De Verordening Schadevergoeding Rijnland voorziet in een met waarborgen omklede procedure voor de behandeling van een verzoek om schadevergoeding.
Door waterschapsbesturen wordt een groot aantal besluiten genomen waarbij belangen van derden betrokken zijn. Te denken valt aan besluiten tot het vaststellen van verbeteringsplannen voor de waterhuishouding (of dijken en kades), of aan besluiten tot het intrekken en wijzigen van vergunningen. Daarnaast zijn de waterschappen bij het uitvoeren van hun taken dagelijks bezig met het verrichten van werken, onderhoud etc. Zulke zaken dienen te worden beschouwd als normale maatschappelijke risico’s, waarmee iedereen kan worden geconfronteerd. Alhoewel dergelijke zaken volkomen rechtmatig zijn, kan het toch zo zijn dat hierdoor schade wordt toegebracht die niet of niet geheel ten laste van benadeelden behoort te blijven. Er kunnen dus feiten en omstandigheden zijn waardoor een individueel belang ten gevolge van een feitelijke handeling of maatregel zo zwaar wordt getroffen dat dit nadeel redelijkerwijze niet ten laste van de getroffene kan blijven. Bij de lange uitvoeringsduur van een project bijvoorbeeld kan een individueel belang dermate zwaar worden getroffen, dat het waterschap gehouden is dit nadeel te compenseren.
Schade die voortvloeit uit rechtmatige overheidshandelingen of besluiten waarvan de schade redelijkerwijze niet ten laste van de benadeelde behoort te blijven, en waarvan de vergoeding niet anderszins verzekerd is of verzekerd kon worden, komt in aanmerking voor vergoeding. Het is immers de taak van een overheidsorgaan om iedereen gelijk te behandelen, en mocht dit niet het geval zijn, dan kan daaruit de plicht ontstaan tot vergoeding van die schade die onevenredig is. Dit geldt alleen voor zover de betrokkene onevenredig zwaar door het besluit wordt getroffen. Dit wil zeggen dat schade een individu of groep personen onevenredig zwaar treft in vergelijking met andere burgers die in een vergelijkbare positie verkeren, en dit nadeel zwaarder is dan het normaal te achten maatschappelijke risico dat iedere burger loopt. Alleen dan is er reden tot vergoeding van toegebracht nadeel.
In deze regeling zijn zowel materiële normen als procedurele regels neergelegd met betrekking tot vergoeding van onevenredig nadeel voortvloeiend uit rechtmatig handelen van het bestuur van Rijnland. Daardoor wordt beoogd zoveel als mogelijk is de rechtszekerheid te bevorderen, terwijl ook de doelmatigheid van de afwikkeling van aanvragen om schadevergoeding op de voet van deze regeling wordt bevorderd. Wat de materiële regels betreft wordt het volgende opgemerkt. Uit de tekst van artikel 2, eerste lid van deze regeling blijkt dat aan het begrip “redelijkerwijs” een belangrijke rol is toegedacht bij de vestiging van een aanspraak op schadevergoeding en bij de bepaling van de omvang en inhoud van een eventuele schadevergoedingsverplichting. Om de rechtszekerheid en een doelmatige hantering van deze regeling te bevorderen is daarin, meer in het bijzonder in de artikelen 3 tot en met 11 een aantal regels neergelegd, die in het nadeelcompensatierecht op het punt van de vestiging van aansprakelijkheid en ter zake van de bepaling van inhoud en omvang van de schadevergoeding min of meer zijn uitgekristalliseerd. Deze artikelen bevatten overigens geen uitputtende regeling.
Bij de vestiging van de aansprakelijkheid gaat het met name om de vraag aan welke voorwaarden voldaan moet zijn wil er aanleiding bestaan om af te wijken van het beginsel dat een ieder in beginsel de door hem zelf geleden schade draagt.
