Brand in de molen

Tekst: Joke Manshanden

Tekst: Joke Manshanden

In het archief van de Verenigde polder aan de Oostzijde van de Gouwe bevindt zich een zogenoemd ‘Resolutie Boek’ waarin op een beeldende wijze verslag wordt gedaan van het onderzoek naar het afbranden van de wipmolen in Randenburg op 20 augustus 1790.

Alvorens nader in te gaan op deze voor de polder zo dramatische gebeurtenis, nemen we een kijkje in de geschiedenis van deze polder.

De verenigde polder aan de oostzijde van de Gouwe heeft zijn naam te danken aan de verschillende blokken of polderdelen waaruit het bestond: Middelburg met Spoelwijk, Randenburg, Zuidwijk, Reijerskoop en de Biezen. De eerste verwijzing naar deze waterstaatkundige eenheid dateert uit 1357. Op Sint Lambrechtsdag werd een verdrag gesloten tussen Margriete van Langherack, abdisse tot Rhijnsburch; Dideric, Heer van Brederode; Harper van Foreest en Willem Mabeleij Joucke uit de Waerder enerzijds en die van Boskoop aan de Oostzijde van de Gouwe van Swelwijck, Middelburch en Randenburch anderzijds. In dit verdrag werd het die van Boskoop…vergund met een watergang – gekocht van de heer van Beijmond – uit te wateren op de IJssel. Tevens werd in dit verdrag geregeld dat deze watergang zou worden geschouwd door de schout van Middelburch met 2 heemraden, die van Boskoop met 3, die van Swelwijck (Spoelwijk) en die van Randenburch ieder met 1 heemraad. Later werd deze eenheid weer verbroken en verwierven verschillende "polderdelen" aparte bemalingen, bijvoorbeeld Middelburg (Spoelwijk) in 1494 en Randenburg in 1526.

Uitsnede uit overzichtskaart Rijnland

Detail kaartblad van de kaart van Rijnland, 1746.

Op 16 maart 1543 werd door Rijnland vergunning verleend voor een molen voor Reyerskoop en Middelburg, de latere Verenigde polder aan de Oostzijde van de Gouwe, nu als bemalingseenheid. De molen werd opgericht door Claes van Borsselen, ambachtsheer van Middelburg, samen met de buren van Middelburg en de buren van Reyerskoop en werd Randenburgse molen genoemd. Vanaf 1577 is er in het archief sprake van twee watermolens die de Kleine en Grote Molen werden genoemd. Beide molens malen uit op de Gouwe, de Kleine Molen staat in Randenburg, de Grote molen in Zuidwijk. Na afscheiding van het polderdeel Middelburg, in 1864, werd de Kleine Molen buiten gebruik gesteld en daarna afgebroken.

De molen in Randenburg werd door de jaren heen verschillende malen door brand getroffen. Het afbranden van windmolens kwam helaas nogal eens voor, ten gevolge van blikseminslag, het neerkomen van vonken op de rietbedekking van een molen, het ontstaan van wrijvingsvuur in de molenvang of om andere redenen. Men was dan ook zeer beducht voor brand en waakzaamheid was geboden. Zo ging de molenaar als er in de nabijheid van een windmolen brand was uitgebroken en de wegvliegende vonken door de wind op de rietbedekking van de molen dreigden te komen, vonken malen. De molenaar liet de wieken zo snel mogelijk draaien om door luchtzuiging te voorkomen dat er vonken op de molen terecht kwamen. Een molenbrand was erg ingrijpend, niet alleen de materiële belangen speelden een rol, maar ook was het voor velen alsof een levend wezen op de brandstapel werd verteerd. Ooggetuigen verhaalden weleens dat de wieken in vertwijfeling begonnen te draaien, vlak vóór het definitieve einde. De oorzaak hiervan lag in het doorbranden van de vang.

De Kaagermolen

Foto van een wipmolen, afgebeeld de Kaagermolen in Alkemade.

 

Terug naar het onderzoek naar het afbranden van de wipmolen van Randenburg. Schout en poldermeesters zijn bijeen op de 22e augustus 1790 “wegens het afbranden van de wipmolen van Randenburg op de 20e augustus gebeurd en et tot het onderzoek na de oorzaak derzelve”. Aan het nu volgende, integraal overgenomen, verslag te oordelen worden mogelijke getuigen na elkaar binnen geroepen en verhoord.

“Is binnen gestaan Arij van der Straaten Timmermans van de polders welke verklaarde van de molen om negen uuren te zijn afgegaan en niet eerder dan tusschen half een en een uuren des namiddags, iets van den brand vernoomen te hebben, als meede dat bij zijns weetens uijt geen pijp door zijn werkvolk aan den moolen gerookt is.

