Pieter van der Does (1)

Tekst: Peter Siepman

Tekst: Peter Siepman

Een avond in oktober 1599. In het duister ligt een scheepsmacht voor Santo Thomé. Het is een macaber gezicht als tegen middernacht een handjevol mannen het gekiste lijk van de bevelhebber van boord draagt. Het is jonkheer Pieter van der Does, admiraal van de Hollandse vloot en baljuw en dijkgraaf van Rijnland.

Een avond in oktober 1599. In het duister ligt een scheepsmacht voor Santo Thomé, een eiland, gelegen op de evenaar aan de westkust van Afrika. Het is een macaber gezicht als tegen middernacht een handjevol mannen het gekiste lijk van de bevelhebber van boord draagt. In alle stilte begeeft de kleine groep zich naar de stad en gaat een huis binnen. Daar wordt de lijkkist diep in de grond begraven. Nadat de mannen het huis verlaten hebben steken zij het, met de aangrenzende woningen, in brand. Dat is het definitieve einde van jonkheer Pieter van der Does, admiraal van de Hollandse vloot en baljuw en dijkgraaf van Rijnland, overleden na een korte, zeer besmettelijke ziekte in een ver land.

Dijkgraaf van Rijnland? Jazeker. Wij hebben het hier over een man van grote verdienste, wiens mooie carrière op een wel heel ongelukkige manier werd afgebroken. Mede daardoor is hij, mijns inziens onterecht, wat in de vergetelheid geraakt. Tijd dus om wat nader stil te staan bij het leven van Pieter van der Does, dijkgraaf van Rijnland van 1588 tot 1599.

Pieter van der Does, die zichzelf overigens altijd aanduidde als Peter, werd op 17 januari 1564 in Leiden geboren als zoon van jonkheer Jacob van der Does en Clara van Adrichem. Vader Jacob, ook hoogheemraad van Rijnland, speelde naast zijn verre neef Johan van der Does (Janus Dousa) een belangrijke rol tijdens het tweede beleg van Leiden in 1574. Met zijn neef werd Jacob in die dagen door prins Willem benoemd tot stadsgouverneur. Zij bleven dat ook na het ontzet. Zoals gebruikelijk in zijn milieu kreeg Pieter, die opgroeide in Leiden, een goede opvoeding, waarna hij op zijn vijftiende als adelborst in zeedienst trad. Al jong nam hij deel aan vele gevechten, zowel ter zee als ter land. Zijn militaire loopbaan verliep voorspoedig en in augustus 1586 werd Pieter door prins Maurits aangesteld als superintendent voor de vloot. Nog in datzelfde jaar huwde hij met Phillipota van Duvenvoirde, jongste zuster van Johan van Duvenvoirde, heer van Warmond. Van Duvenvoirde bekleedde veel belangrijke functies, en was ook vele jaren hoogheemraad van Rijnland. In 1588 kwam de post van baljuw en dijkgraaf van Rijnland vrij doordat Foy van Brouchoven zijn functie neerlegde. Hij volgde zijn vader Jan van Brouchoven op als rentmeester van Rijnland, wat tot nadenken stemt over de werkelijke machtsverhoudingen als de stap van dijkgraaf naar rentmeester als promotie werd gezien.

Benoemingen

Door prins Maurits werd Pieter van der Does als opvolger van Foy van Brouchoven voorgedragen. Op 2 juli 1588 werd hij door de Staten van Holland en West-Friesland benoemd tot baljuw en dijkgraaf van Rijnland. Tevens werd hij benoemd tot schout van Leiden en van een aantal ambachten in de omgeving. Dat alles "op de goede kennise die de Staten voornoemd hebben van de getrouwigheijd, qualiteijt ende goede ervarentheijd van den perzoon van jonkheer Pieter van der Does". Vijf dagen later werd hij beëdigd als baljuw en dijkgraaf van Rijnland. Prins Maurits, zo jong als hij toen was, was al bezig zijn macht te vergroten. Vooral op het krijgsbedrijf wilde hij meer greep krijgen, het liefst zonder zich veel aan te trekken van de Staten van Holland. In dat licht past ook zijn voordracht van de militair Van der Does als dijkgraaf van Rijnland. De heren moeten elkaar van jongsaf aan gekend hebben, immers Maurits studeerde in Leiden en de Van der Doesen verkeerde in de kring rond de Oranjes. Een militair en vertrouweling op de post van dijkgraaf was belangrijk gezien het strategisch belang van Rijnland met het Haarlemmermeer ten opzichte van de steden Haarlem en Amsterdam. Op het moment van zijn benoeming was de toestand voor de tegen Spanje strijdende landsdelen weinig rooskleurig. De Spaanse hertog van Parma behaalde de ene overwinning na de andere. Van de zeventien gewesten waren alleen Zeeland, Holland, Utrecht en Friesland in handen van de opstandelingen.

