Om een weloverwogen beslissing te maken over wat met een onderbemaling moet gebeuren, is een afwegingsboom gemaakt. Deze is onderverdeeld in verschillende stappen.
Stap 1: Toetsing aan de NUP
De eerste stap is het toetsen aan de toetsingscriteria van de NUP. Een onderbemaling heeft in principe recht van bestaan, wanneer deze voldoet aan een van de volgende normen:
1. Indien de hoogteligging van het maaiveld in een bepaald gedeelte van een peilgebied in opvallende mate afwijkt van de hoogteligging van het peilvak waarin de onderbemaling ligt. Onder “hoogteligging die in opvallende mate afwijkt” wordt bedoeld het verschil in gemiddelde maaiveldhoogte van de percelen waarvoor vergunning is aangevraagd t.o.v. de gemiddelde maaiveldhoogte van de bij het peilbesluit betrokken percelen, waarbij het verschil ten minste 10 cm bedraagt.
2. indien het grondgebruik in een bepaald gedeelte van een peilgebied in opvallende mate afwijkt van het grondgebruik in het omringende gebied. Onder “grondgebruik dat in opvallende mate afwijkt” wordt bedoeld een grondgebruik dat een drooglegging vereist dat ten minste 10 cm afwijkt van het gemiddeld grondgebruik*.
- Het peilbeheer moet worden afgestemd op de functies die door de provincie aan het gebied zijn toegekend en als zodanig zijn vastgelegd in het bestemmingsplan. Voor het bepalen van grondgebruik wordt er dus gebruik gemaakt van de functies zoals in de streekplannen staan beschreven. Is de toegekende functie afwijkend van het vigerende bestemmingsplan, dan geldt dat er geen onomkeerbare maatregelen worden genomen die de beoogde functie benadelen.
|
In de NUP wordt geen uitspraak gedaan over het vergelijken van onderbemalingen met het omringende gebied wanneer het een onderbemaling betreft die een andere grondsoort heeft dan het omringende gebied. Bij de bovenstaande toetsingsnormen wordt er in het eerste geval vanuit gegaan dat het maaiveldhoogteverschil wordt berekend voor dezelfde grondsoorten. M.a.w. bestaat een peilvak gedeeltelijk uit klei en gedeeltelijk uit veen, dan wordt een onderbemaling die alleen uit veen bestaat, vergeleken met de gemiddelde maaiveldhoogte van het veen in het peilvak. Dit omdat bij de vaststelling van het peilbesluit met alle voorkomende grondsoorten rekening wordt gehouden. Voor de tweede toetsingsnorm geldt dat droogleggingsnormen in ieder geval zijn gekoppeld aan grondsoort, dus het verschil in grondsoort is hierin al meegenomen.
|
Voldoet een onderbemaling aan een (of beide) van bovenstaande criteria, dan heeft deze in principe recht van bestaan. Voordat definitief kan worden besloten of de onderbemaling recht van bestaan heeft, dient gekeken te worden of er zwaarwegende belangen zijn die het voortbestaan van de onderbemaling in de weg staan. Dit is weergegeven in stap 2a.
Voldoet een onderbemaling niet aan een van de bovenstaande criteria, dan dient te worden gekeken of er zwaarwegende redenen zijn die het opheffen van de onderbemaling in de weg staan. Dit is weergegeven in stap 2b.
Stap 2: toetsing aan zwaarwegende belangen
Stap 2a
Voldoet een onderbemaling aan een of beide van bovenstaande criteria, dan geeft de NUP daarnaast een aantal zwaarwegende belangen aan die het voortbestaan van de onderbemaling in de weg kunnen staan. Onderzocht moet worden of er belangen in het geding zijn die zwaarder wegen dan het belang waarop de peilafwijking zich richt. In dit kader dient nagegaan te worden of de peilafwijking zich verdraagt met de volgende belangen:
a) de belangen van de ruimtelijke ordening;
b) de belangen van natuur, landschap en milieu;
c) de vrees die in het algemeen bestaat voor een verbrokkeling van het peilbeheer, waarvan sprake is wanneer de onderlinge samenhang in het waterbeheersingsysteem slecht is te overzien en te bewaken;
d) het toenemen van kwel en verzilting in het betrokken gebiedsdeel;
e) bemoeilijking van doorspoeling van peilgebieden met het oog op de waterkwaliteit;
f) het optreden van mogelijke schade aan gebouwen.
