
Blauwalgen (ook wel cyanobacteriën of blauwwieren) zijn bacteriën die van nature in het water horen. In water zonder sterke stroming komen ze in Nederland al vele jaren in grote hoeveelheden voor. Helaas heeft een aantal soorten vervelende eigenschappen. Ze veroorzaken bijvoorbeeld (stank)overlast en ook kunnen zwemmers en surfers er ziek van worden.
Blauwalgen komen het hele jaar voor, met doorgaans een piek in de (na)zomer. Veel blauwalgen groeien optimaal bij temperaturen tussen 20 en 30˚C met daarbij weinig licht en stroming in het water. Daarom vindt de ontwikkeling van de blauwalgen of de vorming van drijflagen vaak plaats vanaf juli. Een drijflaag kan zich ophopen aan de oevers van meren, op stranden en in jachthavens. In de praktijk worden drijflagen verwijderd indien ze voor bewoners overlast veroorzaken. Dit is een relatief ineffectieve methode, we streven ernaar om overlast te voorkomen in plaats van op te ruimen.
Blauwalgen horen thuis in het oppervlaktewater en zijn moeilijk helemaal weg te halen. Rijnland voert een aantal maatregelen uit om blauwalgen te bestrijden, bijvoorbeeld door luchtmenginstallaties, mengers en pompen in het water te plaatsen. Rechts op deze pagina kunt u het rapport prioritering blauwalgenoverlast en luchtmenginstallaties downloaden voor meer informatie.
Recreatiegebied Vlietland bij Leidschendam, de Zegerplas bij Alphen aan den Rijn, de Haarlemmermeerse Bosplas bij Hoofddorp en De Nieuwe Meer (tussen Amsterdam en Schiphol) zijn waterplassen die over een luchtmenginstallatie beschikken: compressiepompen persen lucht in beluchtingsslangen die op de bodem van de plas liggen. De opstijgende lucht zorgt voor stroming in het water. De blauwalgen, die in de bovenste waterlaag voldoende licht hebben om te groeien, worden door de stroming meegevoerd naar het diepe en donkere deel van de plas. Hierdoor worden de algen belemmerd in hun groei en de algenconcentraties in de plas wordt sterk teruggedrongen. Bovendien worden de algen die nog wel aanwezig zijn, verspreid over de waterkolom waardoor ze geen hinderlijke drijflagen meer vormen. Dit systeem is alleen effectief in meren die dieper dan 15 à 20 meter zijn, omdat daar een grote donkere zone aanwezig is waar de groei van de blauwalgen kan worden gehinderd. De installaties staan aan vanaf 1 mei tot 1 oktober. Afspraken hierover zijn vastgelegd in het protocol luchtmenginstallaties dat u rechts op deze pagina kunt downloaden.
In ondiepe waterplassen (minder dan 15 meter diep), zoals de Westeinderplassen en het Braassemermeer, zorgen mengers en pompen voor drijflaagbestrijding. Een menger bestaat doorgaans uit een propeller die ter plaatse het water voortstuwt en evenals een pomp zorgt voor een lokale menging van het water. Hierdoor worden drijflagen verspreid en verdwijnt doorgaans de overlast.
Ultrasoonapparaten bestrijden de blauwalgen door middel van een voor de mens niet hoorbaar geluid. TNO en de universiteit van Hull hebben in opdracht van Rijnland verschillende merken apparatuur getest. De effectiviteit bleek gering, de neveneffecten nadelig voor de vissen. We hebben daarom besloten geen verdere ultrasoontoepassingen of -onderzoek in te zetten.
Rijnland ontwikkelt samen met twee andere waterbeheerders, Stowa en kennisinstituut Deltares een waarschuwingssysteem. Dit is een computermodel dat er voor zorgt dat we tijdig worden gewaarschuwd waar en wanneer blauwalgen gaan drijven. Hiermee kunnen we proactief maatregelen nemen. Helaas kost het ontwikkelen van een waarschuwingssysteem veel tijd. Er moet veel onderzoek worden verricht en de uitkomsten moeten worden gecontroleerd met veldwaarnemingen.
Voor meer informatie over blauwalgen kunt u contact opnemen met ons servicepunt via telefoonnummer (071) 306 3777 of via info@rijnland.net.