Beschermende maatregelen

Geen beschermende maatregelen

U mag zonder beschermende maatregelen werken bij onderhoudswerkzaamheden  waarbij zo weinig verontreiniging vrijkomt dat het niet zinvol wordt geacht met een afschermingconstructie te werken. Dit zijn:

  • Reinigingstechnieken R1 en conserveringstechnieken waarbij alleen stoffen uit categorie A worden gebruikt 

U heeft wel een zorgplicht. Er moet netjes worden gewerkt om verontreiniging van het water te voorkomen of te beperken.

Lichte beschermende maatregelen

U treft relatief lichte milieubeschermende maatregelen bij de volgende werkzaamheden, omdat er bijna geen verontreinigingen ontstaan.

  • Reinigingstechnieken R2 en conserveringstechnieken C1 met stoffen uit categorie B en C. Dit zijn werkzaamheden voor preventief onderhoud.
  • Conserveringstechnieken C1 met categorie B stoffen. Met uitzondering van mors- en lekverliezen.

De afscherming is een lichte hulpconstructie met de volgende eisen:

  • De vloer is stofdicht en heeft een opstaande rand of een gelijkwaardige voorziening van 20 cm.
  • Bij een windsnelheid van meer dan 8 meter per seconde wordt verspreiding van verontreiniging voorkomen door het aanbrengen van zijwanden.
  • De zijwanden zijn van gaasnetten van ten hoogste 0,4 millimeter bij 0,4 millimeter of van zeil. Ze worden aangebracht tot 1 meter boven het te behandelen object.
  • Wanneer bij de conserveringswerkzaamheden de meer milieuvervuilende stof C wordt gebruikt worden dezelfde maatregelen voorgeschreven.
  • Boven een windsnelheid van 14 meter per seconde worden vanwege veiligheidsredenen geen werkzaamheden meer uitgevoerd.

Zwaardere beschermende maatregelen

U treft een hogere afscherming als u straaltechnieken uit reinigingstechnieken R3 toepast. Deze technieken veroorzaken meer stofvorming. De mate van afscherming hangt af van de stoffen die worden gebruikt.

  • De vloer en zijwanden worden op dezelfde wijze uitgevoerd als bij de R2 technieken.
  • Als er sprake is van een stof uit categorie A kan worden volstaan met een niet volledige omsloten hulpconstructie.
  • Als een stof uit categorie B wordt verwijderd met een metallisch straalmiddel dan wordt de ruimte waarin wordt gewerkt volledig omsloten. De boven- en zijwanden zijn winddicht en sluiten winddicht aan op de vloer.
  • Het is noodzakelijk dat de lucht wordt afgezogen als: een stof uit categorie B wordt verwijderd met een mineraal straalmiddel of smeltslakgrit (stofvorming groot), of als een stof uit categorie C wordt verwijderd met een metallisch straalmiddel. Het stofgehalte van de geëmitteerde lucht bedraagt niet meer dan 10 mg/Nm3.
  • De stofvorming is het grootst bij verwijdering van een stof uit categorie C met een mineraal straalmiddel of smeltslakgrit. De hulpconstructie omsluit de ruimte volledig. De vloer is stofdicht en de boven- en zijwanden sluiten stofdicht op elkaar aan. De lucht wordt afgezogen vanwege de vele schadelijke stoffen die vrijkomen. Het stofgehalte van de geëmitteerde lucht bedraagt niet meer dan 10 mg/Nm3. Tijdens de werkzaamheden is er een permanente onderdruk.
  • Het aanbrengen van een conserveringslaag van stof uit categorie C met airmix/airless spuiten of pneumatische spuitapparatuur vereist eveneens een zwaardere afscherming.

Bij natte reinigingstechnieken, welke beschermende maatregelen?

Bij de natte reinigingstechnieken R4 wordt water gebruikt.  Daarom is de vloer altijd vloeistofdicht.

  • De vloer heeft een opstaande rand van 20 centimeter of een gelijkwaardige voorziening.
  • De zijwanden zijn van gaasnetten 0,4 millimeter bij 0,4 millimeter of  van zeilen en bevinden zich 1 meter boven het te behandelen object.
  • Het afvalwater wordt opgevangen en wordt lekdicht naar een bezinkbassin gevoerd.
  • Na het doorlopen van het bezinkbassin bedraagt het gehalte aan onopgeloste bestanddelen in het effluent ten hoogste 50 milligram per liter. Dit gehalte mag niet door verdunning worden bereikt.

Winddicht, stofdicht, vloeistofdicht

Bij de afschermingsklassen is sprake van winddichte, stofdichte en vloeistofdichte wanden, vloeren, afdichtingen en aansluitingen.

  • Een winddichte afdichting voorkomt invloed van de wind op de emissie van stofdelen, vloeistof of nevel uit de hulpconstructie. Dit kan worden bereikt door het aan elkaar rijgen van de wanden.
  • Een stofdichte afdichting voorkomt de emissie van stofdelen uit de hulpconstructie. Dit kan worden bereikt door het sealen van naden of het gebruik van PUR-schuim voor het afdichten van de naden.
  • Een vloeistofdichte afdichting voorkomt emissie van vloeistof of nevel uit de hulpconstructie.