In de agrarische gebieden worden de lozingen van de agrarische bedrijven geregeld met vergunningen of via algemene regels. Hierin zijn onder meer voorschriften opgenomen om de emissies van bestrijdingsmiddelen te beperken met als doel de waterkwaliteitsdoelstellingen te bereiken. De vergunningen of algemene besluiten worden gehandhaafd.
In deze agrarische gebieden wordt jaarlijks een meetnet ingericht om de aanwezigheid van bestrijdingsmiddelen in het water te meten. Zo kunnen we beoordelen of de doelstellingen worden gehaald.
De rapporten met de resultaten over de teeltseizoenen 2005 en 2006 kunt u met de links hieronder inzien:
Agrarische Meetnetten 2005-rapport (pdf)
Agrarische Meetnetten 2006-rapport (pdf)
Hieronder de belangrijkste bevindingen.
Tijdens de metingen in de akkerbouwgebieden troffen we 93 middelen aan, waarvan er 24 de concentratienormen overschreden. Drie daarvan zijn probleemstoffen: carbendazim, dimethoaat en imidacloprid. Dimethoaat wordt gebruikt in de koolteelt en wordt vooral in polder de Noordplas aangetroffen. Imidacloprid heeft meerdere toepassingsgebieden; in mei zijn pieken waar te nemen veroorzaakt door aardappelbespuitingen.
De metingen van de afgelopen drie jaar laten nauwelijks verbeteringen zien.
In de metingen in de bloembollen- en vaste planten gebieden vonden we acht stoffen aan. Hiervan overschrijden carbendazim en imidacloprid de norm. Ook hier zijn de aangetroffen concentraties ongeveer even hoog als in voorgaande jaren.
Flutolanil is, als gevolg van de aanpassing van de norm, geen bezwaarlijke stof meer, hoewel de aangetroffen concentraties even hoog zijn.
Carbendazim is nog altijd de grootste probleemstof in het boomteeltgebied.
In de metingen in de glastuinbouwgebieden troffen we 71 stoffen aan, waarvan 19 (zeer fors) de norm overschrijden. Probleemstoffen zijn aldicarb (met afbraakproducten), dichlobenil, dimethoaat, fenamifos, imidacloprid, methiocarb, methomyl, pirimicarb, pirimifos methyl, tolclofos methyl en vinchlozolin.
De emissie vanuit de glastuinbouw blijft onverminderd hoog; de belangrijke routes lijken nog altijd onvoldoende gesaneerd. Ook worden nog eens veel insecticiden en acariciden worden aangetroffen, waarschijnlijk omdat deze zeer preventief werken. In het Trappenberggebied zijn vaker normoverschrijdingen gevonden. Middelen die hier in de bodem terechtkomen worden met de kwelstroom opgevangen in het drainagestelsel en vervolgens in oppervlaktewater geloosd. De lozing van drainagewater is in het Besluit glastuinbouw niet aangemerkt als lozingsroute voor bestrijdingsmiddelen.
De bevindingen geven weinig reden tot juichen; er lijkt nauwelijks vooruitgang te worden geboekt in het terugdringen van de schade die ontstaat in het watermilieu.
Het college van Rijnland gaat de komende tijd de volgende strategie volgen:
De procedure voor en de communicatie rondom de aanpassing van normen voor bestrijdingsmiddelen is niet helder. Frequente wijzigingen van de normen hebben tot gevolg, dat het hele stelsel onbetrouwbaar overkomt; wat vandaag een probleem is, kan morgen geen probleem meer zijn.
Rijnland gaat dan ook in Unieverband aandringen op het duidelijker en consistenter maken van de (landelijke) procedure van en communicatie over normvaststelling in het algemeen en die van carbendazim in het bijzonder.
De lozing van drainagewater is in het Besluit glastuinbouw ten onrechte niet aangemerkt als lozingsroute voor bestrijdingsmiddelen. Ook lijken maatregelen aan de pijp nodig te zijn om de problemen op te lossen. Een systeem met doelvoorschriften op bedrijfsniveau kan hiervoor een oplossing vormen. In Unieverband zal Rijnland aandringen op wijziging van het Besluit glastuinbouw in bovengenoemde richting.
De handhaving van de vergunningen van akkerbouwbedrijven blijft maar de aandacht verschuift naar het individuele bedrijf en een aanpak aan de bron door middel van het uitvoeren van bemonstering van lozing- en/of oppervlaktewater bij agrarische activiteiten.
De Rijnlandse handhaving van bijlage 1 van het Besluit glastuinbouw wordt geïntensiveerd en individueler gemaakt. In 2006 wordt een proefproject uitgevoerd bij een aantal bedrijven om te bezien of dit een goede weg is.
Rijnland blijft communiceren over de resultaten van de meetnetten. Ook wordt vanaf 2006 het overleg met en voorlichting aan de branche geïntensiveerd.
