Vernieuwing in de 19e eeuw

Een tijd van vernieuwing

De 19de eeuw was een tijd van vernieuwing: bestuurlijk, economisch, technisch. Het oude bestuursstelsel, met veel macht voor de afzonderlijke gewesten en steden, maakte plaats voor een nieuwe, meer gecentraliseerde structuur waarin Rijk, provincies en gemeenten hun eigen plaats hadden. Dit had ook gevolgen voor de organisatie van de waterschappen. Technische vernieuwingen, zoals toepassing van stoomkracht, leidden tot betere beheersing van de waterstand. Grootschalige droogmakerijen en nieuwe infrastructuur zorgden er voor dat Rijnland er in 1900 heel anders uitzag dan in 1800.

Veranderingen in landschap en infrastructuur

In 1807 kwam het Uitwateringskanaal bij Katwijk tot stand. Verstopping van de monding van de Oude Rijn had 600 jaar daarvoor geleid tot vorming van een organisatie die geleidelijk uitgroeide tot het hoogheemraadschap van Rijnland. Hoewel de nieuwe organisatie er voor zorgde dat het water uit de Leidse regio naar het noorden werd geleid, bleef de behoefte aan een uitwatering bij Katwijk bestaan. In 1572 was die er ook gekomen, maar door de oorlogsomstandigheden in de daaropvolgende jaren weer in het ongerede geraakt. In de 17de en 18de eeuw had Haarlem zich om handelspolitieke redenen met succes verzet tegen aanleg van een nieuwe uitwatering. Toen het bestuur van Rijnland in 1802 het initiatief nam tot aanleg van het kanaal, verzette Haarlem zich weer. Dit keer tevergeefs. Met steun van het Rijk – politiek en financieel – kon Rijnland de uitwatering tot stand brengen.

De staat ging een actieve rol spelen bij het droogmaken van meren en bij de aanleg van infrastructuur. Het eerste staatsproject was de Nieuwkoopse en Zevenhovense Droogmakerij. In 1812 was de grote waterplas aan de oostgrens van Rijnland, ontstaan als gevolg van turfwinning, veranderd in een polder.

Een veel groter project was de droogmaking van het Haarlemmermeer. Hierbij werd stoomkracht gebruikt. In de 17de en 18de eeuw waren al plannen gemaakt voor droogmaking. Hoewel Rijnland toen zelf betrokken was bij die plannen, verzette het hoogheemraadschap zich tegen de beslissing van het Rijk om het meer droog te maken. De reden van verzet was vrees voor problemen met de waterberging; het meer omvatte 80% van Rijnlands boezemcapaciteit. Het Rijk zette het project door, maar hield rekening met de belangen van het hoogheemraadschap. Tussen 1848 en 1852 maalden drie stoomgemalen het meer droog. Ter compensatie van de verminderde boezemcapaciteit bouwde het Rijk ten behoeve van Rijnland ook drie stoomgemalen, bij Spaarndam, Halfweg en Gouda, en droeg deze aan het hoogheemraadschap over. Zo ging Rijnland voor het eerst in zijn bestaan zijn boezemwater met behulp van werktuigen uitslaan op het IJ en op de Hollandse IJssel. De uitwatering bij Katwijk bleef voorlopig nog op natuurlijke wijze lozen; bij laagwater werden de sluizen geopend. In 1881 werd hier ook een stoomgemaal in gebruik genomen.

 

Gemaal Lynden

Gemaal Lynden, samen met de gemalen Cruquius en Leeghwater verantwoordelijk
voor de de droogmaking van het Haarlemmermeer

 

Na de droogmaking van het Haarlemmermeer en de totstandkoming van de stoomgemalen bij Spaarndam en Halfweg veranderde er aan de noordgrens van Rijnland in tien jaar meer dan in de 600 jaar daarvoor. Het IJ, tot dan toe in open verbinding met de Zuiderzee en daardoor ook met de Noordzee, werd aan de oostkant van Amsterdam afgedamd en grotendeels ingepolderd. Tegelijkertijd werden de duinen bij Velsen doorgegraven voor de aanleg van het Noordzeekanaal. Zo loosde Rijnland zijn boezemwater bij Spaarndam en Halfweg niet meer op een zeearm met getijden, maar op binnenwater met een vast peil. De Spaarndammerdijk was niet langer een zeewaterkerende dijk.

Door aanleg van het Uitwateringskanaal bij Katwijk, droogmaking van voor hun omgeving gevaarlijke binnenmeren, bouw van stoomgemalen om boezemwater uit te slaan en afsluiting van het IJ was de waterbeheersing binnen Rijnland sterk verbeterd. Ook in de afzonderlijke polders ging men het waterpeil beter beheersen. De Haarlemmermeer werd vanaf het begin door stoomgemalen drooggehouden. Later gingen ook andere polders over tot stoombemaling. Omdat bouw en gebruik van een stoomgemaal veel geld kostten, bleef dit beperkt tot de grotere polders. Pas na 1920, toen het mogelijk werd om gebruik te maken van elektriciteit of dieselmotoren, gingen ook kleinere polders over tot vervanging van hun molen door een gemaal.

Veranderingen in bestuur en organisatie

De politieke veranderingen in Nederland in de jaren 1795-1848 hadden ook gevolgen voor het bestuur en de organisatie van de waterschappen. De Omwenteling van 1795 leidde tot bestuurswisselingen bij het hoogheemraadschap en in de polders. Er kwam tijdelijk een einde aan het toezicht van Rijnland op de polders, maar in 1804 was de oude situatie grotendeels hersteld. De toegenomen macht van de landelijke overheid liet zich nog niet direct voelen in bestuur en organisatie van de waterschappen, die volgens de Grondwet van 1815 onder toezicht van de provincie stonden. Een echte breuk met het verleden was het verlies van de rechtsmacht, die de waterschappen eeuwenlang hadden gehad. In een staatsbestel waarin bestuur en rechtspraak gescheiden waren, paste de rechtsprekende bevoegdheid van de waterschappen niet meer.

Na de grondwetswijziging van 1848 en de totstandkoming van de Provinciale wet (1850) en de Gemeentewet (1851) kwamen provinciale reglementen voor de waterschappen in Noord-Holland en Zuid-Holland tot stand. Rijnland kreeg in 1857 een nieuw reglement. De termen dijkgraaf, hoogheemraden en hoofdingelanden bleven bestaan, maar kregen een andere inhoud. De door de Kroon benoemde dijkgraaf en hoogheemraden (D&H) vormden voortaan het dagelijks bestuur. Samen met de rechtstreeks door stemgerechtigde ingelanden gekozen hoofdingelanden vormden zij de Verenigde Vergadering (VV), het algemeen bestuur van het hoogheemraadschap.

De polders kregen hun eigen bijzonder reglement. Hierin werden hun grenzen omschreven en hun bestuurssamenstelling geregeld. Aan de bemoeienis van de burgemeesters met de polderbesturen kwam een eind.