In het kader van het peilbesluit polder de Noordplas is uit veldonderzoek in 2005 naar voren gekomen dat meer dan 60% van de chloridebelasting in deze diepe polder via wellen (zwakke punten in de ondergrond) op het oppervlaktewater komt. Ze bevinden zich meestal aan de rand van de polder of in sloten waar de kweldruk het grootst is. Deze wellen voeren grondwater van grotere diepte naar boven en brengen daarmee zouter water naar de oppervlakte. Naast chloride is ook de belasting van stikstof en fosfaat via wellen hoog. Uit dit onderzoek is de gedachte naar voren gekomen dat het dichten van wellen goede mogelijkheden biedt om de verzilting tegen te gaan. Dit is in het WBP geformuleerd onder de pilot weldichting.

Ter plekke van de zandbaan is de kans op een wel het grootst.

Model van de opbouw van een wel.
Hiervoor is in een eerste fase allereerst de achtergrondstudie kwelreducerende technieken uitgevoerd. Deze is ingegaan op de volgende vragen: hoe kunnen wellen gedicht worden en hoe verhoudt weldichting zich tot andere technieken. Geconcludeerd is dat het dichten van wellen de meest kansrijkeen goedkoopste methode is om de verzilting door brakke kwel te reduceren. De effectiviteit van de methode per wel is groot, op regionaal niveau hangt de effectiviteit op de reductie van verzilting sterk af van de hoeveelheid wellen die worden gedicht. Door weldichting neemt de stijghoogte in de omgeving toe en heeft daarmee een significante toename van de diffuse kwel en verzilting in de omgeving tot gevolg. Echter, door het hogere zoutgehalte in wellen neemt de totale (netto) zoutbelasting over de gehele omgeving af als de wellen gedicht worden. Bij (grootschalige) weldichting zal dan ook een belangenafweging plaats moeten vinden waarbij ook de omgeving in beschouwing wordt genomen.

Voorbeeld van een wel in de polder de Noordplas.
Gezien de potentie van de methode worden proeven op drie locaties uitgevoerd om de haalbaarheid en de effecten van weldichting te bepalen. Op basis hiervan zal worden beoordeeld of weldichting als maatregel in verziltingbestrijding in te zetten is.
Als bekend is welke type wellen te dichten zijn, kan overgegaan worden tot een grootschaliger aanpak. Hiervoor is het echter wel noodzakelijk dat de locaties van wellen en de locale omstandigheden ter plekke bekend zijn. Door een wellenbestand op te zetten kan deze informatie verzameld worden en deze informatie is nu niet bij Rijnland beschikbaar. Met een wellenbestand kan een selectie worden gemaakt van technisch haalbaar te dichten wellen. Gezien de bijdrage van wellen aan de water en stoffenbalans (zie: Onderzoek Polder de Noordplas) is kennis van de locaties in ieder geval relevant. De risico’s van voorgenomen (bouw)werkzaamheden kunnen bijvoorbeeld beter worden ingeschat (peilverandering, verleggen sloten, verhogen slootbodem etc.).
Mogelijk hoeven niet alle zoute wellen gedicht te worden. Dit is mede afhankelijk van de functie ter plekke en van de uitstraling van een wel naar de omgeving en de boezem. Hiervoor dienen criteria te worden vastgesteld. Ook het formuleren van de doelstelling met betrekking tot de maatregel is van belang. Welke reductie wordt nagestreefd, wat zijn de kosten. Kortom, er moet beleid worden vastgesteld waarmee kan worden bepaald of, hoe, op welke wijze en tegen welke kosten wellen gedicht gaan worden.
De tweede fase bestaat daarom uit een drietal onderdelen:
1) Drie proeven met weldichting om een beter beeld en een betere vergelijking te krijgen van de (on)mogelijkheden van de technieken. De proeven worden uitgebreid gemonitord. Haalbaarheid en effecten van weldichting worden beoordeeld. Uitvoering vindt plaats in het voorjaar van 2008.
2) Er wordt een bestand aangelegd met de locaties van wellen. Hieraan wordt informatie over de ondergrond gekoppeld (o.a. weerstand van de bodem). Zo kan een selectie gemaakt worden van technisch haalbaar te dichten zoute wellen. Voor de uitvoering wordt aansluiting gezocht bij de watergebiedplannen.
3) Daarnaast wordt vastgesteld op basis van welke argumenten wellen moeten worden gedicht. Technische haalbaarheid en bestuurlijke wenselijkheid spelen hierin een rol. Dit beleid rondom weldichting wordt ingebed in het overkoepelende (nog uit te werken) beleid ten aanzien van verzilting en waterbehoefte in het project verzilting en waterbehoefte, conform het besluit van de VV in november 2006. Voor de implementatie van dit wellenbeleid wordt aansluiting gezocht bij de watergebiedplannen. Dit is een aanvulling ten opzichte van het WBP3.
Zo kan als eenmaal duidelijk is hoe zaken aangepakt moeten worden ook gelijk tot uitvoering worden overgegaan, omdat we al hebben uitgezocht waarom we weldichting ergens wel of niet willen inzetten als techniek en omdat we al weten waar de (grootste) wellen zich bevinden.
Dit project is één van de uit te werken maatregelen in de beleidslijn kwel bestrijden en valt onder het thema Waterbehoefte en Verzilting in Rijnland.
Voor nadere informatie kunt u zich wenden tot Jos van Rooden (jos.rooden@rijnland.net 071 - 3063387).