In hoofdlijnen kunnen vijf voorwaarden voor een aanspraak op nadeelcompensatie worden geformuleerd.
a) Een eerste voorwaarde voor een aanspraak op nadeelcompensatie is dat de gestelde schadeoorzaak (op zichzelf) als een rechtmatig overheidshandelen gekwalificeerd kan worden en dat deze valt binnen het bereik van de in artikel 2, eerste lid, afgebakende gebeurtenissen.
b) Er moet sprake zijn van schade.
c) Er moet causaal verband bestaan tussen het betreffende rechtmatig overheidshandelen en de gestelde schade.
d) De schade mag niet het gevolg zijn van een normale maatschappelijke ontwikkeling of binnen het normale maatschappelijk risico of binnen het normale ondernemersrisico vallen (zie artikel 3 en de toelichting daarbij).
e) Tenslotte geldt, dat schade als gevolg van een schadeoorzaak als bedoeld in artikel 2, eerste lid, die naar aard en omvang niet in belangrijke mate afwijkt van de schade die dientengevolge op een ieder drukt, dan wel op een naar verhouding omvangrijk aantal natuurlijke- of rechtspersonen die in vergelijkbare positie verkeren drukt, niet voor vergoeding in aanmerking komt (zie artikel 4 en de toelichting daarbij).
Als eenmaal vast staat dat op Rijnland in beginsel een verplichting tot schadevergoeding rust, zal vervolgens moeten worden vastgesteld welk bedrag als schadevergoeding dient te worden toegekend.
Voor wat de wijze van schadebegroting betreft worden in deze Verordening Schadevergoeding Rijnland geen regels gegeven. Dat zou gelet op de veelheid van schadeoorzaken en mogelijke schadegevolgen waarop deze regeling betrekking heeft niet mogelijk zijn. Bovendien zijn bij toepassing van deze regeling, net zoals dat bij wettelijke schadevergoedingsregelingen het geval is, al naar gelang de omstandigheden van het geval, meerdere methoden denkbaar met behulp waarvan in de praktijk de schade begroot kan worden. De schade dient dus te worden begroot op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is, terwijl zonodig de omvang van de schade dient te worden geschat.
Deze verordening beoogt bovendien besluiten van het bestuur van Rijnland aangaande het al dan niet toekennen van een schadevergoeding te voorzien van een zelfstandige, specifieke publiekrechtelijke grondslag, welke is vereist om een daarop gebaseerde beslissing als besluit in de zin van artikel 1:3 tweede lid, van de Awb te kunnen aanmerken.
Door de vaststelling van deze verordening wordt tevens de inzichtelijkheid van de voor de burger tegen hem niet welgevallige besluiten openstaande rechtsgangen bevorderd. Dit voorkomt, naar mag worden aangenomen, overbodig werk en teleurstellingen bij bestuur en burger. Deze verordening, die een geschreven publiekrechtelijke grondslag voor besluiten aangaande het al dan niet toekennen van schadevergoeding biedt, bevordert tevens de rechtseenheid, in die zin dat in zoveel mogelijk gevallen bij gelijksoortige geschillen dezelfde rechtsgang openstaat.
Deze schadevergoedingsregeling beoogt er voorts toe te leiden, dat het schade-aspect in een afzonderlijk besluitvormingsproces en (zo nodig) in een afzonderlijke rechtsgang aan de orde kan komen. Dit voorkomt, dat beoordeling van het schadeaspect de voortgang van een doelmatige taakvervulling van het bestuur belemmert, terwijl anderzijds, zoals hiervoor reeds vermeld, schadevergoeding vooraf voldoende verzekerd is. Het zal namelijk niet in alle gevallen mogelijk zijn benadeelden, voordat een handeling door het bestuur van Rijnland wordt verricht, of voordat een besluit wordt genomen, zekerheid te verschaffen over de vraag, of, en tot welk bedrag de door hen geleden of nog te lijden schade vergoed zal worden. Deze verordening laat echter onverlet dat, waar mogelijk, aan benadeelden vooraf inzicht wordt verschaft over de omvang van een eventuele schadevergoeding. Met het in beschouwing nemen van schadevergoedingsaspecten behoeft derhalve niet noodzakelijk te worden gewacht tot na het afronden van de besluitvormingsprocedure, dan wel het voltooien van een schadeveroorzakend werk of schadeveroorzakende gedraging. Ook in eerdere stadia van die procedure kan dat geschieden. In dit verband wordt er nog op gewezen, dat deze verordening voorziet in de mogelijkheid om een voorschot te verlenen op de eventueel na het doorlopen van de in deze regeling beschreven procedure toe te kennen schadevergoeding. Ook op die wijze wordt zoveel als redelijkerwijs mogelijk is aan de belangen van benadeelden tegemoet gekomen.