Smeergeld voor de dijkgraaf

Tekst: P.F. Schevenhoven

Tekst: P.F. Schevenhoven

Een cadeautje voor een overheidsfunctionaris wegens een door hem geleverde dienst: in Nederland anno 2005 botst dat al gauw met het begrip integriteit. En omdat integriteit één van de drie cultuurkenmerken van het nieuwe Rijnland is, is het leuk om te zien dat in het oude Rijnland, bijna 270 jaar geleden, anders tegen zulke cadeautjes aangekeken werd.

Op zaterdag 10 november 1736 betraden vijf heren het Gemeenlandshuis van Rijnland aan de Breestraat. De belangrijkste van het vijftal was Cornelis van Schellingerhout, baljuw en schout van Esselijkerwoude en dijkgraaf van de veenderij en droogmakerij die later bekend zou staan als de Vierambachtspolder. Hij werd vergezeld door drie heemraden. Twee van hen waren ook schout, in de ambachten Ter Aar en Oudshoorn. De vijfde man was de schout van Rijnsaterwoude, die geen functie in het bestuur van de veenderij en droogmakerij vervulde.

Portret van dijkgraaf Johan van den Bergh

De heren hadden vier zakjes bij zich, elk zakje gevuld met 600 gulden. Het bedrag van 2400 gulden – waarvoor de gemiddelde werkman in die tijd acht jaar moest werken – was bestemd voor de dijkgraaf van Rijnland, Johan van den Bergh.

Van den Bergh, die ook burgemeester van Leiden was, was al 72. Elf jaar eerder had hij het ambt van dijkgraaf verworven. Dat was niet vanzelf gegaan. De dijkgraaf werd benoemd door de Staten van Holland en die hadden tot dan toe altijd iemand van adel benoemd. Van den Bergh was niet van adel. Hij en zijn collega-stadsbestuurders hadden in de zomer van 1725 alle steden in Holland bezocht om steun voor zijn kandidatuur te krijgen. Dat was gelukt, na de nodige toezeggingen dat Leiden op zijn beurt kandidaten uit die steden zou steunen als er andere functies te vergeven waren. Voor wat hoort wat. 

Een grote droogmakerij

Door turfwinning, ook vervening genoemd, waren grote delen van Rijnland veranderd in waterplassen. In 1732 verzochten de ambachtsbesturen van Esselijkerwoude, Ter Aar, Oudshoorn en Rijnsaterwoude aan de Staten van

Holland om goedkeuring van een plan tot bedijking en droogmaking van een grotendeels verveend gebied in hun ambachten. Twee jaar later brachten dijkgraaf en hoogheemraden van Rijnland een positief advies uit over dit plan. Op 11 januari 1736 verleenden de Staten van Holland de gevraagde vergunning. Hierbij werd ook een reglement voor het bestuur van de droogmakerij vastgesteld, dat onmiddellijk in werking trad.

Het bestuur bestond uit een dijkgraaf en zes heemraden. De schouten van Esselijkerwoude, Ter Aar en Oudshoorn maakten er altijd deel van uit. Bij toerbeurt zou één van hen dijkgraaf zijn en de beide anderen heemraad. Omdat slechts een klein stukje van de droogmakerij onder Rijnsaterwoude viel, was de schout van dat ambacht niet in het bestuur opgenomen. De droogmakerij kwam tussen 1736 en 1744 tot stand en zou bekend worden als de Vierambachtspolder. Het was op dat moment de grootste droogmakerij in Rijnland.

Smeergeld

De procedure om van de Staten van Holland vergunning voor de droogmaking te krijgen had veel tijd gekost: vier jaar. De kosten van het opmaken van het plan en van het verkrijgen van de vergunning bedroegen meer dan 22.000 gulden. Deze kosten werden in een rekening verantwoord. De lijst van uitgaven bevat ook een post van 2400 gulden ten behoeve van een 'verering' voor de dijkgraaf van Rijnland. Het initiatief voor dit cadeautje lag niet bij de gevers, maar bij de ontvanger.....

In de vergadering van het bestuur van de droogmakerij van 8 oktober 1736 deelde dijkgraaf Van Schellingerhout mee dat Johan van den Bergh, dijkgraaf van Rijnland, verwachtte dat het bestuur hem voor gedane diensten voor het verkrijgen van de vergunning en overeenkomstig het gebruik in gelegenheden als deze een verering zou geven. Een bedrag had Van den Bergh niet genoemd. Het bestuur van de droogmakerij besloot hierover in de volgende vergadering een besluit te nemen. 

De notulen van die volgende vergadering zijn verloren gegaan, maar hoe het besluit is uitgevoerd, is bekend. Vijf heren uit de Vierambachtspolder reisden naar Leiden, wachtten de dijkgraaf van Rijnland op in het Gemeenlandshuis en verklaarden dat zij hem een verering wilden doen van vier zakjes, ieder met een inhoud van 600 gulden. Dit alles voor de diensten die hij voor het verkrijgen van de vergunning had verricht en omdat zij gehoord hadden dat zoiets bij dergelijke gelegenheden gebruikelijk was.

Vervolgens begaf men zich naar het huis van Van den Bergh, waar dijkgraaf Van Schellingerhout in aanwezigheid van zijn metgezellen de zakjes met inhoud aan zijn Rijnlandse collega overhandigde. Deze verklaarde hierop zeer wel voldaan te zijn en bood aan de gevers ‘bij alle gelegentheden dienst en pleijsier te doen’.

Verslag van bezoek aan de dijkgraaf

De vijf heren reisden terug naar hun dorpen, maakten een verslag op van hun bezoek aan de dijkgraaf van Rijnland en van de overhandiging van het geld, en voegden dit verslag als bewijsstuk bij de rekening van uitgaven ten behoeve van de totstandkoming van de droogmakerij. Door middel van de omslag werd het cadeautje aan de dijkgraaf van Rijnland door de ingelanden van de latere Vierambachtspolder betaald.

En de 72-jarige dijkgraaf van Rijnland? Die leefde nog heel lang. In 1751 kreeg hij van de Staten van Holland op eigen verzoek ontslag. Zijn motivering om ontslag te vragen was zijn hoge leeftijd en de zwakheden en ongemakken die een hoge ouderdom onvermijdelijk vergezellen, zoals hij het uitdrukte. Vier jaar later overleed Johan van den Bergh op de voor die tijd buitengewoon hoge leeftijd van 91 jaar.