Turfwinning en droogmakerijen

Turfwinning tast het landschap aan

In de middeleeuwen werd turf gewonnen door veen af te steken, ook ‘delven’ genoemd. In principe bleef een vaste ondergrond over. Deze ondergrond kon men ophogen en met behulp van as of mest weer in cultuur brengen. De praktijk was vaak anders. Omstreeks 1500 lagen veel verdolven gronden verlaten. Daarnaast had het turf delven geleid tot vorming of vergroting van plassen en meren, met name het Haarlemmermeer.

In de 16de eeuw ging de turfwinning een nieuwe fase in. Het slagturven kwam in zwang. Hierbij werd turf gewonnen door onder de grondwaterspiegel het veen op te baggeren tot de klei- of zandbodem was bereikt. De metersdikke veenlaag verdween daarbij geheel. Voor land kwam een waterplas in de plaats. Vooral na 1530 nam het slagturven een hoge vlucht en in 1550 had deze nieuwe wijze van turf winnen het traditionele delven geheel verdrongen.

Langzaam veranderde het landschap. Het was niet zo dat al het land direct in water veranderde; de turfwinning bleef kleinschalig. Eigenaars vergroeven jaarlijks een gedeelte van een perceel en gebruikten de rest nog zo veel mogelijk voor agrarische activiteiten. Ook als een perceel geheel vergraven was, bleef land nodig om de gebaggerde turf op te stapelen en te laten drogen. Lange smalle percelen land, zogenaamde legakkers, lagen tussen percelen water. Naarmate de turfwinning voortging, werden de waterplassen groter. Door golfslag werden de overgebleven legakkers aangetast en verdwenen soms geheel.

Toezicht op de turfwinning

De hoogheemraden van Rijnland gingen toezicht uitoefenen op de turfwinning. Misschien hadden zij dit altijd al gedaan, maar in ieder geval werd in de 15de eeuw de regelgeving met betrekking tot de turfwinning schriftelijk vastgelegd. Het was verboden om dicht bij grote meren, landscheidingen en hoofdwegen turf te delven. Ook werden bepalingen vastgesteld inzake de hoeveelheid te graven turf en het herstel van afgegraven land. Om de betaling van de verschuldigde waterschapslasten te waarborgen, moesten turfgravers onroerend goed als onderpand stellen.

In de 16de eeuw, toen het turf delven plaats maakte voor het slagturven, kostte het Rijnland veel moeite om zijn bevoegdheden ten aanzien van de turfwinning uit te oefenen. Uiteindelijk werd Rijnlands gezag geaccepteerd. De regels werden min of meer nageleefd; Rijnland verleende vergunning voor het slagturven en legde boeten op aan degenen die zonder vergunning werkten of op andere wijze de regels overtraden. Toch leidde het slagturven tot veel landverlies.

Keur op het vervenen en ontgronden

Keur op het vervenen en ontgronden, 1587

Het waarborgsysteem dat bedoeld was om de betaling van lasten te garanderen, bleek omstreeks 1675 niet meer goed te functioneren. Veel grondeigenaren konden de lasten niet meer opbrengen en lieten hun grotendeels tot water vergraven land in de steek. Dit werd ‘spasteken’ genoemd; de eigenaar stak zijn spade in de grond en vertrok. ‘Abandonneren’ was een ander woord dat gebruikt werd voor het achterlaten van eigendommen. Op deze wijze verloren veel ambachten (plattelandsdistricten) een deel van hun bevolking. Het ambacht Schoot, tussen Ter Aar en Nieuwkoop, verdween zelfs geheel.

Als antwoord op de abandonnering kwam in 1680 een nieuw waarborgsysteem tot stand. In plaats van borgstelling van onroerend goed moest voortaan 1 stuiver per gewonnen roede turf betaald worden. Deze stortingen kwamen in een door Rijnland beheerd waarborgfonds, waaruit de verschuldigde lasten werden betaald.

Terugwinning van land

In de tweede helft van de 17de eeuw werden enkele gebieden die door turfwinning grotendeels vergraven waren weer drooggemaakt. Door de agrarische laagconjunctuur na 1665 bleef het aantal droogmakerijen beperkt; het was niet lonend grote investeringen te doen om land te winnen dat niet veel zou opbrengen. Pas na 1750 nam de waarde van landbouwgrond weer toe en werd het lucratiever om geld te steken in projecten tot droogmaking van vergraven land. Toch kwam in de tussentijd een aantal droogmakerijen tot stand. Het initiatief ging meestal uit van de ambachten en aangelokt door grote fiscale voordelen – droogmakers konden vele jaren vrijstelling krijgen van betaling van belasting en waterschapslasten – werden de nodige middelen gevonden om de droogmaking van vergraven landen te financieren.

In de 18de eeuw maakte de kleinschalige vervening, waarbij een landeigenaar ieder jaar slechts een deel van een perceel afgroef en de rest zoveel mogelijk in stand hield, plaats voor een nieuwe, grootschalige organisatie van turfwinning: de gereglementeerde veenderij. Hierbij verleende Rijnland vergunning tot het uitvenen van een aaneengesloten gebied, vaak één of twee polders, op voorwaarde dat dit gebied na afgraving meteen moest worden drooggelegd. Organisatie, financiering en technische uitvoering van vervening en drooglegging werden in een reglement geregeld. De aanvragers van de vergunning kregen 30 of 40 jaar de tijd om het gebied uit te venen en droog te maken. Hoewel deze termijn vaak werd overschreden, ging de turfwinning veel sneller dan in de tijd van het kleinschalige slagturven, toen het vaak meer dan 100 jaar duurde voordat een polder geheel was uitgeveend.

Door de verplichting tot droogmaking ging er in de gereglementeerde veenderijen uiteindelijk geen land verloren.