Bekende en onbekende Rijnlanders: Rooie Kees

Tekst: Eggo Tiemens

Tekst: Eggo Tiemens

Kees was een polderjongen. Hij leefde en stierf in de 19de eeuw in Haarlemmermeer. Verderop vertel ik over zijn laatste dagen. Eerst iets over het leven dat hij en vele andere polderjongens leidde.

De polderjongen is in Haarlemmermeer, vanaf de start van de droogmaking, een begrip. In de 19de eeuw in levende lijve en sinds de 20ste, als eerbetoon aan zijn inzet en doorzettingsvermogen, vereeuwigd in brons, in het centrum van Hoofddorp. Wie was die polderjongen eigenlijk, wie was Kees? De polderjongen was sterk, taai en was bereid om hard te werken in uiterst primitieve omstandigheden. Hij verhuurde zijn spierkracht en uithoudingsvermogen om als arbeider grondwerk te verrichten. Hij werd in dienst genomen door de Commissie van Beheer en Toezicht over de droogmaking van het Haarlemmermeer, voor de voorbereidende werkzaamheden om het 18.000 hectare grote meer droog te kunnen malen. In 1840 werd begonnen met de aanleg van de Ringvaart rondom het meer. Van de uitgegraven grond werd door duizenden arbeiders de 60 kilometer lange Ringdijk opgeworpen. Hierna konden de gemalen Leeghwater, Cruquius en Lynden starten met het leegpompen van het meer.

Tot vieravond

De polderjongens hadden slechts bescheiden hulpmiddelen als een schop, een spade en een kruiwagen tot hun beschikking. Ze werkten in ploegen, zoveel mogelijk met gelijkwaardige krachten, omdat de verdiensten dan hoger waren. Het graafwerk werd voor die tijd niet slecht betaald, ongeveer een gulden per dag. Er was geen achturige werkdag en ook geen vijfdaagse werkweek. Zolang het licht was werd er gewerkt, aldus de Utrechtse krant van 3 april 1854: ‘De arbeider begint vroeg: velen in de morgenschemering. Om 2 uur verlaat menigeen reeds de keet. Hij gebruikt daags zijn brood staande. Als de klok des namiddags 2 uur slaat, zijn er ook die de schop op de rug nemen en huiswaarts gaan. De laatsten werken hoogstens tot 4 uur. Dan is het vieravond (rusttijd na volbrachte arbeid) en gaan velen, als de kippen het rek zoeken, onder de dekens’.

Drie pond spek

De polderjongens aten brood met spek, aardappelen en spekpannenkoeken. Als drank koffie, thee, bier en ook een borrel op z’n tijd. De krant schrijft: ‘De polderjongen slaapt in eene keet: er zijn zo’n driehonderd keten beschikbaar. Hij betaalt daarvoor, alsmede voor het wasschen van een hemd en een doekje, of zoo iets, ’s wekelijks 80 cent, terwijl hij des avonds voor aardappelen met een lange saus ƒ 1,75 per week moet geven. Is hij een goed werker en in evenredigheid van zijne krachtsinspanning, een fatsoenlijk eter, dan heeft hij wekelijks 3 pond spek nodig, ’t welk hem dus á 50 cents per pond ƒ 1,50 kost. Daarbij komt nog zijn tarwebrood en roggebrood en de borrel, die door schier talloze wandelende slijterijen (dat zijn industriëlen met vaatjes op den rug en glaasjes in de handen) wordt gepresenteerd. Voor de matigheidsgenootschappen zouden daar belangrijke opmerkingen en gevolgtrekkingen zijn te maken. Er worden vrij wat 3 cents glaasjes geledigd!’.

Samen wonen

De keten waarin de polderjongens leefden waren provisorische op de Ringdijk geplaatste bouwsels. Ze waren verplaatsbaar en verhuisden met de graafwerkzaamheden mee. Een keet bestond uit balken, planken en riet en had maar twee openingen: de deur en een gat in het dak. In één keet leefden soms wel twaalf personen. Vooral in de winter, als er niet gewerkt kon worden, werd er armoe en ellende geleden. Soms werd er door polderwerkers in één keet samengewoond met meerdere vrouwen die niet alleen voor hen kookten en wasten, maar ook, zoals in het boek ‘De Waterwolf getemd’ staat, ‘op ander gebied als vrouw optraden’. Ook polderjongens werden verliefd en kregen, ongetrouwd of niet, soms een relatie met een van de vrouwen die de keten bewoonden. Toen de Ringdijk eenmaal gesloten was en men zich niet steeds weer hoefde te verplaatsen ontstonden er houten huizen die gerieflijker waren. Ook waren er polderwerkers die hun echtgenotes en kinderen bij zich hadden. Deze vestigden zich meestal in de omringende gemeenten.

