijdig een Wet milieubeheervergunning (Wm) moet worden aangevraagd. Dit heeft geleid tot vertraging in de vergunningaanvragen en behandeling.
Om deze reden is in 2004 prioriteit gegeven aan de installaties waarvoor een bouwvergunning nodig is in verband met een aanvullende zuiveringstrap (zandfiltratie).
Rijnlands handhavingsbeleid voor de Wet verontreiniging oppervlaktewater (Wvo) is herzien en vastgelegd in een nieuwe nota Handhaving Wvo. De handhaving van de Wvo-vergunningen verliep volgens plan.
Het actualiseren van bestaande (industriële) vergunningen is voortvarend opgepakt. Dit proces is in 2003 in gang gezet en werd in 2004 verder vervolgd. Aan het einde van het jaar 2005 zal ongeveer 90% van dit bestand actueel zijn. Bij het actualiseren van de vergunningen wordt extra aandacht besteed aan de zogenaamde probleembedrijven (bedrijven van wie de vergunning vanuit handhaving problematisch wordt geacht).
Om in aanmerking te komen voor een subsidiebijdrage van Rijnland hadden gemeenten tot eind 2004 de mogelijkheid om aansluitplannen voor de riolering in het buitengebied in te dienen. Van de subsidieregeling is op grote schaal gebruik gemaakt. Dit betekende dat aan het eind van het jaar een groot aantal aanvragen behandeld moest worden.
Het project ‘potcultuur’ is in 2004 opgepakt. In dit kader werden 300 vergunningen van agrarische bedrijven met potcultuur gewijzigd op grond van het in 2003 vastgestelde lozingenbeleid. Het project zal in 2005 zijn afgerond.

De gezamenlijke zuiveringsinstallaties hebben in 2004 weer iets beter gepresteerd. De wettelijke reductie van stikstof en fosfaat moet tenminste 75% zijn. Rijnlands beleid geeft aan dat in 2004 voor stikstof 80% reductie wordt gehaald en 87% voor fosfaat. De stikstofdoelstelling is ruimschoots gehaald, die voor fosfaat niet. Oorzaak hiervan is dat bij het opstellen van de reducties gerekend is op tijdig installeren van defosfateringsinstallaties. Die inspanning is niet gehaald, vooral wegens de noodzaak vergunningen te wijzigen in plaats van te kunnen volstaan met een melding. Met dat laatste was in de planning rekening gehouden.
De verwerking van zuiveringsslib uit het Noord-Hollandse deel van Rijnlands gebied vindt plaats bij de a.w.z.i. Amsterdam-Oost. Gezien de veranderingen in de afvalwaterbehandeling in Amsterdam paste het niet meer daar slib te blijven verwerken. In 2004 is besloten per medio 2005 al het slib van Rijnland te verbranden bij de DRSH-installatie in Dordrecht (de installatie van Delfland, Rijnland, Schieland en Hollandse Delta).