Strijd tegen Armada

Nog maar nauwelijks was Pieter aangetreden als dijkgraaf of hij werd al weggeroepen om als superintendent een bijdrage te leveren aan de ondergang van de Spaanse Armada, de onoverwinnelijke vloot. Die was vertrokken vanuit Spanje om Engeland te veroveren. Na ruim een week varen bereikte de Armada eind juli het Kanaal waar zij in strijd raakte met de Engelse vloot. Van der Does lag met een Hollands eskader voor de Vlaamse kust om de landvoogd, de hertog van Parma, te beletten zich met zijn troepen bij de Armada te voegen.

Wimpel van het schip, de San Matteo

De wimpel van het door Van der Does buitgemaakte schip, de San Matteo

 

In de strijd zag Pieter kans om een paar afgedreven Spaanse galjoenen de grond in te boren en een paar andere te veroveren. De wimpel van het buitgemaakte schip de San Matteo werd door hem meegenomen naar Leiden en aangeboden aan de Pieterskerk. Na enkele eeuwen daar gehangen te hebben werd hij overgebracht naar het Stedelijk Museum De Lakenhal, waar hij nu nog is te zien. Als beloning voor zijn gedrag werd Pieter van der Does eind 1588 benoemd tot luitenant-admiraal van Holland.

In de volgende jaren oefende Pieter zijn functie van dijkgraaf gewoon uit. De vergaderingen van dijkgraaf en heemraden woonde hij meestal bij. Het is voor ons een vreemd idee, maar als dijkgraaf Van der Does niet ergens aan het vechten was zat hij, bij wijze van spreken, gewoon op kantoor. Maar ook daar hoefde hij zich niet te vervelen. Rijnland was eeuwenlang rechtbank voor waterstaatszaken en de taak van de dijkgraaf was daarbij zo ongeveer die van rechter en officier van justitie ineen. In die hoedanigheid moest Pieter veelvuldig op pad, dat wil zeggen Rijnlands gebied in om overtredingen van uiteenlopende aard op te sporen. In de zogenaamde dingboeken in Rijnlands archief zijn de rechtbankverslagen te vinden. Die geven een boeiend beeld van waar de dijkgraaf zoal mee werd geconfronteerd

Een heterdaadje

Een toevallig bewaard gebleven procesverbaal uit 1592 geeft een prachtig voorbeeld van hoe de dijkgraaf te werk kon gaan. Op de avond van 17 februari van dat jaar toog Van der Does, samen met de secretaris Dirc van Egmond en de heemraadsbode Jan Cornelisz. Maas naar Zwammerdam. Daar had iemand fuiken gezet in de openingen van de Zwammerdamsebrug. Ten strengste verboden natuurlijk, want dat belet de doorstroming van het water. Het kan bijna niet anders of de dijkgraaf en zijn companen moeten er een zeker genoegen in hebben geschept om vanuit het donker op te duiken om de dader, Cornelis Jansz. van Catz in zijn kraag te vatten. Een heterdaadje eigenlijk. Voor iemand met de oorlogservaring van Pieter van der Does was dit natuurlijk kinderspel. Inmiddels was prins Maurits, bijgenaamd de stedendwinger, meester in de belegeringskunst, bezig het leger te reorganiseren. Eén van de belangrijkste veranderingen die hij doorvoerde was het verrichten van schansarbeid door de eigenmanschappen. In plaats van ingehuurde boeren en arbeiders moesten soldaten nu zelf de spade ter hand nemen om bij belegeringswerk grond te verzetten. Het stuitte bij het krijgsvolk op veel weerstand, maar het zou een uiterst effectieve maatregel blijken.

Dijkgraaf gevorderd

Eind 1592 trof Maurits voorbereidingen voor een veldtocht in het volgende jaar. In een brief aan Rijnland schreef hij: "Wij hebben omme eenige mercklicke consideratien noodich gevonden Joncker Pieter van der Does, dijckgrave van Rijnlandt, voor eenigen tijt in sekere saecken streckende zunderlinghe totter landen dienst te employeren..." Met andere woorden: ik heb jullie dijkgraaf nodig om oorlog te voeren. Onderdeel van de veldtocht van 1593 was de belegering van het strategisch belangrijk gelegen vestingstadje Geertruidenberg. Kennelijk op weg daar naar toe schreef Pieter van der Does op 27 maart 1593 vanuit Dordrecht een brief aan hoogheemraden waarin hij aangaf dat hij de eerstvolgende rechtdag niet aanwezig kon zijn om dat hij te druk is met de oorlog: "Alsoe ick mij een tijt lang ten dienste van 't gemene lant ten oorloge sal moeten laeten gebruycken ende de oversulcx upten ordinaris rechtdach den eersten aprilis ende de naervolgende daegen upten Sparendamschendijck niet ende sal mogen compareren..." Hij verzocht hoogheemraden dan ook om uit hun midden voor die gelegenheid een waarnemend dijkgraaf te kiezen.

Brief van prins Maurits

In deze brief, d.d. 6 november 1592, zegt Maurits dat hij Van der Does nodig heeft voor de oorlog (Oud Archief Rijnland)

 

[Wordt vervolgd]