Krijg de klere!

Tekst: Peter Siepman

Tekst: Peter Siepman

Epidemieën, zoals laatst de Mexicaanse griep, komen hier nog zelden voor. In de negentiende eeuw was dat anders. Ziekten als pokken, tyfus, dysenterie, difterie, kinkhoest, stuipen, mazelen, malaria en tuberculose braken regelmatig uit. De cholera sloeg zelfs drie maal toe. In 1866 was de laatste grote uitbraak van deze ziekte die in Nederland 21.000 mensen het leven kostte. Ook onder Rijnlands personeel vielen slachtoffers.

Over de oorzaak van de cholera tastte men op dat moment nog in het duister. De Duitse medicus Robert Koch zou pas in 1882 de tuberkel- en in 1883 de cholerabacil ontdekken. Gezien de slechte leefomstandigheden van het overgrote deel van de bevolking was het niet vreemd dat er regelmatig ziekten uitbraken. Grote gezinnen leefden onder gebrekkige hygiënische omstandigheden in kleine, bedompte huizen waar riolering en drinkwaterleiding ontbraken. Slootwater werd gebruikt als drink- en waswater. Langzamerhand vermoedde men wel een verband tussen de verspreiding van cholera en het gebruik van vervuild drinkwater.

Distributie van schoon drinkwater

Distributie van schoon drinkwater tijdens de cholera-epidemie in Hamburg, 1892

Geen medicijnen

Cholera begon meestal met onduidelijke symptomen, waarna hevige aanvallen van diarree en overgeven volgden. Een patiënt overleed vaak na drie of vier dagen, maar soms al na enkele uren door uitdroging. Medicijnen bestonden er niet. Er waren wel speciale choleradruppels verkrijgbaar die men met water moest innemen. Deze druppels bevatten opium, die de buikkrampen verminderden en een kalmerende werking hadden, maar besmetting niet voorkwamen.

Schoon Vecht- en duinwater

De cholera-epidemie van 1866 bereikte in de eerste week van juni de Haarlemmermeer dat zo'n 10.000 inwoners telde. Aan de Ringdijk, waar meest arbeiders woonden, vaak onder erbarmelijke omstandigheden, woedde de ziekte het hevigst. Als maatregel liet het gemeentebestuur onder aanvoering van burgemeester Amersfoordt schuiten met schoon drinkwater uit de Vecht en uit de duinen aanvoeren dat tegen een kleine vergoeding aan ingezetenen werd verstrekt. Amersfoordt liet ook het manegegebouw op zijn modelboerderij de Badhoeve als cholerahospitaal inrichten. Op andere plaatsen in de polder kwamen eveneens hospitalen voor choleralijders, ondermeer ter hoogte van mijlpaal 30.

Een cholerahospitaal

Een cholerahospitaal

Gezin van der Fange

In de laatste week van juni bereikte de epidemie Spaarndam. Johannes Ruijgvoorn, 38 jaar oud en sinds 1859 aardwerker in dienst van Rijnland overleed op 2 juli, een vrouw en een dochtertje achterlatend. Het gezin van David van der Fange, 33 jaar oud, 2e stoker op het gemaal te Halfweg en wonend in Spaarndam, werd het ergst getroffen. Drie van zijn vier kinderen, de oudste 9 jaar, stierven op 26 juni. Het vierde en jongste kind, slechts 9 maanden oud, stierf op 1 juli. Twee dagen later overleed ook David. Zijn vrouw, Cornelia van der Kwast, verloor daardoor in ruim een week heel haar gezin en bleef alleen achter.

Bouillon en vlees

Inmiddels kwam in Leiden in de vergadering van D&H van 30 juni het heersen van de cholera in Spaarndam ter sprake. Op advies van enkele artsen werd een tijdelijke verhoging van het weekloon van de werklieden overwogen "ten einde hen in staat te stellen tot het aanschaffen van krachtig voedsel tijdens het heerschen der ziekte". Die tijdelijke salarisverhoging kwam er niet, maar wel werd aan de opzichter te Spaarndam opdracht gegeven om waar nodig onmiddellijk hulp te verschaffen door het leveren van soep of andere krachtige spijs.

                                                         Drukwerk preventie cholera

 

 

          Brochure over de cholera uit 1866

 

 

 

 

De daarop volgende weken werd aan de werklieden bouillon en vlees uitgedeeld. Drie weken later, er was ƒ 75,- besteed aan het verstrekken van krachtig voedsel, werd vanwege de voortdurende behoefte aan de Verenigde Vergadering een krediet van ƒ 200,- gevraagd. Als motivatie werd genoemd dat de verspreiding van de cholera in de gezinnen van vele werklieden te wijten was aan onvoldoende voeding. Het zou daarom goed zijn om zolang de epidemie aanhield om te Spaarndam en te Halfweg, waar de ziekte ook was uitgebroken, betere voeding zoals vlees of andere versterkende spijs uit te delen. De Verenigde Vergadering, het dagelijks bestuur prijzend om de maatregelen die het tot dusverre genomen had, verleende het gevraagde krediet ruimhartig omdat "de ziekte, vooral in het zeer behoeftige Spaardam, nog steeds voortwoedt."

Rekening voor geleverd vlees

Rekening voor geleverd vlees

Grote sterfte

Half augustus 1866 was de epidemie voorbij. In de Haarlemmermeer waren er op een bevolking van ongeveer 10.000 inwoners 105 dodelijke slachtoffers te betreuren. In Spaarndam overleden 16 van de 466 inwoners aan de cholera. Daaronder zoals we zagen vijf leden van gezin van David van der Fange, 2e stoker op het gemaal te Halfweg.  Op andere plaatsen binnen Rijnland was de sterfte nog groter. In Katwijk bijvoorbeeld stierven 188 personen ofwel 1 op de 29 inwoners. In Rijnsburg waren het 139 ofwel 1 op de 14. In laatst genoemde plaatsen waren merkwaardig genoeg geen Rijnlanders onder de overledenen.

Aan versterkend voedsel werd uiteindelijk ƒ 159,84 uitgegeven. De weduwen van de aan de cholera bezweken werklieden kregen van Rijnland een eenmalige tegemoetkoming voor het geleden verlies. De weduwe van Johannes Ruijgvoorn ontving ƒ 15,-. Aan de weduwe van David van der Fange, Cornelia van der Kwast, werd ƒ 10,- uitgekeerd. Cornelia bleek ondanks het geleden verlies veerkrachtig genoeg om de draad van het leven weer op te pakken. Nadat zij twee jaar later hertrouwde werd binnen een half jaar het eerste kind uit een rij van zeven geboren. Bij elkaar opgeteld kreeg zij uit twee huwelijken twaalf kinderen. Daarvan zag zij er vier de volwassen leeftijd bereiken.