Begrippenlijst Legger

Aangeland
Degene die krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van aan de kernzone van oppervlaktewateren grenzende percelen.

Beheer

De overheidszorg met betrekking tot een of meer afzonderlijke watersystemen of onderdelen daarvan, gericht op de in de Wet genoemde doelstellingen.

Beschermingszone

Aan een waterstaatswerk grenzende zone, die als zodanig in de legger is opgenomen. Binnen de zone geldt een beperking voor wat betreft het ondernemen van activiteiten zoals bouwen of slopen van werken. 

Bodembreedte

Bij de bodembreedte is vaak de term "variabel" opgenomen. Dit betekent dat er geen specifieke breedte wordt voorgeschreven maar dat de bodembreedte automatisch volgt uit de combinatie "breedte op de waterlijn", "taluds" en "waterdiepte".

Buitenbeschermingszone

Aan de beschermingszone grenzende zone, die als zodanig in de legger is aangegeven. Zie ook Zoneringen.

Categorie

Op basis van het Rijnlandse Reglement worden 2 categorieën oppervlaktewateren onderscheiden, namelijk primaire- en overige wateren. 
Primaire wateren: Alle grote oppervlaktewateren en meren die dienen als aan- en afvoerweg naar de gemalen en/of belangrijke inlaten en de oppervlaktewateren met een belangrijke transport en bergende functie. 
Overige wateren: Oppervlaktewateren met een voornamelijk lokale transportfunctie en/of welke een zekere een zekere drooglegging (ontwatering) dienen te geven. 
Alle oude termen zoals primaire- en secundaire boezemwateren, hoofdwatergangen, etc zijn komen te vervallen.

Eigenaar

Degene die krachtens het kadastraal register eigenaar is van het betreffende perceel.

Gemiddelde breedte op de waterlijn

Gemiddelde breedte van het betreffende oppervlaktewater op de waterlijn t.o.v. het winterpeil, uitgedrukt in meters. 
De gemiddelde breedte is uit de gekarteerde luchtfoto's berekend op basis van een meting om de 10 meter. De gemiddelde breedte is geen "vereiste" breedte maat of ontwerpparameter, maar slechts een weergave van de gemiddelde breedte. In de praktijk varieert de breedte van een oppervlaktewater altijd. Bij een groot aantal oppervlaktewateren is deze variatie beperkt, slechts enkele decimeters, maar er zijn oppervlaktewateren waar de variatie groot kan zijn. Voor de werkelijke breedte van een oppervlaktewater op een bepaalde locatie wordt verwezen naar de leggerkaart.

Hoogpeil

Maatgevend peil voor het bepalen van het benodigde profiel.

Identificatienummer

Het identificatienummer van het betreffende oppervlaktewater.
De nummers hebben uitsluitend een administratieve betekenis en zijn willekeurig toegekend. In de vorige leggers kon aan de hand van het identificatienummer de ligging en functie van het oppervlaktewater geïdentificeerd worden. Deze systematiek had een aantal nadelen, met name wanneer peilvakken gesplitst werden en/of oppervlaktewateren gegraven of gedempt werden of van functie veranderden, waardoor deze systematiek verlaten is. Alle gegevens die moeten worden vastgelegd zijn nu opgenomen in aparte kolommen en zitten dus niet meer versleuteld in het identificatienummer.

Insteek

De snijlijn van het schuine oevertalud (oeverhelling) met het horizontaal gelegen maaiveld.

Kadastraal eigenaar

De in het kadaster geregistreerde eigenaar van het perceel.

Kadevak

Alle waterkeringen zijn in de legger opgedeeld in kadevakken. De afmetingen van het leggerprofiel, en dus ook de afmetingen van de kern- en beschermingszone en profiel van vrije ruimte zullen per kadevak verschillen.

Kant water

De grenslijn tussen water en oever bij het schouwpeil.

Kernzone

Het centrale gedeelte van het waterstaatswerk, dat als zodanig in de legger is aangegeven. Zie ook Zoneringen.

Kruinbreedte

De breedte van de kruin/top van de waterkering.KruinhoogteDe hoogte van de kruin/top van de waterkering.

Kunstwerken

Alle werken die een functie hebben in het functioneren van het waterstaatkundig systeem.

Leggernummer

Het identificatienummer van de betreffende waterkering. De nummers hebben voor een groot deel een administratieve betekenis en zijn willekeurig toegekend. Aan de identificatienummers zijn tevens het profieltype en de kruinhoogte toegevoegd.

