Rijnland en de stormvloedramp van 1953

Tekst: Peter Siepman

Tekst: Peter Siepman

Op 1 februari was het 60 jaar geleden dat het zuidwesten van Nederland werd getroffen door De Ramp. Iedereen weet wat er toen gebeurde en hoe erg toen het leed was onder de bevolking. Hoewel onze zeewering stand hield, kreeg Rijnland er wel mee te maken.

De storm steekt op

Al vanaf vrijdagavond 30 januari gaf het KNMI waarschuwingen uit voor de naderende zware noordwesterstorm. Een dag later liet het instituut om 18.00 uur via de radio het volgende bericht uitgaan: 'Boven het noordelijk en westelijk deel van de Noordzee woedt een zware storm tussen noordwest en noord. Het stormveld breidt zich verder uit over het zuidelijk en oostelijk deel van de Noordzee. Verwacht mag worden dat de storm de gehele nacht zal voortduren'. Hoewel het laagwater was stond die zaterdag het waterpeil aan de zuidwestkust van Nederland aan het eind van de dag, omstreeks middernacht, ongeveer even hoog als het normaal bij hoogwater staat. Bovendien was het springtij, wat betekende dat het waterpeil bij de opkomende vloed nog extra steeg.

Rijnlands waterkering tegen de Noordzee houdt zich goed

Door de storm werd het zeewater voor Katwijk in de nacht van 31 januari op 1 februari tegen 5 uur 's nachts tot bijna 4 meter boven NAP opgejaagd, 45 cm boven de tot dan hoogst bekende stand, gemeten in 1825. Rijnland kon weinig meer doen dan afwachten. Enkele dagen na de storm namen dijkgraaf en hoogheemraden in Katwijk de stormschade aan Rijnlands belangrijkste buitenwaterkering, de duinkust, en het in aanbouw zijnde nieuwe gemaal in ogenschouw. Het duintalud bleek over de hele 40 km lange Rijnlandse kust gemiddeld 15 meter afgeslagen. Maar de duinenrij bleek breed genoeg. Er was op geen enkele plaats sprake geweest van overstromingsgevaar. Wel waren de aan de zeekant gelegen bunkers, overgebleven uit de oorlogstijd, veelal ondermijnd en ingestort.

Katwijkse uitwatering verzand

Verwijderen van het zand bij de Katwijkse uitwatering

Het uitwateringskanaal te Katwijk was zodanig met zand dichtgeslagen dat het niet van het strand te onderscheiden was. Maar zowel de Buitensluis als het nieuwe gemaal hadden slechts lichte schade opgelopen. Zolang echter het uitwateringskanaal dicht lag met zand kon het oude gemaal niet gebruikt worden. Daarom werd in de dagen na de storm onmiddellijk begonnen met het verwijderen van zand. 's Avonds 12 februari was men daarmee zover dat het gemaal weer in zeer beperkte mate ingezet kon worden, op 11 maart kon weer geloosd worden door drie van de vijf sluisopeningen.

Katwijkse uitwatering verzand

Verwijderen van het zand bij de Katwijkse uitwatering.

 Hulpverlening door Rijnland

Toen duidelijk werd dat Rijnland de stormnacht zonder noemenswaardige schade was doorgekomen, werd op verschillende manieren begonnen met het leveren van hulp aan de getroffen gebieden. Het voltallig personeel gaf al de volgende dag gehoor aan de radio-oproep van 4 februari om 1% van het maandsalaris over februari af te staan ten behoeve van de slachtoffers van de watersnoodramp. Er werd materiaal in de vorm van basalt, stortsteen, balken en palen beschikbaar gesteld en verschillende Rijnlanders werden ter assistentie naar waterschappen in het rampgebied uitgezonden. Onder meer naar De Hoeksche Waard, voor welk waterschap ook de kohieren en aanslagbiljetten voor de aanslag 1953 in Leiden werden getypt. Aan het waterschap Schouwen vond een bijzondere vorm van hulpverlening plaats. Het nat geworden archief werd in kisten overgebracht naar Leiden waar het op de zolders van het gemeenlandshuis werd gedroogd. Het hele archief, bestaande uit 492 delen, werd hier ook opnieuw ingebonden. Rijnlands secretaris, mr. S.J. Fockema Andreae, deed een boekje verschijnen over Zuid-Hollandse watersnoden in vroeger tijd waarvan de opbrengst was bestemd voor het Nationaal Rampenfonds.

 

Machtiging inhouden salaris

Aanhef van de machtiging om 1% van het salaris over februari in te houden. Het voltallig personeel ondertekende die.

Opzichter Van Meesche

De Rijnlander die wellicht de meeste ellende van nabij heeft gezien, is opzichter 3e klasse Van Meesche. Op dinsdag 3 februari 1953, twee dagen na de ramp, vertrok hij 's morgens om 5.30 uur vanuit Spaarndam met een op een trailer geladen motorboot naar de Waalhaven in Rotterdam om van daaruit ingezet te worden bij de hulpverlening aan de ergst getroffen gebieden. De eerste dag deed de boot in Zeeland dienst als radioboot, onder andere in Bruinisse, Zierikzee en Ierseke. De tweede dag werden met de boot in Oude Tonge 30 à 40 mensen gered. Steeds werd op volle kracht gevaren, wat bepaald niet ongevaarlijk was. Er waren dan ook momenten dat Van Meesche vreesde met boot en al in de golven te verdwijnen. In de nacht van 6 februari keerde hij met een opgezet gezicht en opgezette handen van het zeewater terug in Spaarndam. De motorboot was wegens mankementen niet langer inzetbaar.