1961-2011: 50 jaar vrije zaterdag en vijfdaagse werkweek

Tekst: Peter Siepman

Tekst: Peter Siepman

In de VS was het al normaal, het Nederlandse bedrijfsleven volgde dat langzaam en in 1960 besloot de Centrale Commissie voor Overleg in Ambtenarenzaken ook tot invoering van de vijfdaagse werkweek. Op 23 december bekrachtigde het kabinet De Quay dat.

De kinderen gingen tot 12.15 uur naar school en vader werkte tot 13.00 uur. Zo zag de zaterdagmorgen er in de meeste Nederlandse gezinnen tot 1961 uit. Met de vrije zaterdag konden werknemers zich in de weekeinden vrijer bewegen. Er was meer tijd voor winkelen, voor sportieve activiteiten en voor familie- en vriendenbezoek. Door de stijgende salarissen hadden ze voor het eerst sinds de oorlog meer geld te besteden. Men kon er het hele weekeinde op uit trekken. Gehuld in vrijetijdskleding die zijn intrede deed en, voor wie het zich kon permitteren, in een auto.

Gefaseerd

Oorspronkelijk zou de vijfdaagse werkweek voor het Rijkspersoneel gefaseerd worden ingevoerd: eerst een jaar lang eens per twee weken op zaterdag vrij. Kantoorpersoneel had een werkweek van 41,5 uur en ter compensatie werden hun andere dagen verlengd met 20 minuten. Anderen werkten 48 uur en kregen er 15 minuten per dag bij. Na dat jaar zou de vijfdaagse werkweek algeheel worden ingevoerd met een dagverlenging van respectievelijk 45 en 30 minuten. Het niet-kantoorpersoneel ging van 48 naar 45 uur.

Personeel van Rijnland

Het personeel van de Secretarie bij Hans Brinker in Spaarndam, personeelsuitstapje 14 september 1961.

Lange lunchtijd

Bij Rijnland was de situatie begin 1961 iets anders. Het personeel op de Secretarie en de bureauambtenaren van de Technische Dienst, allen werkzaam in de Breestraat, werkten officieel 37 ¾ uur per week. Maar in de praktijk was dat minder omdat daar, zo stond in een notitie over de vrije zaterdag aan D&H, "...sedert de oorlog het gebruik ingeslopen was van 1 ½ uur vrijaf tussen de middag". Daardoor bedroeg het echte aantal gewerkte uren 36 ½ per week. Het overige personeel, in de buitendienst, werkte 48 uur.

Bezwaren

Tegen het sluiten van Rijnlands kantoren op zaterdag had niemand bezwaar. Klanten voor de diverse Rijnlandse loketten konden ook wel op andere dagen terecht. Maar voor de buitendienst, met name voor de bemalingsploegen, voorzag het hoofd van de Technische Dienst, ir.H. de Groot, de nodige problemen bij de invoering van de vrije zaterdag. Werken op zondag werd al zoveel mogelijk vermeden door bij slecht weer op zaterdagmorgen intensief te bemalen. Maar twee aaneengesloten dagen zonder bemaling overbruggen achtte hij onmogelijk. Hetzelfde gold voor de waterinlating in het droge seizoen. "Het inlaten van water is een continubedrijf dat met de steeds toenemende waterbehoefte (verversing en aanvulling van de boezem) niet kan worden doorbroken". Vervolgens haalde hij een ander probleem aan. Werken op zaterdag werd overwerk en zou ook als zodanig betaald moeten worden. Dat betekende dus meer kosten. Afgezien daarvan was niet altijd te voorzien of er op zaterdag gewerkt moest worden. Een medewerker van de buitendienst had zich erover beklaagd dat hij graag naar "My fair lady" in Rotterdam wilde, maar dat niet aandurfde omdat kaartjes ruim tevoren moesten worden besteld. En hij wilde niet het risico lopen op die dag onverwachts te moeten werken. Dit soort ongenoegen zou volgens de ingenieur niet weggenomen worden met het betalen van een overwerkvergoeding maar zou aanvaardbaar gemaakt kunnen worden door compensatie op andere wijze.

My fair lady

Ernstig bezorgd

Dat ir. de Groot zo uitvoerig op deze problematiek inging had als oorzaak dat hij ernstig bezorgd was over de ontwikkeling van de personeelsbezetting en de kwaliteit van te werven personeel. Toename van onregelmatige diensten en overwerk door invoering van de vrije zaterdag zouden, tenzij door verbetering van de Rijnlandse arbeidsvoorwaarden, de personeelsvoorziening steeds moeilijker maken. Bij vacatures kwamen steeds minder sollicitanten. Andere instellingen met betere arbeidsvoorwaarden zogen goede krachten weg en lieten voor Rijnland de mindere krachten, om niet te zeggen de kneusjes, over, zo zei hij. Daardoor had hij voor de bemaling al personeel van aannemers moeten lenen. Nog geen week later verzochten D&H, kennelijk geschrokken van zijn opmerkingen, hem om concrete voorstellen te doen voor een overwerkregeling voor het buitenpersoneel.

Uurloonverlagend

In maart besloot het dagelijks bestuur, met instemming van de Verenigde Vergadering, om de vrije zaterdag bij Rijnland in te voeren zoals dat bij het Rijk gebeurde. Daarbij brachten ze meteen de werktijd van het kantoorpersoneel in overeenstemming met die van het Rijk, dus 41 ½ in plaats van 37 ¾ uur per week. Dat betekende een werktijdverlenging van ruim 3 ½ uur. Ondermeer de Bond van Ambtenaren bij de Waterschappen in Nederland maakte bezwaar tegen dit in feite uurloonverlagend besluit. De Samenwerkende Bonden van Overheidspersoneel verzochten dan ook om een onderhoud met het college. Zij wilden een compromis.

Toch in één keer

Intussen besloot de minister van Binnenlandse Zaken de vijfdaagse werkweek toch, per 1 juli 1961, in één keer in te voeren en dus niet in twee fasen. Ook bij Rijnland dat, op aandrang van de bonden, wat water bij de wijn deed en de wekelijkse werktijd van het kantoorpersoneel op 40 uur bracht. Voortaan werd er gewerkt van maandag tot en met vrijdag van 8.30 tot 17.30. Met een uur middagpauze. Ook ir. de Groot en de Technische Dienst kregen wat meer lucht. Waar plaatselijke omstandigheden het nodig maakten, mochten de werktijden van machinisten, werklieden en sluispersoneel worden aangepast. Er kwamen bovendien gunstiger regelingen voor overwerk en onregelmatige arbeid.