Bij het opstellen van de voorwaarden voor de kunstwerken zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:
- Waterkwantiteitsaspecten: Kunstwerken mogen aan- en afvoer van water niet ontoelaatbaar belemmeren;
- Waterkwaliteitsaspecten: Kunstwerken mogen de waterkwaliteit en de ecologie niet ontoelaatbaar negatief beïnvloeden;
- Scheepvaartbelang: Geen rekening wordt gehouden met de scheepvaartbelangen;
- Beheer en onderhoud: Kunstwerken mogen onderhoud aan oppervlaktewater en oever niet belemmeren.
Waterkwantiteitsaspecten
Voor de waterstroming in een oppervlaktewater is doorgaans een beperkt verval beschikbaar. Dit verval moet worden verdeeld over het oppervlaktewater en de daarin voorkomende kunstwerken. Bij het aanleggen van nieuwe kunstwerken dient te worden getoetst of het maximale toegestane verval in het betreffende oppervlaktewater of het achterliggende watersysteem niet wordt overschreden. Met andere woorden, kunstwerken mogen geen ontoelaatbare belemmering in de aan- en afvoer van water veroorzaken. Daarnaast mag het bergend vermogen van het watersysteem niet afnemen, zie ook het dempingenbeleid. Tevens geldt dat het kunstwerk zo moet worden geconstrueerd dat geen ophoping van vuil (belemmering afvoer) kan plaatsvinden, hiervoor worden onder andere eisen gesteld aan de minimale hoogte van het kunstwerk ten opzichte van een bepaald waterpeil.
Bij het toetsen van de (aan te passen of nieuw aan te leggen) oppervlaktewateren en kunstwerken aan de waterkwantiteitsvoorwaarden moeten de betreffende oppervlaktewateren en kunstwerken belast worden met de maatgevende afvoer. Hoe deze afvoer kan worden bepaald is weergegeven in bijlage 1.
De resultaten van de Studie Waterbezwaar 2e fase kunnen leiden tot nieuwe inzichten m.b.t. de toe te passen maatgevende afvoeren en/of voorwaarden. De resultaten van de studie worden echter niet voor begin 2006 verwacht. Tot zo lang dient gebruik gemaakt te worden van de in deze nota verwoorde voorwaarden. Zodra de resultaten van de Studie Waterbezwaar 2e fase bekend zijn, zal het beleid worden geactualiseerd op basis van de nieuwste inzichten.
Waterkwaliteits en ecologische aspecten
Voor wat betreft de waterkwaliteit en de ecologie kunnen kunstwerken invloed hebben op bijvoorbeeld de zuurstofhuishouding, het leefgebied en de verspreiding van oever- en waterplanten en (water)dieren.
Als kunstwerken of bebouwing (deels) over een watergang worden aangelegd wordt gesproken over het “overkluizen” van oppervlaktewateren. Door een overkluizing wordt een oever en/of open water (gedeeltelijk) afgedekt. Op verschillende manieren is dit lokaal nadelig voor de ecologische waterkwaliteit. Een overkluizing verlaagt de toegankelijkheid van het oppervlaktewater voor dieren die deels in of op het water leven zoals watervogels, amfibieën etc. Een deel van de kleinere waterdieren (macrofauna) leeft gedurende een periode van de levenscyclus in het water en een deel daarbuiten. Overkluizingen beperken de lichtinval waardoor oevervegetatie en waterplanten niet voor kunnen komen. De aanwezigheid van oever- en waterplanten is van groot belang voor de aanwezigheid van deze waterdieren en van vissen.
Door verminderde lichtinval vindt er geen of weinig productie van organisch materiaal en daarmee zuurstof plaats waardoor het ecologisch evenwicht tussen opbouw en afbraak verstoord wordt en de waterkwaliteit negatief beïnvloed wordt. Dit leidt tot een slechtere zuurstofhuishouding in het water.
Bekend is dus dat overkluizingen een negatieve invloed hebben op de ecologische waterkwaliteit. Hoe groot deze invloed exact is kan met de huidige kennis nog onvoldoende hard worden onderbouwd. Met andere woorden, er kunnen nog geen harde criteria aan afmetingen van overkluizingen worden gesteld t.b.v. de ecologische waterkwaliteit.