Lengte

De lengte van het betreffende oppervlaktewater, uitgedrukt in meters.

Maaiveld

Bovenkant (hoogte) of oppervlak van het natuurlijk of aangelegd terrein.

Naam

Naam van het betreffende oppervlaktewater. De gegevens zijn overgenomen uit de "oude" leggers en waar nodig gecontroleerd aan de hand van de topografische kaart.

Nat profiel

Het ten opzichte van het schouwpeil, onder de waterlijn gelegen oppervlakte van de dwarsdoorsnede van een oppervlaktewater.

Onderhoudsplicht

De aansprakelijkheid voor onderhoud van bij het waterschap in beheer zijnde objecten, zoals op de leggerbladen of in voorschriften bij ontheffingen is aangegeven.

Onderhoudsplichtigen

Natuurlijke personen of rechtspersonen die verantwoordelijk zijn voor het onderhoud van waterkeringen, wateren, oevers, werken of bergingsvoorzieningen voor water of regenwater.

Opmerkingen

Indien van toepassing is in deze kolom nadere informatie weergegeven.

Peilvak

Een geografisch afgebakend gebied waar een en hetzelfde waterpeil wordt nagestreefd.

Polderpeil

Het reglementair vastgestelde peil in een polder dat door de beherende instantie wordt nagestreefd.

Profiel (legger keringen)

Het profiel is te beschouwen als het theoretisch bepaalde minimaal vereiste profiel dat nodig is om de waterkerende functie met zodanige veiligheid te vervullen dat wordt voldaan aan de vastgestelde veiligheidsnorm. In het tabblad profiel zijn de minimale vereiste afmetingen voor een regionale waterkering weergegeven. Het profiel zal verschillen afhankelijk van het verval (verschil tussen buitenpeil en binnenpeil), de geometrie (vereiste kruinhoogte boven buitenpeil en vereiste kruinbreedte), de ondergrondopbouw en de veiligheidsnorm. 
profiel legger keringen

Profiel (legger watergangen)

In de legger oppervlaktewateren zijn voor elk oppervlaktewater de minimale vereiste afmetingen opgenomen. Deze minimale afmetingen zorgen ervoor dat kan worden voldaan aan de in de nota inrichtingscriteria oppervlaktewateren en kunstwerken vastgelegde eisen t.a.v:
Waterkwantiteit 
(ecologische) waterkwaliteit 
Beheer en onderhoud
In het tabblad profiel zijn de minimale vereiste afmetingen voor een oppervlaktewater weergegeven. Het merendeel van de profielen is trapeziumvormig en kan worden beschreven met de parameters:
Talud links 
Waterdiepte 
Bodembreedte 
Breedte op de waterlijn 
Talud rechts
Opgemerkt dient te worden dat de parameter "bodembreedte" volgend is. M.a.w. het profiel wordt opgebouwd uit de parameters "breedte op de waterlijn" en "taluds links en rechts".
Profiel (legger watergangen)
Complexere profielen
Een trend die de laatste jaren steeds meer te zien is, is dat aan één of beide zijden van een oppervlaktewater een plasberm wordt aangelegd voor bijvoorbeeld natuurontwikkeling. Een plasberm is een vooroever met een beperkte waterdiepte. Om deze plasbermen in de legger te kunnen beschrijven zijn de volgende extra parameters noodzakelijk:
Breedte plasberm links en rechts 
Diepte plasberm links en rechts
complexprofiel 1
Daarnaast komt het regelmatig voor dat er direct naast de oever een bepaalde waterdiepte wordt geëist. Hoewel het hier niet om een plasberm gaat wordt toch gebruik gemaakt van de plasbermparameters en wel op de volgende wijze:
De parameter "breedte plasberm" wordt op 0 meter gezet. 
De noodzakelijk diepte direct naast de oever wordt gecreëerd door de parameter "diepte plasberm" op b.v. 0,5 m te zetten.
.Complex profiel 2
Profiel van vrije ruimteDe ruimte ter weerszijden van en boven een waterkering die naar het oordeel van het bestuur nodig is voor toekomstige verbeteringen aan de waterkering en in de legger Waterwet is vastgesteld. Schouwpeil
Het schouwpeil komt, in die gebieden waarvoor in het peilbesluit van dat gebied een winterpeil is vastgesteld, overeen met het winterpeil.
In gebieden waarvoor in het peilbesluit een flexibelpeil is opgenomen komt het schouwpeil overeen met het daarin genoemde peil. Als alleen de boven en ondergrens zijn aangegeven komt het schouwpeil overeen met het gemiddelde van de boven en ondergrens.

