Christiaan Brunings (1736 – 1805)

Tekst: Eggo Tiemens

Tekst: Eggo Tiemens

De krantenjongen die het tot directeur schopt. Zo'n prachtige loopbaan kwam eeuwen geleden ook al in de waterstaatswereld voor. Eggo Tiemens beschrijft hoe het kan lopen: van de azijnfabriek tot grondlegger van Rijkswaterstaat.

'Nederlands Raad en Beschermer tegen de Woede der Zee en der Stormen'. Dit is de tekst op de grafsteen van Christiaan Brunings in de Grote of Sint-Bavokerk in Haarlem.

Met azijnlucht naar Rijnland

Wie had ooit kunnen denken dat de jongeman, toen hij nog werkte in azijnmakerij De Boog van zijn zwager, tot zo’n grote taak geroepen zou worden. Christiaan, geboren op 3 november 1736 in het Duitse Neckerau bij Mannheim, was de zoon van een predikant. Hij bezocht het gymnasium, ging studeren en kwam op zwart zaad te zitten. Toen kwam hij in de azijnmakerij in Nederland terecht. En daar ontmoette hij Jan Noppen (1704 – 1764), opzichter bij Rijnland. Noppen werd zijn leermeester en vertelde hem alles wat hij moest weten van muziek, wis- en natuurkunde, astronomie én waterbouwkunde. Het was de waterbouwkunde die zijn passie werd en hem tot grootse prestaties bracht. Op 25 mei 1765 volgde hij Noppen op en kreeg het vertrouwen van Rijnlands bestuur om in de ontstane vacature van toeziener te Spaarndam te voorzien.

Spaarndam en Katwijk

Daar was hij de eerst verantwoordelijke voor de instandhouding van de in het verleden steeds bedreigde Spaarndammerdijk, de zwakste schakel in de zeewering. De Spaarndammerdijk was de belangrijkste dijk ter bescherming tegen stormvloeden die via de Zuiderzee en het IJ het land bedreigden. Als de Spaarndammerdijk bezweek liep al het land tot Leiden aan toe onder water. Brunings zorgde voor droge voeten en nog veel meer en speelde tegelijkertijd een hoofdrol in de totstandkoming van het Katwijkse uitwateringskanaal en de sluizen daarin, een buitenkering en twee binnenkeringen. Dit werk klaarde hij in slechts drie jaar tijd. In 1808 was de verbinding met de Noordzee een feit.

 Portret van Christiaan Brunings

 Biografie

Hij had vele verdiensten voor Rijnland, in één van de in het archief aangetroffen stukken staat zelfs: 'Zijn verdiensten voor Rijnland kunnen naast zijn vele werkzaamheden moeilijk overschat worden. Zij zijn te veel in aantal om hier te vermelden'. Toch waagde men in 1984 een poging om 's mans verdiensten onder woorden te brengen. Op verzoek van het Bataafsch Genootschap der Proefondervindelijke Wijsbegeerte, de Hollandse Maatschappij der Wijsbegeerte én het hoogheemraadschap van Rijnland schreef P. van Schaik een zeer leesbaar, 87 pagina’s tellende biografie van Brunings. Hij is te vinden en te lezen in de bibliotheek van Rijnland.

Waterstaatsman

Ik stel mij niet voor om in een bescheiden stukje als dit Brunings' leven en werken recht te kunnen doen, daar heeft u echt op zijn minst dat boekje bij nodig. Niettemin wil ik u in deze bijdrage ook niet onthouden dat Brunings eigenlijk ruim dertig jaar hoofd van de Nederlandse waterstaat was en grondlegger van de rijkswaterstaat in moderne zin. Tussen zijn aanstelling in 1769 tot Inspecteur-Generaal van den Waterstaat der Bataafsche Republiek en zijn benoeming in 1803 tot Directeur van ’s Lands Rivier- en Zeewerken was hij óók in dienst bij Rijnland. Verder begaf hij zich zelfs op internationaal terrein door zijn bijdrage aan de totstandkoming van een verdrag in 1771 tussen de Koning van Pruisen en de Gewesten Holland en Gelderland over de verdeling van het Rijnwater over Waal, Nederrijn en IJssel. Ook werd hij bekend als de uitvinder van de tachograaf, een instrument voor het meten van stroomsnelheden. Hij bewoonde Rijnlands gemeenlandshuis te Halfweg, Zwanenburg genaamd en verrichtte daar meteorologische waarnemingen. Later bewoonde hij het gemeenlandshuis te Spaarndam, vanaf 1797 samen met zijn collega, leerling en vriend Frederik Willem Conrad en zijn gezin.

In het harnas

Op 25 mei 1805 zou Brunings veertig jaar in dienst zijn van Rijnland. Hij zou van Rijnlands bestuur een zilveren schenkbord met achttien grote zilveren lepels, messen en vorken krijgen, 'alsmede 12 dito voor het dessert'. Al dat moois zou in een cassette van mahoniehout met koper ingelegd persoonlijk aan de jubilaris overhandigd worden. U voelt het al aankomen, het kwam er niet van. Negen dagen voor zijn jubileumviering sterft Brunings in het harnas. Samen met Frederik Willem Conrad was hij op dat moment in Den Haag en druk bezig met de – vierde(!) – reorganisatie van de waterstaat. Conrad was bij dat overlijden aanwezig en schreef overstuur de volgende dag een brief aan de secretaris van Rijnland:

 'Zeer waarde vriend, Bereid u voor eene akelige tijding. Misschien weet gij die reeds. Onzen vriend Brunings betreft het. Hij, nauwelijks met mij gisteravond in Den Haag 10 minuten op zijne kamer in zijne logement volmaakt gezond. Sterft in weinige seconden in mijne armen aan de bersting van een water of etterzak in de borst. Geeft van deze akelige tijding bericht aan Hoogheemraden van Rhijnland en zijne vrienden. Het verlies is irreparabel. Mijn verlies kan ik met geen woorden uitdrukken in de ziel geheel en al bedroefd'.

Vriend en toeverlaat Conrad, de schrijver van de brief, zijn opvolger bij Rijnland én in Nederlandse staatsdienst, overleefde zijn leermeester slechts drie jaar en overleed nog geen veertig jaar oud in 1808. Hij werd begraven in het graf van Brunings. De namen van beiden zijn in de rij van grote en gedenkwaardige Rijnlandse mannen en gebeurtenissen op het fries in de grote zaal van het gemeenlandshuis in de Breestraat in Leiden terug te vinden.