In het kader van de KRW worden nieuwe doelstellingen afgeleid voor het watersysteem. Hierbij wordt ook bepaald welke maatregelen nodig zijn om deze doelstellingen te bereiken en in welke mate negatieve effecten door kunstwerken kunnen worden toegestaan. Deze doelstellingen worden in 2008 vastgesteld. Tot die tijd dient het aandeel overkluizingen te worden gereguleerd m.b.v. een pragmatische aanpak. De gestelde voorwaarden t.a.v. de ecologische waterkwaliteit zijn gebaseerd op expert judgement, waarbij de volgende uitgangspunten zijn gebruikt:
- In principe is bij elk perceel een overkluizing toegestaan;
- Om onherstelbare schade aan de ecologische waterkwaliteit te voorkomen en voor het behoud van het ecologisch potentieel mag vooralsnog maximaal 20% van de oevers worden verstoord. 80 % van de oever moet dus onverstoord blijven (er mag geen verharding aanwezig zijn in de vorm van beschoeiingen, steigers, duikers en andere overkluizingen). D.m.v. de gestelde maximale afmetingen wordt verwacht aan deze 20/80% eis te kunnen voldoen.
Nautisch/scheepvaartbelang
Zie ook hoofdstuk 2.
Beheer en onderhoud
Randvoorwaarde bij de aanleg van kunstwerken is dat adequaat beheer en onderhoud mogelijk blijft. Daarnaast mogen geen materialen worden gebruikt die een negatieve invloed op de waterkwaliteit en/of het ecosysteem kunnen hebben.
5.4 Algemene voorwaarden kunstwerken
5.4.1 Voorwaarden waterkwaliteit
Kunstwerken mogen geen ontoelaatbare belemmering in de wateraan- en afvoer veroorzaken:
- Primaire oppervlaktewateren:
Per kunstwerk moet worden bepaald of deze geen belemmering in de wateraan- en afvoer veroorzaakt;
- Overige oppervlaktewateren:
Bedraagt het maximale verval meer dan 5 cm (gemeten vanaf het dichtstbijzijnde primaire oppervlaktewater tot en met het uiteinde van het watersysteem), dan is het aanleggen van een kunstwerk in het oppervlaktewater niet toegestaan. Bedraagt het verval minder dan 5 cm, dan is er in principe ruimte aanwezig om een kunstwerk aan te leggen;
Bij toetsing aan bovenstaande voorwaarden dient het betreffende oppervlaktewater belast te worden met de maatgevende afvoer. Hoe deze afvoer kan worden bepaald is weergegeven in bijlage 1.
Het totale verval (inclusief effecten kunstwerken) dat in primaire oppervlaktewateren mag optreden verschilt per watersysteem en dient dan ook per primair oppervlaktewater te worden bepaald (is afhankelijk van gemaalcapaciteit, toegestane drooglegging etc).
Voor overige oppervlaktewateren geldt dat het totale verval (inclusief kunstwerken) maximaal 5 cm mag bedragen (gemeten vanaf de dichtstbijzijnde primaire oppervlaktewater tot en met het uiteinde van het watersysteem). Indien deze 5 cm volledig is “verbruikt” is er geen ruimte meer aanwezig om kunstwerken in het betreffende watersysteem aan te leggen. Is de 5 cm nog niet “verbruikt” dan zijn er vanuit de waterkwantiteit geen belemmeringen om het kunstwerk te weigeren.
Uitgezonderd van de 5 cm verval regel zijn de duinrellen, waar het water als gevolg van natuurlijk verval tot afstroming komt.
- Het verval per kunstwerk mag maximaal 5 mm bedragen;
Om te voorkomen dat één kunstwerk alle beschikbare “ruimte” verbruikt, wordt per kunstwerk een maximale vervalnorm gesteld van 5 mm.
In sommige gevallen is een groter verval vereist om de werking op de lange termijn van het kunstwerk te garanderen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een grondduiker of een sifon.
- De afstand tussen de waterspiegel en de binnenbovenkant van het kunstwerk dient minimaal 0,20 m te bedragen, t.o.v. het winterpeil;
I.v.m. de afvoer van kroos en drijvend vuil en vanuit waterkwaliteitsoogpunt (zuurstofhuishouding) is een “hoeveelheid lucht” boven de waterspiegel noodzakelijk. Zomerpeil ligt in de polder normaal gesproken 0,10 á 0,15 m hoger dan winterpeil. Indien zomerpeil meer dan 0,15 m hoger is dan winterpeil, zal per geval bekeken moeten worden op welke hoogte de binnenonderkant moet komen te liggen.
- Bij hoge stroomsnelheden ( ³ 0,30 m/s) in het kunstwerk dient in het kunstwerk bodembescherming te worden aangebracht;
Als in een kunstwerk hoge stroomsnelheden kunnen optreden dient in het kunstwerk bodembescherming te worden aangebracht om uitschuring van het onderwaterprofiel en/of het onderwatertalud te voorkomen.
