De najaarsstormen van 1836 en de overstromingen in de omgeving van Leiden en Amsterdam doordrongen de verantwoordelijke autoriteiten na twee eeuwen plannenmakerij van de noodzaak tot droogmaking van het Haarlemmermeer. De wet tot droogmaking van het Haarlemmermeer kwam in 1839 tot stand. Door de droogmaking van het meer zou Rijnland’s boezem krimpen van 22.000 hectare tot 4.000 hectare.
Het voornemen tot droogmaking van het Haarlemmermeer bracht een serie noodzakelijk uit te voeren waterhuishoudkundige werken in gang, waarvan de totstandkoming van het Oegstgeesterkanaal als toevoerkanaal voor de Katwijkse uitwatering er één was.
Eerst werd gestart met de verbreding van het Katwijkse kanaal en daarna met het graven van het Oegstgeesterkanaal in 1841. Vanwege de veel grotere toevoer van water naar de uitwateringssluis in Katwijk werd deze in 1843 met twee uitmondingen van drie naar vijf verbreed. Ook was de bouw van drie boezemgemalen nodig: Spaarndam in 1843, Halfweg in 1849 en Gouda in 1857.
Totdat deze serie van waterhuishoudkundige werken werd uitgevoerd, vloeide het boezemwater langs een grote omweg naar de Katwijkse uitwatering en door de onbeduidende Rijnsburgse Vliet. Het kanaal dat de Katwijkse uitwatering vormde was slechts 28 meter breed. Dit uitwateringskanaal zou worden verbreed tot 52 meter, terwijl een bijna rechthoekig te graven kanaal tot tegenover de Leede met een breedte van 40 meter de Rijnsburgse Vliet zou vervangen. De lozing werd door deze ingrepen aanzienlijk vergroot. Dit was weliswaar in het belang van het droogmalen van het Haarlemmermeer, maar de beheersing van Rijnlands boezem was zeker nog niet optimaal.
Het traject van het Oegstgeesterkanaal ligt tussen de Haarlemmer Trekvaart in Oegstgeest en het Uitwateringskanaal in Katwijk.

