Schoon water, een nieuwe taak

Wel kwantiteitsbeheer, geen kwaliteitsbeheer

De traditionele taak van het hoogheemraadschap van Rijnland en van de binnen Rijnland gelegen polders kan worden samengevat als: water buiten de deur houden en overtollig water lozen. Deze taak kan men ook omschrijven als waterkwantiteitsbeheer. De zorg voor de kwaliteit van het water was vóór de 20ste eeuw geen taak van het hoogheemraadschap en de polders.

De eerste maatregelen

Klachten over vervuiling van water ontstonden het eerst in de steden. Eind 19de eeuw verzochten Haarlem en Leiden aan Rijnland om door middel van extra bemaling vuil water af te voeren en schoon water binnen te laten. Rijnland voldeed aan deze verzoeken, maar voerde zelf geen beleid op dit gebied. De zorg voor de kwaliteit van het boezemwater stond niet in het reglement van 1857. Specifieke bevoegdheden om tegen vervuilers op te treden had Rijnland niet. Alleen de bepaling dat voor lozing van water op Rijnlands boezem toestemming van de Verenigde Vergadering nodig was, bood een handvat om vervuiling van boezemwater door lozingen tegen te gaan.

In 1916 werd Rijnland geconfronteerd met Azolla, uit Zuid-Amerika afkomstig rood kroos dat waarschijnlijk uit de Leidse Hortus ontsnapt was en zich zeer snel over de Hollandse wateren verspreidde. De soms wel 15 centimeter dikke laag leidde tot vissterfte en hinder voor de scheepvaart. Om de plaag te bestrijden moest het kroos worden afgeschept en in overdekte kuilen worden opgeborgen.

Als gevolg van extreme droogte werd Rijnland in 1921 overstelpt met klachten over verzilting van boezemwater. Vooral de tuinbouw in Aalsmeer werd hierdoor getroffen. In 1927 stelden dijkgraaf en hoogheemraden aan de Verenigde Vergadering voor om Rijnlands boezem voortaan ook bij een te hoog zoutgehalte te verversen. Tot dan toe was dit alleen gebeurd op verzoek van Haarlem en Leiden wanneer de stadsgrachten te vuil werden. Op initiatief van een van de hoofdingelanden werd het voorstel van dijkgraaf en hoogheemraden aangepast; niet alleen bij verzilting, maar ook bij vervuiling van het boezemwater zou Rijnland de boezem verversen. De zorg voor ‘de hoedanigheid van het boezemwater’ was voortaan ook een taak voor het hoogheemraadschap.

In de praktijk veranderde niet veel. Pas kort voor de Tweede Wereldoorlog ging Rijnland actiever optreden tegen vervuilers door verlening van vergunning tot lozing van vuil water te verbinden aan een heffing. De inkomsten uit deze heffing werden gebruikt om systematisch de boezem te verversen. De heffing werd alleen opgelegd aan gemeenten, omdat de gemeentelijke riolen de meeste vervuiling veroorzaakten.

Bouw van zuiveringsinstallaties 

Na de Tweede Wereldoorlog werd duidelijk dat alleen de bouw van afvalwaterzuiveringsinstallaties (awzi’s) de vervuiling effectief kon bestrijden. Een aantal gemeenten ging hier toe over. Rijnland gaf hierbij advies en langzaam groeide bij gemeenten en particulieren het besef dat het hoogheemraadschap de aangewezen instantie was om de zuiveringstaak uit te voeren. In 1965 kreeg Rijnland de reglementaire taak om awzi’s te bouwen en te beheren. Daarnaast kreeg het hoogheemraadschap de bevoegdheid om een heffing ter bekostiging van de zuivering op te leggen.

In 1967 begonnen de besprekingen over overname van gemeentelijke awzi’s en een jaar later werd de eerste overeenkomst gesloten voor de bouw van een awzi. De invoering van de Wet Verontreiniging Oppervlaktewateren (WVO) in 1970 gaf Rijnland de mogelijkheid om inwoners van het hoogheemraadschap individueel een heffing op te leggen en niet meer, zoals voorheen, de gemeente.

Zo was in een aantal stappen tussen het eind van de 19de eeuw en 1970 de zorg voor de waterkwaliteit ook een taak van het hoogheemraadschap van Rijnland geworden.

AWZI Zwanenburg

AWZI Zwanenburg