Voor die gebieden waarvoor geen peilbesluit is vastgesteld komt het schouwpeil overeen met het gewoonlijk door of vanwege het college, in dat gebied gehandhaafd peil in de winterperiode.

Schouwpeil

Het schouwpeil is het ter plaatse geldende winterpeil in meters ten opzichte van NAP dat is vastgelegd in een peilbesluit.

Talud

Vereiste hellingshoek, glooiing, schuine, verhoogde kant van een berm, etc. Het talud wordt uitgedrukt in een hoogte ten opzichte van de aanlegbreedte.
Talud
Onderscheid wordt gemaakt naar het
Bovenwater gelegen talud 
Onderwater gelegen talud
Bovenwater gelegen talud
Voor het bovenwater gelegen talud wordt uitgegaan van het aanwezige talud zoals dat op het moment van vaststelling van de legger aanwezig was en wordt gevormd door de lijn die getrokken kan worden tussen de kantwater en de insteek.
Onderwater gelegen talud
T.b.v. het onderwaterprofiel zijn voor het onderwater gelegen talud standaardafmetingen bepaald. Uitgangspunt van deze afmetingen is dat een zo natuurlijk mogelijk talud dient te worden gerealiseerd. In een aantal gevallen was het noodzakelijk te werken met steilere taluds om voldoende natprofiel en/of waterdiepte te kunnen realiseren.
Primaire oppervlaktewateren 1:2,5 - 1:3
Overige oppervlaktewateren 1:3
Meren en plassen 1:3

Type

Aanduiding of betreffend oppervlaktewater in de boezem of in een polder is gelegen. Er worden binnen Rijnland twee typen waterkeringen onderscheiden, namelijk polderkaden en boezemkaden.
Boezemkering: een boezemkade is gedefinieerd als het langs een boezemwater gelegen grondlichaam, dat enerzijds de lager gelegen poldergebieden beschermd tegen hoger liggend boezemwater en anderzijds de boezem in stand houdt. 
Polderkering: een polderkade is een waterkering, die dient tot kering van het polderwater, gelegen tussen gebieden met verschillend peil. 

Waterdiepte (ingreepmaat)

Vereiste minimale waterdiepte, uitgedrukt in meters ten opzichte van het winterpeil.
De ingreepmaat geeft de minimaal vereiste waterdiepte aan. Indien de baggerlaag op de ingreepmaat komt, moet er ingegrepen (gebaggerd) worden. In de praktijk zal dus gebaggerd worden tot onder de ingreepmaat, om te voorkomen dat de minimale waterdiepte wordt overschreden. De diepte tot waar gebaggerd moet worden, de zogenaamde onderhoudsmaat, wordt bepaald door bedrijfseconomische redenen en de snelheid waarmee een oppervlaktewater verondiept. In de praktijk zal deze onderhoudsmaat 10 á 20 cm onder de ingreepmaat liggen.

Waterlijn

Het grensvlak tussen water en lucht.

Winterpeil

Het peil dat in het betreffende peilbesluit voor de winterperiode (globaal 1 september - 1 april) geldt of, bij het ontbreken ervan, in de praktijk wordt nagestreefd.

Zoneringen (legger keringen)

In de legger regionale waterkeringen zijn de volgende zoneringen vastgelegd:
Kernzone: Centrale gedeelte van de waterkering, breedte is locatie afhankelijk. 
Beschermingszone: Aan de waterkering grenzende zone, de breedte aan de buitenzijde van de kering (waterzijde) is 15 meter vanaf de grens van de kernzone en de breedte aan de binnenzijde (landzijde) is locatie afhankelijk. 
Buitenbeschermingszone: Aan de beschermingszone grenzende zone, breedte is 50 meter gemeten vanaf de grens beschermingszone. 
Profiel van vrije ruimte: De ruimte ter weerszijden van en boven een waterkering die naar het oordeel van het bestuur nodig is voor toekomstige verbeteringen aan de waterkering, breedte en hoogte is locatie afhankelijk
Zoneringen legger keringen

Zoneringen (legger oppervlaktewater)

In de legger oppervlaktewateren zijn de volgende zoneringen vastgelegd:
Kernzone: Centrale gedeelte van een oppervlaktewater, breedte is locatie afhankelijk.
Beschermingszone: Primaire wateren 5 m breed, overige wateren 2 m breed.
Buitenbeschermingszone: 50 m breed, gemeten vanaf de grens beschermingszone.
zoneringen legger oppervlaktewateren