De Spaarndammerdijk, tussen Amsterdam en Spaarndam, was al in 1253 de belangrijkste verdediging tegen het IJ en tevens de noordelijke begrenzing van het hoogheemraadschap van Rijnland. De eigenaren van grond aan de dijk hadden dijkplicht oftewel onderhoudsplicht. In geval van een dijkdoorbraak waren ook de overige inwoners van de ambachten (dorpen) die langs de Spaarndammerdijk lagen verplicht bijstand te verlenen. De dijk had namelijk regionale betekenis, de ambachten konden schade oplopen van dijkdoorbraken.
Door de regionale betekenis werd al in de oudste oorkonde waarin de heemraden van de Spaarndam genoemd werden (1255) bepaald dat zij inspraak zouden hebben bij eventuele werkzaamheden aan de dijk. In latere tijd werd bepaald dat de heemraden de dijk, samen met de baljuw, ook ten minste drie keer per jaar moesten schouwen, dit betekende dat de werken aan de dijk gecontroleerd werden en bijbehorende boeten aan nalatigen werden uitgedeeld. Daarnaast werden overtredingen, bijvoorbeeld beschadiging van het dijklichaam, door de heemraden berecht.
Het systeem van onderhoud werd tot in de 16e eeuw niet aangepast terwijl de dijk hoger en breder werd en duurder in onderhoud, omdat het hoogwaterpeil in het IJ steeg. Een groot deel van de 16e eeuw was er strijd over het “gemeen maken” van de dijk oftewel het gemeenschappelijk maken van de dijk. Daarbij nam het hoogheemraadschap het onderhoud in eigen beheer en verdeelde de kosten via een omslag over alle belanghebbenden. De dijkplichtigen wilden deze gemeenmaking, maar Rijnland niet. De dijkdoorbraken van 1508-1515 zetten het onderhoud hoog op de agenda. Rijnland probeerde van de kosten verschoond te blijven. De inwoners van de ambachten konden de schade niet herstellen en de rekening niet betalen. Het Hof van Holland verbood Rijnland de kosten op de ambachten te verhalen. In 1529 spanden de dijkplichtigen een rechtszaak aan tegen Rijnland. Zij eisten dat Rijnland het gewone en buitengewone onderhoud zou overnemen. De kosten zouden via een omslag verdeeld moeten worden over zowel de ingezetenen van Rijnland als die van de dijkambachten. Als alternatief kon deze regeling gelden bij buitengewone schade. De processen leverden niets op, maar in de praktijk kwamen de kosten toch op Rijnland neer.
Het akkoord van 1544
In 1544 sloten de besturen van de dijkambachten (Sloten, Sloterdijk, Osdorp, De Geer, Houtrijk en Polanen) een belangrijke overeenkomst met Rijnland. Rijnland nam het maken en onderhouden van bolwerken (houten beschoeiingen op doorgebroken gedeelten) over, evenals het onderhoud van de dijkstukken die door eigenaren verlaten waren of verlaten zouden worden. Als laatste zou het hoogheemraadschap zorgen voor dichting van alle gaten en verhoging van de dijk met 4 voet (1.26 meter) op kosten van Rijnland en de ambachten gezamenlijk. De schouten en schepenen van de dijkambachten beloofden op hun beurt namens de dijkplichtigen de dijk te onderhouden en te repareren volgens de keur van dijkgraaf en hoogheemraden.

Aan deze overeenkomst werd een verklaring gehecht van schout, burgemeesters, schepenen en raad van Amsterdam dat zij de overeenkomst tussen Rijnland enerzijds en schout en schepenen van Sloten, Sloterdijk, Osdorp, De Geer, Houtrijk en Polanen anderzijds op verzoek van Sloten c.s. medebezegelen.
De dijkplichtigen werden namelijk gesteund door Amsterdam. Amsterdam had ook belang bij de dijk, omdat die bescherming bood aan de landweg die van de Haarlemmerpoort in Amsterdam via het veer van Spaarnwoude naar Haarlem liep.