Verval en stroomsnelheid zijn aan elkaar gerelateerd. De maximale vervalnorm van 5 mm per kunstwerk heeft in principe tot gevolg dat de stroomsnelheid in het kunstwerk niet groter dan 0,20 m/s kan worden. Er zijn situaties denkbaar dat een groter verval dan 5 mm per kunstwerk wordt toegestaan. Is dit het geval dan dienen vanaf een stroomsnelheid groter dan 0,30 m/s extra maatregelen te worden getroffen.
- Indien de stroomsnelheid in kunstwerken ³ 0,30 m/s dient beneden- en bovenstrooms van het kunstwerk bodem- en oeverbescherming te worden aangebracht. De lengte waarover de bescherming moet worden aangebracht wordt door Rijnland bepaald;
- Het bergend oppervlak dat door het kunstwerk in beslag wordt genomen dient gecompenseerd te worden;
Door het aanbrengen van een kunstwerk (bijvoorbeeld dam met duiker) in een oppervlaktewater wordt over het algemeen het bergend oppervlak van een oppervlaktewater verkleind, hiervoor is compensatie noodzakelijk. Eén en ander is nader uitgewerkt in het dempingenbeleid.
5.4.2 Voorwaarden waterkwaliteit / ecologie
- Bij de aanleg cq. reparatie/renovatie van kunstwerken mag geen materiaal gebruikt worden met een negatieve invloed op de waterkwaliteit en de ecologie;
Toepassing van materialen met een (mogelijke) negatieve invloed op de waterkwaliteit vereisen een Wvovergunning. Er mag bijvoorbeeld geen gebruik gemaakt worden van geïmpregneerd hout. Voor nadere informatie wordt doorverwezen naar de afdeling Vergunningverlenging en de afdeling Handhaving van het hoogheemraadschap van Rijnland
- Het toepassen van steenachtige materialen, zoals grond, zand alsmede betonnen duikers etc, in oppervlaktewater dient te worden gemeld bij Rijnland (in de hoedanigheid als waterkwaliteitsbeheerder);
Uitvloeisel van het bouwstoffenbesluit. Voor nadere informatie wordt doorverwezen naar de afdeling Vergunningverlenging en de afdeling Handhaving van het hoogheemraadschap van Rijnland;
5.4.3 Voorwaarden beheer en onderhoud
- In primaire oppervlaktewateren dient boven de waterspiegel (t.o.v. zomerpeil), mits drooglegging en/of breedte watergang dit toestaan, een vrije ruimte aanwezig te zijn van minimaal 1,25 x 2,00 m (h x b). Anders geldt een minimale vrij ruimte van 0,80 x 2,00 m (h x b). Onder de waterspiegel (t.o.v. zomerpeil) dient een vrije ruimte aanwezig te zijn van minimaal 0,75* m x 2,00 m (d x b);
Rijnland is onderhoudsplichtige van de primaire oppervlaktewateren. Om dit onderhoud naar behoren te kunnen uitvoeren maakt Rijnland o.a. gebruik van onderhoudsboten, hiervoor is het noodzakelijk dat voldoende ruimte boven en onder de waterspiegel aanwezig is om het kunstwerk met een onderhoudsboot te kunnen passeren.
* Is de voorgeschreven leggerdiepte kleiner dan 0,75 m, dan geldt de leggerdiepte als minimaal te hanteren vrij diepte.
Voor een aantal polderoppervlaktewateren met een vaarwegfunctie gelden afwijkende afmetingen, zie hoofdstuk 7.
In een aantal situaties, zoals bij smalle oppervlaktewateren, is het niet altijd realistisch een doorvaarthoogte van 1,25 m te eisen. Indien dit het geval is en het oppervlaktewater moet varend onderhouden worden dan geldt een absolute minimum doorvaarthoogte van 0,80 m.
- Het doorstroomprofiel van kunstwerken moet door de onderhoudsplichtige altijd schoon en open worden gehouden;
Om te garanderen dat het doorstroomprofiel van het kunstwerk altijd volledig watervoerend is, is de onderhoudsplichtige van het kunstwerk verantwoordelijk voor het schoon en open houden van het betreffende kunstwerk.
Woonbooteigenaren zijn op grond van deze voorwaarde verantwoordelijk voor het op leggerafmetingen houden van het oppervlaktewater onder de woonboot. Ook drijfvuil dat door de woonboot wordt tegengehouden dient door de eigenaar te worden verwijderd.
- Ter weerszijden van het kunstwerk moet door de onderhoudsplichtige van het kunstwerk het oppervlaktewater over een lengte van ten minste 5 m op de voorgeschreven (legger) diepte worden gehouden;
- Kunstwerken moeten zo worden geconstrueerd dat onderhoud aan oppervlaktewateren en waterkeringen mogelijk blijft;
Voor aanvullende voorwaarden met betrekking tot waterkeringen zie de (nog op te stellen) waterkeringsbeheerplannen.