Ontstaan van het hoogheemraadschap

Een illegale dam

In de 12de eeuw raakte de monding van de Rijn bij Katwijk verstopt. De Rijn, of Oude Rijn, was op dat moment al lang niet meer wat hij ooit geweest was. Duizend jaar eerder was het een belangrijke rivier, maar in de loop der eeuwen was de Lek de voornaamste afvoerweg van de Rijn naar zee geworden. Toch was de Oude Rijn nog steeds van belang voor de afvoer van water uit de veengebieden tussen Utrecht en Leiden.

Door de verstopping van de Rijnmond kon dit water geen kant meer op. Dat betekende wateroverlast in het gebied rond Leiden. De meest voor de hand liggende reactie was: het water tegenhouden. Aan de toenmalige grens tussen Holland en Utrecht, bij de plaats Zwadenburg, werd een dam in de Oude Rijn gelegd. Deze Zwadenburgdam of Zwammerdam hield het water buiten Holland, tot nadeel van de bewoners aan de Utrechtse kant. Die beklaagden zich bij de Duitse keizer en zij kregen gelijk. In 1165 beval keizer Frederik Barbarossa aan de graaf van Holland de dam te verwijderen.

Uitweg naar het noorden

Is de dam direct verwijderd of gebeurde dit pas later? De afwateringsproblemen bleven in ieder geval tot na 1200 bestaan, maar er werd gewerkt aan een oplossing. Die bestond uit het graven van watergangen, de Zijl en de Does, waardoor het water uit de omgeving van Leiden naar het noorden kon stromen. Na 1200 kwamen daar andere watergangen bij. Het water werd naar de meren ten noorden van Leiden geleid en verder in de richting van het Spaarne en het IJ. Deze oplossing hield tegelijk een bedreiging in, want Spaarne en IJ stonden in open verbinding met de Zuiderzee, die in die tijd steeds groter werd. Om die bedreiging het hoofd te bieden, werd het Spaarne afgedamd (de Spaarndam) en kwam er een dijk langs het IJ (de Spaarndammerdijk). De Zwammerdam, waar het allemaal om begonnen was, sloot de Oude Rijn niet meer af, maar bleef bestaan als een dam met doorlaatopening

Zegel van graaf Willem II 

Zegel van graaf Willem II

Regionaal waterbeheer

De aanleg van de Zijl en de Does kwam tot stand door samenwerking van 15 ambachten uit de omgeving van Leiden. Ambachten waren lokale bestuursdistricten op het platteland. Zij hadden de zorg voor plaatselijke waterstaatswerken, zoals het onderhoud van sloten. Voor werken van bovenlokaal belang moesten zij samenwerken. Het samenwerkingsverband van 15 ambachten kan beschouwd worden als het begin van het hoogheemraadschap van Rijnland.

Een vrijblijvende samenwerking leidt tot niets, er moeten functionarissen zijn met gezag om aanleg en onderhoud van waterstaatswerken in de gaten te houden. Uit het oudste archiefstuk dat Rijnland in huis heeft, een privilege van graaf Willem II van Holland uit 1255, blijkt dat er op dat moment heemraden bestonden, die toezicht uitoefenden op de waterkering langs het IJ en de Zwammerdam. Deze heemraden waren rijke en machtige bewoners van het gebied dat door de hier genoemde waterkeringen werd beschermd. Hun bevoegdheden worden omschreven in een privilege van graaf Floris V uit 1286, bestemd voor de bewoners van het gebied tussen Wassenaar, de Zwammerdam en de Spaarndam. Samen met de baljuw van Rijnlandmochten de heemraden waterstaatswerken schouwen. Een baljuw oefende namens de graaf van Holland bestuur en rechtspraak uit in één van de districten waarin het graafschap was verdeeld. Rijnland was zo’n district.

Privilege van 1255

Het privilege van 1255

Door inschakeling van de baljuw van Rijnland kreeg de regionale organisatie van ambachten met een taak op het gebied van waterbeheer, geleid door heemraden, meer status. Hierdoor werd het gezag van deze organisatie tegenover de deelnemende ambachten verhoogd.

Het hoogheemraadschap

De ‘heemraden van de Spaarndam’ werden in 1324 voor het eerst ‘heemraden van Rijnland’ genoemd. Eind 14de eeuw kwam de term hoogheemraden in gebruik. Dit gebeurde om hen te onderscheiden van de heemraden die toezicht hielden op plaatselijke waterstaatswerken binnen de afzonderlijke ambachten. Zulke plaatselijke heemraden werden ook ‘kroosheemraden’ genoemd. Omstreeks 1400 begon men de baljuw van Rijnland bij de uitoefening van zijn taak met betrekking tot het waterbeheer te betitelen als dijkgraaf. De reden hiervoor was dat de grenzen van het baljuwschap niet gelijk waren aan die van het hoogheemraadschap.

Eeuwenlang werd het hoogheemraadschap van Rijnland bestuurd door een dijkgraaf en zeven hoogheemraden. De dijkgraaf, benoemd door de graaf (later: de Staten) van Holland, was in naam de hoogste functionaris, maar de werkelijke macht lag bij de hoogheemraden. Het college van hoogheemraden vulde zichzelf door coöptatie aan. Als één van hen overleed, mochten de anderen een nieuwe hoogheemraad benoemen. Het was de gewoonte dat twee hoogheemraden uit de omgeving van Haarlem kwamen en vijf uit de omgeving van Leiden. De bevoegdheden van dijkgraaf en hoogheemraden waren gebaseerd op grafelijke privileges en op ongeschreven gewoonterecht. Aanvankelijk was hun voornaamste taak de schouw van de sluizen te Spaarndam en het toezicht op de werken die rond 1200 waren aangelegd om de afwatering van Leiden naar het noorden te bevorderen. Zij mochten verordeningen (keuren) vaststellen en overtreders van de keuren berechten. In de late middeleeuwen kregen dijkgraaf en hoogheemraden toezicht op alle waterstaatswerken binnen Rijnland.

Onvrede over het beleid van dijkgraaf en hoogheemraden leidde in de 16de eeuw tot de opkomst van een college van hoofdingelanden. Dit waren geen vertegenwoordigers van de ingelanden (= bezitters van grond in het hoogheemraadschap), maar een nader omschreven groep grootgrondbezitters, zoals edelen, kerkelijke instellingen en stadsbesturen. De hoofdingelanden kregen toezicht op het financiële beheer van de hoogheemraden.