 

Beeld van Rooie Kees

Ruwe types

Daar was men over het algemeen niet ingenomen met de polderjongens. Het waren wat ruwe types die zich na gedane zware arbeid graag op hun eigen wijze, met veel alcohol en herrie, ontspanden in de plaatselijke café’s. Naast alcoholmisbruik was er sprake van misdadig gedrag zoals vechtpartijen, vernieling, stropen en diefstal. De naburige gemeenten vreesden verdere aantasting van de goede zeden. Naast slechte huisvesting was er aan de rand van de polder sprake van het ontbreken van de meest elementaire voorzieningen, zoals gezonde voeding, medische verzorging van mens en dier, begaanbare wegen of onderwijs. De strijd om het bestaan werd verergerd door ernstige ziekten en epidemieën. Cholera, malaria, pokken, tyfus en veepest waren de meest voorkomende ziekten. Die waren een andere angst voor de naburige gemeenten want zij draaiden voor de kosten op.

Rooie Kees

Zo komen we dan, via deze akelige ziekten, bij het levenseinde van Kees aan. Welke ziekte Kees er uiteindelijk aan deed geloven beschrijft de historie niet. Wél verscheen er in de 'Opregte Haarlemsche Courant' een stukje met de titel 'Hoe Rooie Kees begraven werd'. Dit stukje gaat als volgt:

'Men schrijft ons uit Haarlemmermeer het volgende, dat een droevige kijk geeft op het lage peil van het volksleven. Al een paar dagen was Kees niet erg lekker. Zijn pruimpje ontbrak achter de kiezen en bolde zijn magere wang niet, zoals gewoonlijk. Eten liet Kees staan en alleen had hij de paar laatste dagen zijn 'propje' genomen om het leege gevoel wat weg te spoelen. Doch dat hielp ook al niet; ’t einde van het liedje was dat Kees zijn stroozak opzocht in de vunze polderkeet, zoal er zoovele stonden in 'de Meer' in den eerste tijd van droog zijn. De keetvrouw verzorgde 'den rooie' met moederlijke zorg en belangstellend kwamen Hein en Gerrit en anderen hem aan zijn sponde troosten, en als de zieke vertelde dat hij zich zoo naar gevoelde en zei dat zijn hele 'boddie' van streek was, dan klonk het “Nou Kees, geen grappen hoor! Je wilt er toch niet uitknijpen? Jongen, als we straks van moeder Kee terugkomen, zullen we een happie voor je meebrengen." ’s Avonds keerden de kameraden terug en traden op Kees toe. Bij hem zat de keetvrouw. Ze hield een wijsvinger voor den mond. “Stil jongens, ’t gaat met Kees verkeerd. Hij deed zoo raar straks en nou is hij al een heele poos stil. Maar ik durf niet te kijken”. De kranke had zich, al woelende, geheel onder zijn goor dek gewerkt. Hein de Brabander lichtte het even op en toen hij goed had gezien, zei hij: “Ik geloof waarachtig dat de rooie uit logeren is”. Zoo was het ook; Kees was dood. Drie dagen zijn verloopen en zijn kameraden zullen Kees naar zijn laatste rustplaats brengen. Er verschijnt een boerenwagen waarop een paar bossen stroo. Voorzichtig wordt de ruwhouten kist, die er niet heel solide uitziet, op het stroo geplaatst. Langzaam zet de stoet zich in beweging, de dragers achter den wagen aan. ’t Is een verre tocht, dien ze hebben af te leggen naar ’t Kruis (Hoofddorp, ET). Spoedig komen ze aan den eersten dwarsweg waar, zooals op alle punten waar de Hoofdvaart gesneden wordt door een dwarsweg, zich een heilig huisje bevindt, dat wil zeggen een strooien keet met wat plaggen gedekt, waar men toch 'wat krijgen' kan, een café dus. De dragers worden moe en één hunner stelt voor even halt te houden en in het café wat uit te rusten. Algemene instemming! Een poosje later verkondigen luide mannenstemmen daarbinnen dat het leed over den doode al wat zakt en men in opgeruimder stemming geraakt. Eindelijk verschijnt de stoet weer buiten, de koetsier neemt voor op de wagen zijn plaats weer in. “Nou” zegt er een, “de rooie was altijd zoo’n haantje de voorste en nou zou hij uit rijden gaan en wij loopen, dat gaat niet. Ik ben toch al zoo moe in m’n knieën. Ik ga op den wagen zitten”. De daad wordt bij het woord gevoegd en vervolgens nemen allen plaats op den rand van den wagen. ’t Gaat wel een beetje luidruchtig toe voor een begrafenisplechtigheid, wat er niet minder op wordt als ze weer eens gerust hebben. Als eindelijk voor de derde maal gepleisterd is, en men het hart versterkt heeft, wordt de tocht onder luid gezang voortgezet. Vroolijk klinkt maar steeds het refrein: “En hij is dood en hij is dood! En hij komt nooit weerom!'

Over het leven van de polderjongens schrijft ook Daniel Theodore Gevers van Endegeest, voorzitter van de Commissie van Beheer en Toezicht op de droogmaking van het Haarlemmermeer. In de studiezaal kan op aanvraag het boek van Gevers van Endegeest, 'Over de droogmaking van het Haarlemmermeer' worden ingezien.