Poldervorming

De eerste polders

De polders in Rijnland zijn ontstaan als gevolg van bodemdaling die optrad door ontginning van veengebieden in de middeleeuwen. De ontginning bestond uit het graven van lange evenwijdig lopende sloten door het veen. Hierdoor werd het veen ontwaterd en kon het water via de sloten afgevoerd worden. De ontwatering leidde echter tot daling van het maaiveld, inklinking genaamd. Vóór de ontginning hadden de venen een paar meter boven de zeespiegel gelegen. Zo lang de ontgonnen venen nog hoger lagen dan de klei langs de Oude Rijn of het Spaarne, konden zij het water nog gemakkelijk afvoeren. Toen het maaiveld zo daalde dat het gelijk of zelfs lager kwam te liggen dan de klei langs deze rivieren, ontstonden problemen.

Om het steeds drassiger wordende land tegen totale overstroming te beschermen werden polders gevormd. Een polder is een gebied begrensd door een waterscheiding, zoals een kade, dammen of sluizen, waardoor de waterstand kan worden geregeld. De eerste Rijnlandse polders ontstonden na 1330 langs de Gouwe. Het waren door kaden omringde landerijen met spuisluizen, die overtollig water loosden op afvoerkanalen, die op hun beurt hun water bij laag water kwijt konden op de Hollandse IJssel.

De verdergaande maaivelddaling maakte natuurlijke lozing in sommige gebieden steeds moeilijker. Hoosvaten, tredmolens en paardenmolens werden ingezet om door kaden omringd land van overtollig water te ontdoen. Begin 15de eeuw kwam hier de windmolen bij. Zo ontstond een stelsel van polders, laaggelegen gebieden die hun water op kunstmatige wijze loosden op de boezem. Een boezem is een stelsel van meren, rivieren en kanalen waarin water tijdelijk opgeslagen wordt voordat het op zee of op een rivier wordt geloosd. Rijnlands boezem loosde zijn water bij Spaarndam op het IJ, of bij Gouda op de Hollandse IJssel. Om ongeorganiseerde waterlozing op Rijnlands boezem tegen te gaan, werd het plaatsen van molens in 1460 onderworpen aan een vergunning van dijkgraaf en hoogheemraden.

Hoewel in de 15de eeuw al verscheidene molenpolders ontstonden, lag in een groot deel van Rijnland het maaiveld nog steeds zo hoog, dat afwatering op natuurlijke wijze kon plaatsvinden. In de 16de eeuw kwamen er veel kleine poldertjes bij. Vaak ging het om land van één eigenaar, die een kade om zijn land legde en er een molentje op plaatste.

Poldervorming op grote schaal

Naast de vele kleine poldertjes van particulieren ontstonden in de laatste decennia van de 16de eeuw ook grotere molenpolders. Deze polders bevatten land van meerdere eigenaren. Om problemen bij het beheer van deze polders te voorkomen, kregen deze polders bij oprichting een reglement. Hierin werd geregeld hoe de polder bestuurd zou worden en wat de regels met betrekking tot het waterbeheer waren waaraan de landeigenaren zich als ingelanden moesten houden. Het werd gebruikelijk dat het bestuur van zo’n polder bestond uit de schout van het ambacht en enkele molenmeesters of poldermeesters als vertegenwoordigers van de ingelanden. In de 19de eeuw trad de burgemeester in de plaats van de schout als voorzitter van het polderbestuur. In 1858, of kort daarna, kregen de polders een bestuursreglement en werd de verkiezing van bestuursleden uitsluitend een zaak van stemgerechtigde ingelanden. De burgemeester verdween uit het polderbestuur. 

  Molengang van de polder Reeuwijk

Molengang van de polder Reeuwijk 

 In de 17de eeuw, vooral tussen 1630 en 1670, werden veel polders gesticht. Vaak waren dit combinaties van al sinds de 16de eeuw bestaande kleine particuliere poldertjes, soms met nog niet eerder ingepolderd land gecombineerd. Ook deze polders kregen een reglement en een bestuur. De polders die in de 17de eeuw gevormd werden bleven in de meeste gevallen in de daaropvolgende eeuwen bestaan. In de 20ste eeuw kwam door de polderconcentratie een einde aan hun bestaan als waterschap, maar als bemalingsgebied bestaan zij vaak nog steeds. In 1670 was de poldervorming voltooid. Land dat toen nog boezemland was, dat wil zeggen zonder hulp van molens op de boezem van Rijnland afwaterde, is meestal boezemland gebleven.

Een bijzondere vorm van een polder was de droogmakerij, een voormalige plas waar een ringdijk en een ringvaart omheen gelegd waren en die vervolgens was drooggemalen. De eerste droogmakerij in Rijnland was die van het Zoetermeerse Meer in 1614. Later werden vooral plassen die ontstaan waren door turfwinning drooggemalen.

Rijnland en de polders

Het hoogheemraadschap van Rijnland hield toezicht op de polders. Poldervorming was sinds 1460 onderworpen aan een vergunning van dijkgraaf en hoogheemraden. Daarnaast ontstond bij grotere polders de gewoonte dat de jaarrekeningen van de polders door hoogheemraden van Rijnland werden goedgekeurd. In 1652 werd vastgesteld dat alle polders die groter waren dan 100 morgen (ongeveer 85 hectare) jaarlijks hun rekening ter goedkeuring aan Rijnland moesten inzenden.

Bij de Bataafse Omwenteling van 1795 kwam tijdelijk een einde aan het toezicht van Rijnland op de polders. In 1804 werd de oude situatie weer hersteld. Bij de totstandkoming van reglementen voor de polders in het midden van de 19de eeuw bleef de toezichthoudende taak van Rijnland ten aanzien van de polders bestaan. Hieraan kwam een einde bij de polderconcentratie van 1 januari 1979. De nieuw gevormde waterschappen waren onafhankelijk van Rijnland. Door de fusie van het hoogheemraadschap met de zogenaamde inliggende waterschappen op 1 januari 2005 kwam al het waterbeheer, dus ook het beheer van de polders, in één hand: bij het nieuwe hoogheemraadschap van Rijnland.

De Vlietmolen te Hoogmade 

De vlietmolen te Hoogmade (wipmolen)