De bovenstaande zwaarwegende belangen dienen afgewogen te worden tegen de belangen die een onderbemaling dient. Is een van de bovenstaande zwaarwegende belangen doorslaggevend, zodat de onderbemaling niet kan blijven voortbestaan, dan wordt de onderbemaling opgeheven.
Zijn er geen zwaarwegende belangen die tot opheffing zouden moeten leiden, dan heeft de onderbemaling in principe recht van bestaan. Dit zegt nog niets over in welke vorm; m.a.w. er is nog geen uitspraak gedaan over de toekomstige juridische vorm (vergunnen of overnemen) en de uiterlijke vorm (grootte en peil). Vervolgens dient door te worden gegaan met stap 3.
Stap 2b
Echter, voldoet een onderbemaling niet aan een van de stap 1 genoemde criteria, dan wordt de onderbemaling in principe opgeheven. Behalve wanneer er dusdanig zwaarwegende belangen aanwezig zijn, waardoor opheffing niet mogelijk is.
Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer de onderbemaler schade lijdt als gevolg van de opheffing welke niet in verhouding staat tot de meerwaarde van de opheffing voor de waterbeheerder.
In dit geval wanneer de onderbemaling aan de onderstaande drie criteria voldoet:
- de onderbemaling ligt niet in een zakkingsgevoelig gebied;
- de onderbemaling in een gebied ligt waar ecologie géén zwaarwegende rol speelt;
- de onderbemaling het watersysteem van het omliggende peilvak niet hindert.
Het al lange tijd bestaan/gedogen van een onderbemaling wordt niet als zwaarwegend belang bezien. Anders gezegd: een onderbemaling vergaart geen recht van bestaan door het feit van al lang aanwezig te zijn.
Het feit dat een onderbemaler schade lijdt als gevolg van de opheffing van de onderbemaling is in principe ook geen reden om een onderbemaling niet op te heffen. Dit omdat het hoogheemraadschap beschikt over een schadevergoedingsregeling (artikel 40 uit de Wet op de Waterhuishouding).
Stap 3: Vrijwillig opheffen
De onderbemalingen die nu nog over zijn hebben allen in feite recht van bestaan. Mocht de mogelijkheid zich voordoen dat de gebruiker/eigenaar, bereid is zijn onderbemaling op te heffen tegen een financiële compensatie, dan zal een separaat voorstel voorgelegd worden aan het College van Dijkgraaf en Hoogheemraden. Daarnaast zal het vrijwillig opheffen van de onderbemaling gestimuleerd worden door het materiaal –in de vorm van baggerspecie- voor het ophogen aan te bieden
Stap 4: Maatregelen mogelijk
Wanneer het opheffen van de onderbemaling niet mogelijk of wenselijk is, heeft de onderbemaling recht van bestaan. In dit geval dient worden nagegaan of maatregelen mogelijk zijn om de negatieve effecten, die de onderbemaling op het watersysteem heeft, ongedaan te maken. Deze maatregelen dienen dan te worden uitgevoerd door de direct belanghebbende.
Dit kan bijvoorbeeld inhouden dat de locatie of capaciteit van het onderbemalingsgemaal moet worden aangepast. De kosten die deze aanpassing met zich meebrengt dienen door de direct belanghebbende worden betaald.
Stap 5: Samenvoegen
Allereerst wordt gekeken naar het fysieke voorkomen van de peilafwijking. Om versnippering van het watersysteem tegen te gaan en hierbij aansluitend om tegen te gaan dat verschillen ontstaan in maaiveldhoogte, wordt allereerst gekeken of peilafwijkingen die naast elkaar liggen, samengevoegd kunnen worden. Met samenvoegen wordt bedoeld het op hetzelfde peil brengen van de onderbemalingen/hoogwatervoorzieningen. Voor onderbemalingen in veengebieden geldt dat het qua peil samenvoegen van de naast elkaar gelegen onderbemalingen, een extra voordeel met zich meebrengt en dat is omdat de maaiveldhoogtes van de onderbemalingen naar elkaar toe kunnen‘groeien’.
Wanneer onderbemalingen of hoogwatervoorzieningen hetzelfde peil kunnen krijgen, dan wordt in de volgende stappen deze samengevoegde onderbemalingen als geheel bekeken.