Ten tweede Frans Pingel, Timmermans knegt van Arij vander Straaten welke verklaarde uijt een pijp niet gerookt te hebben, en staande in de molen over twaalff uuren des namiddags het eerst den brand gezien te hebben boven het deurcousijn naer de kant van het Jaagpad, staande hij toen in het bovenhuijs bij de vang, en wijders geen oorzaak heeft kunnen nagaan waardoor de molen in brand kan geraaken, en verders dat hij niet gezien heeft dat iemand den geheelen dag in den molen uijt een pijp gerookt heeft.

Ten derde Jacob Marijt Timmermans knegt bij Arij van der Straaten welke verklaarde dat hij werkende met bovengen. Frans Pingel den brand het eerste ontdekt heeft, tussenchen twaalff en halff een uuren des namiddags op voorsz. plaats, dat uijt geen pijp dien geheelen gerookt nog gezien heeft dat iemand in de molen gerookt heeft.

Ten vierde Gerrit Goudkade Timmermans knegt bij Arij van der Straaten, welke verkaarde dat hij werkende boven op de kap is toegeroepen door Frans Pingel vuur, vuur naar beneden is geloopen en het aldaar ook dus bevonden heeft dat de molen in den brand stond, dat hij dien geheelen dag niet gerookt of gezien dat iemand in de molen uijt een pijp gerookt heeft.

Ten vijfde Manes Boekwijt Timmermansknegt bij Arie vander Straaten, welke verklaarde dat hij werkende onder bij de wateras, door de Rook die hij zag iets kwaads vreesende is naar buijte geloopen en gezien heeft dat de molen in den brand stond, verklaard verder niet gerookt oft gezien dat iemand uijt een pijp gerookt heeft.

Ten sesde Arij van Nel Timmermans knegt van Arij van der Straaten, welke verklaarde dat hij werkende aan het bovenhuijs. den brand het eerste gezien heeft boven het deurcosijn, naar de kant van het jaagpad, dat hij dien dag niet gerookt oft gezien heeft dat iemand uijt een pijp gerookt heeft.

Ten sevende Jan de Groen Moolenaar van de verbrande molen, welke verklaard dat hij werkende aan den dam in de Gouwe door Manes Boekwijt is toegeroopen dat er brand aan de molen was het welk hij toen ook bevond, dog zo min als de voorgaande getuigen daar eenige oorzaak daartoe vinden kon, dat hij wel gerookt; dog zijns weetens dien dag niet in de molen met zijn pijp geweest is en dat hij altoos een dopje op de zelve heeft. dat hij niet gezien heeft dat iemand dien dag uijt een pijp gerookt heeft.

Waarop dan geresolveert is een convocatie van ingelanden te bewegen tot het wederop bouwen van een nieuwe molen op dingsdag den 31 augustus dezes jaar en den secretaris gelast hiervan aan de ingelanden die buijten de polders woonen per missive kennis te geeven.”

 

 Molen van polder Rietveld

Foto van een achtkantige molen, afgebeeld de molen van polder Rietveld in Hazerswoude


Op 31 augustus kwamen bestuur en ingelanden bijeen. Aan de aanwezige ingelanden werd voorgesteld zo spoedig mogelijk een andere molen ter plaatse op te zetten in plaats van de verbrande wipwatermolen. Gevraagd werd wat het meeste nut voor de polder zou hebben, een achtkantige of een wipwatermolen. Na het opnemen van de stemmen bleek de meerderheid van de ingelanden voor het maken van een nieuwe achtkantige watermolen te zijn, schout en poldermeesters waren ook van mening dat dit tot het meeste nut en voordeel van de polder zou strekken. Het meeste verzet kwam van Joost Tukker, Jan Sterk, Jan van der Snoek, Cornelis Hooftman en P. Goudkade. Zij wilden geen nieuwe molen, de voornaamste reden waren de onkosten. Het bestuur kon hier natuurlijk geen gevolg aan geven. Daarom besloten zij het kerkgebod van Rijnland af te wachten. Besloten werd een verzoek bij dijkgraaf en hoogheemraden in te dienen om toestemming te krijgen voor het aanbesteden van een nieuwe achtkantige watermolen in de polder van Randenburg ter plaatse van de oude om daarmee het water uit de polder in de rivier de Gouwe uit te malen en om de kosten in de rekening van 1790 en in twee of drie volgende rekeningen te mogen brengen.

 

 Uitslag van de stemming

De uitslag van de stemming, het aantal morgens werd geteld.


Alvorens de aanvraag in behandeling werd genomen door de hoogheemraden van Rijnland werd het verzoek zondags na de mis in de kerken van Boskoop en Middelburg publiekelijk bekend gemaakt (kerkgebod), opdat een ieder die daartegen bezwaar had, z’n beklag kon doen. Niemand tekende verzet aan waarna de vergunning op 23 oktober 1790 werd verleend.