Arbeidsverhoudingen in de polder

Tekst: P.F. Schevenhoven

Tekst: P.F. Schevenhoven

Het is weer een beetje uit de mode, maar eind jaren ’90 was het poldermodel een begrip waar Nederland internationaal mee voor de dag kon komen. Goede sociale verhoudingen dankzij een zakelijke overlegcultuur. Dit alles als gevolg van onze strijd tegen het water. De vraag of dit allemaal waar is of niet, laten we hier in het midden. Wat wel zeker is: het poldermodel in arbeidsverhoudingen in de polders was vaak ver te zoeken.

Ten westen van het dorp Woubrugge ligt de polder Oudendijk. In 1912 werden de twee molens die de polder bemaalden vervangen door een elektrisch gemaal. Het gemaal werd bediend door een machinist, die ook als wegwerker en bode voor de polder werkte.

In 1934 vroeg de fungerende machinist-wegwerker-bode, op dat moment 73 jaar, om eervol ontslag op grond van zijn hoge leeftijd. Onder dankzegging voor de goede diensten die hij voor de polder had verricht werd hem dit ontslag op de meest eervolle wijze verleend. De bejaarde machinist was ambtenaar geweest. Het bestuur besloot zijn opvolger op arbeidsovereenkomst te benoemen. Tien gulden in de week, vrij wonen, gebruik van tuin en een stuk grasland en dertig gulden per jaar als vergoeding voor elektriciteit in de machinistenwoning. Dit alles voor werkzaamheden die volgens het bestuur gemiddeld als een halve dagtaak beschouwd konden worden.

Eerste stoker op stoomgemaal Halfweg

 

De nieuwe machinist kwam op deze voorwaarden in dienst. Toen hij drie jaar later overleed, werd zijn opvolger op dezelfde voorwaarden aangesteld. In de bestuursvergadering van 3 november 1937 werd opgemerkt dat hij op het hem ter beschikking gestelde stuk grond het beste bieten kon verbouwen. Teelt van tuinbouwproducten voor de veiling zou volgens het bestuur maar teleurstelling geven.

Bieten

Bond stelt overeenkomst ter discussie

In de zomer van 1939 schreef het bestuur van de afdeling Zuid-Holland van de Bond van Ambtenaren bij de Waterschappen in Nederland aan het polderbestuur dat de machinist-wegwerker-bode als lid van de bond gevraagd had wat de mening van de bond was over zijn in 1937 aangegane arbeidsovereenkomst.  Om aan dit verzoek te kunnen voldoen verzocht het afdelingsbestuur in kennis gesteld te worden van de bepalingen bedoeld in artikel 134 van de Ambtenarenwet 1929 betreffende de gevallen waarin en voorwaarden waaronder indienstneming op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht bij de polder plaats had. Dergelijke bepalingen bleken nooit vastgesteld te zijn door het polderbestuur. Hierop zond de bond door hen ontworpen bepalingen, als model, met verzoek te mogen vernemen of het polderbestuur deze ongewijzigd aanvaardde.

Arbeidsovereenkomst

Dat was niet het geval. Het polderbestuur stelde sterk uitgeklede bepalingen vast. Het afdelingsbestuur van de bond wees in een brief aan het polderbestuur van 6 januari 1940 op de wenselijkheid om een aantal bepalingen uit het model van de bond toch vast te stellen met het oog op de onzekere rechtspositie van arbeidscontractanten. Deze brief viel niet in goede aarde.

Relatie met werkgever prioriteit

Het verdere verloop van de zaak is op z’n zachtst gezegd opmerkelijk te noemen. Op 2 februari 1940 schreef de machinist-bode-wegwerker een brief aan zijn bond. Hierin bedankte hij in de eerste plaats het afdelingsbestuur voor alles wat zij gedaan hadden voor de goede gang van zaken en vervolgens deelde hij mee zich verplicht te zien als lid van de bond te bedanken. Hij begreep dat dit een teleurstelling voor het afdelingsbestuur moest zijn, maar wees er op dat hij vóór alles een goede verstandhouding met het polderbestuur wenste. Hij had gemerkt dat zij het niet aardig vonden dat hij lid van de bond geworden was en dat kwam vooral tot uiting in de kwestie over de vaststelling van de bepalingen inzake de aanstelling van personeel op arbeidsovereenkomst. ‘Ik mag mijn ogen niet sluiten voor de werkelijkheid’, schreef hij, en vervolgens legde hij uit dat er voor hem gelegenheid bestond om buiten zijn betrekking bijverdiensten te hebben en dat er ook gesproken werd over verhoging van zijn loon ‘nu de levensstandaard stijgende is’. Met dit laatste doelde hij op de stijging van lonen en prijzen die opgetreden was sinds het uitbreken van de oorlog in september 1939. ‘Het is dan ook na rijp overleg dat ik bedank als lid hoe goed ik ook het nut van organisatie inzie, en nu nog een bescheiden vraag: wil zo goed zijn niet te proberen mij als lid te behouden want mijn besluit staat vast’.

Polderbestuur hielp handje mee

Het polderbestuur ontving een afschrift van deze brief en zal tevreden geweest zijn. Uit een brief van de voorzitter van de afdeling van de bond aan de secretaris van de polder blijkt dat de machinist zijn lidmaatschap op last van de voorzitter van het polderbestuur had opgezegd, of zoals de afdelingsvoorzitter het fijntjes formuleerde: dat (de machinist) zijn lidmaatschap van onze bond heeft opgezegd is juist en hieraan schijnt een onderhoud dat hij met zijn voorzitter heeft gehad niet vreemd te zijn.

Op 18 maart 1940 stelde het polderbestuur de bepalingen definitief vast, nadat nog enkele kleine wijzigingen aan de eerdere (uitgeklede) versie waren aangebracht. Het polderbestuur meldde dit aan de bond en deelde mee geen afschrift van deze bepalingen mee te zenden aangezien de omstandigheden gewijzigd zijn, doordat blijkens de mededeling van de betrokkene hij geen lid is van uw organisatie.

In dezelfde bestuursvergadering werd het weekloon van de machinist-wegwerker-bode tijdelijk, in verband met algemene stijging der lonen in het boerenbedrijf te Woubrugge, verhoogd van tien tot twaalf gulden. Een maand later ging de vergadering van stemgerechtigde ingelanden met deze tijdelijke verhoging akkoord. Kort daarop werd Nederland door de Duitsers bezet en na de oorlog zouden in het algemeen gesproken andere sociale verhoudingen ontstaan, ons beroemde poldermodel.