Stap 6: omvang onderbemaling beperken
Het tweede fysieke aspect van de onderbemaling waar naar gekeken moet worden, is de maaiveldhoogte op perceelsniveau. Wanneer een onderbemaling bestaansrecht heeft verkregen alleen op basis van maaiveldhoogteverschil, dan is gekeken naar de gemiddelde maaiveldhoogte van het totaal onderbemalen gebied. Het is echter mogelijk dat een gedeelte van de onderbemaling niet aan de toetsingsnormen voldoet. In deze stap wordt dus voor onderbemalingen die op basis van afwijkende maaiveldhoogte recht van bestaan hebben gekregen, op perceelsniveau gekeken naar de maaiveldhoogte en bepaald of de onderbemaling kan worden verkleind. Dus percelen die een maaiveldhoogte hebben die minder dan 10 cm afwijkt van het omringende gebied, zullen van de onderbemaling worden afgescheiden.
De volgorde tussen de vorige stap en deze is bewust gekozen. Hierin ligt het principe vastgelegd dat het samenvoegen tot een grotere beheerseenheid voorrang heeft boven het verkleinen van individuele onderbemalingen. Zo kan namelijk een groter aaneengesloten gebied ontstaan. Zie de hierna weergegeven tekening.
Stap 7: vergunnen versus overnemen
Na het doorlopen van voorgaande stappen is bepaald uit welke percelen uiteindelijk de onderbemaling zal bestaan. Regulering vindt dan plaats in de vorm van overnemen of vergunnen. Wanneer de peilafwijking middels een vergunning gereguleerd wordt, zullen in er uitgebreide vergunningsvoorwaarden gesteld worden. Deze betreffen onder andere:
- het te hanteren oppervlaktewaterpeil[1]; en
- de capaciteit van de bemalinginstallatie (onderbemaling)[2]
- de capaciteit van de duiker waarmee water wordt ingelaten (hoogwatervoorziening).
Het hoogheemraadschap is van mening dat het uitvoerende beheer van een onderbemaling dient te worden gezien als overheidstaak, oftewel de onderbemaling wordt overgenomen in beheer en onderhoud door het waterschap, wanneer de peilafwijking het algemeen belang dient.
Om dit te kwantificeren moet worden voldaan aan twee of meer van de volgende voorwaarden:
1. de onderbemaling heeft een oppervlakte die groter of gelijk is aan 30 ha;
2. de oppervlakte van de onderbemaling beslaat meer dan een derde deel van het omringende peilvak;
3. de onderbemaling heeft meer dan een rechtspersoon. Hierbij wordt onder rechtspersoon verstaan: eigenaar, gebruiker of vereniging o.i.d.;
4. de onderbemaling heeft een afwijking in maaiveldhoogte t.o.v. het omliggende gebied van meer dan 40 cm.
Voor vergunningverlening wordt gekozen, indien:
1) niet wordt voldaan aan bovenstaande voorwaarden voor overname;
2) wanneer wel wordt voldaan aan twee of meer van de bovenstaande voorwaarden, maar wanneer blijkt dat de uitkomst van de toetsing van een onderbemaling aan het bovenstaande niet doelmatig blijkt te zijn, dan wordt een voorstel over de onderbemaling separaat aan het dagelijks bestuur voorgelegd. Dit kan het geval zijn, wanneer:
- bepaalde risico’s verbonden zijn aan het overnemen van een onderbemaling in beheer en onderhoud, zoals een erg laag percentage open water; waardoor de kans op peiloverschrijding, en daarmee de kans op schade voor de grondbezitter/gebruiker erg groot is;
- de kosten voor het overnemen van een onderbemaling zo hoog zijn, dat het niet meer te verdedigen is dat een onderbemaling wordt overgenomen. Voor het overnemen van een onderbemaling is als standaard maximum bedrag: € 65.000 geraamd. Wanneer blijkt dat het overnemen van een onderbemaling meer kost dan dit bedrag, dan wordt een onderbemaling niet overgenomen; of
- blijkt dat een onderbemaling minder dan 5 jaar aanwezig zal zijn.
Hierbij is uitgangspunt:
Altijd zal gekeken worden of wellicht een andere (praktische) oplossing meer doelmatig is, zoals het opbrengen van grond. Wanneer dat het geval is, wordt een separaat voorstel voorgelegd aan het dagelijks bestuur.